Woensdag 23/09/2020

De grammatica van het protest

Bij de zeventigste verjaardag van Noam Chomsky, linguïst, anarchist, lastpak

Van alle nog levende wetenschapscoryfeeën is de taalkundige, politiek denker en dissident Noam Chomsky de meest geciteerde. En zeker een van de controversieelste. Op 7 december is hij zeventig geworden. Portret van een leven tussen welhaast blinde adoratie en bijtende spot.

Biografen en commentatoren wijzen er graag op dat hij als knaapje van tien zijn eerste politieke artikel schreef (over de val van Barcelona tijdens de Spaanse Burgeroorlog) en vertellen ook enthousiast hoe Noam twee jaar later een monografie van de hand van zijn vader las over de verdiensten van een obscure twaalfde-eeuwse Hebreeuwse grammaticus. Zijn vaders secretaresse herinnert zich een gesprek van de zevenjarige Noam met zijn moeder, toen die Noams Compton's Encyclopaedia aanwees met de vraag "Heb je daar ooit al eens in gebladerd?", waarop Noam droogjes repliceerde: "Ik heb er maar de helft van gelezen." Deze anekdotes moeten getuigen van het uitzonderlijke genie van de Amerikaanse intellectueel, zowel in de taalkunde als in de politieke kritiek, de twee disciplines waarin hij al heel zijn leven werkzaam is, tot op de huidige dag. In elke taalkundige opleiding is een bespreking van Chomsky's ideeën intussen de rigueur en meer in het algemeen noemde The New York Times Book Review hem "misschien wel de belangrijkste levende intellectueel".

Tegelijk blijkt uit deze oordelen ook al onmiddellijk hoe polariserend Chomsky's figuur, ideeën en uitspraken werken. Zijn persona leent zich even makkelijk tot romantisering als tot blinde haat. In een van de recentere hagiografieën (1997) over Chomsky, geschreven door Robert Barsky, moet je zo bij tijden een berg mystificatie afgraven voor er werkelijke feiten aan het licht komen. Over het algemeen zijn er weinig mensen die een genuanceerd beeld van Chomsky ophangen, niet het minst omdat hij zelf liever de controverse dan de consensus zoekt. De enige dissonant die in Barsky's boek te vinden is, verwijst expliciet naar deze onhebbelijkheid: "Chomsky's taktiek is misschien niet altijd de adequaatste in het licht van de standpunten die hij verdedigt." Op die manier beweegt hij zich nu al een goede vijftig jaar tussen adoratie en spot, tussen leeghoofdige instemming en vulkanische kritiek. Voor de één genie, voor de ander charlatan - misschien is hij wel beide tegelijk.

Wat heeft Chomsky gepresteerd op het terrein van de taalkunde? Ook hier lopen de antwoorden uit elkaar. Aan het ene uiterste van het spectrum vind je mensen die zeggen dat hij in de jaren vijftig de op sterven na dode discipline van de linguïstiek in zijn eentje reanimeerde en deed uitgroeien tot een wetenschap. De andere kant zal dan gretig demonstreren tot welke absurditeiten die reanimatie heeft geleid. Maar in elk geval kun je moeilijk om het feit heen dat Chomsky een paar bijzonder pregnante vragen heeft gesteld.

De vraag hoe een kind op basis van zo weinig informatie zo snel zoiets ingewikkelds als een taal kan leren blijft relevant - of als antwoord daarop ook het bestaan van een aangeboren Universele Grammatica geponeerd moet worden is een tweede. Dat kinderen rond hun zesde er een goed idee van hebben welke zinnen in hun moedertaal 'goed' zijn en welke niet, heeft Chomsky altijd gefascineerd. Dat heeft geleid tot een aantal postulaten, waarvan de genoemde Universele Grammatica (UG) de bekendste, maar niet de enige is.

Het gaat er Chomsky bij het opstellen van zijn UG om, na te gaan welke regels en principes als aangeboren moeten worden verondersteld om de verbazingwekkende taalontwikkeling van elk kind enigszins te kunnen begrijpen. Meer in het bijzonder moet zo'n theorie ook een verklaring kunnen geven voor de bijna grenzeloze creativiteit die we elke dag in ons taalgebruik demonstreren. Want elke dag brengen we steeds weer nieuwe zinnen voort die we nog nooit gehoord hebben, totaal nieuwe combinaties van woorden die ons niet in die letterlijke vorm zijn aangeleerd.

Tegelijk kunnen we ook erg goed oordelen of een bepaalde combinatie van woorden een correcte zin is of niet, zonder daarbij een beroep te doen op enige expliciete grammaticale kennis. Een zin als 'Jan kocht bloemen voor zijn vrouw' wordt door elke spreker van het Nederlands als grammaticaal beschouwd, terwijl een on-zin als 'Jan bloemen voor kocht vrouw zijn' door iedereen als zodanig beoordeeld zal worden. Chomsky's zogeheten generatieve grammatica onderzoekt dan welke algemeen geldige uitspraken op basis van de twee bovengenoemde gegevens gedaan kunnen worden over alle mogelijke grammaticale zinnen van een bepaalde taal.

Die grammatica is generatief omdat ze uiteindelijk alle mogelijke (maar wel alleen de mogelijke) zinnen van een bepaalde taal moet kunnen genereren, voortbrengen, dat wil zeggen dat ze de grammaticaliteit van zinnen kan voorspellen op basis van een aantal formele structuurregels. De klassiekste van die zogenaamde herschrijfregels heeft de vorm: herschrijf een zin ('Anne schrijft een brief') als een combinatie van een naamwoordelijk deel ('Anne') en een werkwoordelijk deel ('schrijft een brief'). Die beide delen, constituenten, kunnen dan eventueel herschreven worden als een combinatie van weer andere elementen (zoals het werkwoordelijk deel van de voorbeeldzin in 'schrijft' + 'een brief'). Zet je die steeds minder complexe elementen uit op een diagram, dan krijg je de beroemde boomstructuur (zo genoemd vanwege haar typische boom-met-takkenvorm), die de meest complexe zinnen kan beschrijven.

Voorts zijn er regels nodig die de kracht van die veel te algemene herschrijfregels beperken. Die andere regels beschrijven veel specifiekere patronen in zinsstructuren, maar worden toch verondersteld universeel te zijn. Sommige van die regels zijn dermate complex dat Chomsky besluit dat ze wel aangeboren móeten zijn en zodoende deel uitmaken van een taalmodule, een autonoom geheel in onze hersenen dat met andere modules (zoals het geheugen) samenwerkt.

Deze aanpak van de taalkunde was in de jaren vijftig behoorlijk revolutionair, zij het niet zo revolutionair als Chomsky zelf beweert. Hij verschilt op een heel aantal punten radicaal van zijn leermeester Harris en de behavioristische taalkundige Bloomfield, maar bouwt toch ook verder op beide voorgangers. De grootste nieuwe betrachting van Chomsky was de omvorming van de taalkunde tot een wetenschap die de vergelijking met modellen uit de fysica moest kunnen doorstaan. Dat hield in dat hij zich niet tevreden stelde met de loutere beschrijving van taalfenomenen, hij wou ook verklaren waarom de taal is zoals ze is, op basis van zo algemeen mogelijke principes.

Er zijn echter talloze bedenkingen te maken bij Chomsky's taalopvattingen en ideeën over taalkunde. De belangrijkste is wellicht de kritiek uit functionalistische hoek: Chomsky is alleen geïnteresseerd in een soort geïdealiseerd taalgebruik, in een perfect homogene taalomgeving, waarbij de 'stoornissen' van het eigenlijke taalgebruik (aarzelingen, kuchjes,...) uitgesloten worden. Algemener sluit hij elke verwijzing naar het werkelijke taalgebruik uit als mogelijke basis voor structurele verklaringen van de taal. Daarmee veegt hij de hele functionalistische taalkunde van de tafel en impliceert hij verder dat een bloeiende en boeiende tak van de taalkunde, de pragmatiek of taalgebruikskunde, irrelevant is. Daar kan een heel aantal mensen niet mee akkoord gaan en het lijkt inderdaad absurd, of, in de woorden van de taalfilosoof John Searle, "onzinnig en pervers", om taal onafhankelijk van haar functies te bestuderen. Taal gebruik je altijd om iets te doen en dat laat sporen na in haar structuur.

Verder is er ook het vreemde feit dat Chomsky zich zelf nooit aan een uitgewerkte syntactische grammatica heeft gewaagd, terwijl de syntaxis (grammatica op zinsniveau) toch decennialang de kern vormde van zijn taalkundige activiteit. (De laatste jaren is de semantische invloed en vooral ook de invloed van het lexicon, een soort woordenreservoir dat in onze hersenen is opgeslagen, ook voor de generatieve grammatica veel belangrijker geworden). Al het monnikenwerk dat het opstellen van zo'n exhaustieve generatieve grammatica vereist is altijd uitgevoerd door volgelingen, die overigens telkens op gigantische moeilijkheden stuitten. Niet zelden volgde op zo'n poging een herziening van de theorie. Met een beetje slechte wil zou je kunnen zeggen dat Chomsky telkens opnieuw met de meest fantastische principes aan komt dragen, die dan door zijn medewerkers laat testen en vervolgens met weer andere fantastische principes op de proppen komt om de inconsistenties met het empirische werk teniet te doen.

Maar hoe fundamenteel en terecht de kritiek op Chomsky's voorstellen en a priori's ook mag zijn, veel van de vragen die taalkundigen vandaag elke dag bezighouden zijn het eerst of het pregnantst geformuleerd door Noam Chomsky. Dat zijn antwoorden niet altijd even koosjer zijn, staat buiten kijf, maar dat hij nieuwe, inzichtige ideeën in de taalkunde heeft Geïntroduceerd is evenzeer niet te betwisten.

Wordt Chomsky als taalkundige gevierd of verguisd, als politiek denker voelt hij zich sterk gemarginaliseerd, en daardoor gevierd noch verguisd, maar gewoonweg genegeerd. Vanaf zijn prille jeugdjaren voelde hij zich aangesproken door uitgesproken linkse bewegingen, en die sympathieën ontwikkelden zich snel tot een levenslang engagement voor een geweldloos anarchisme, of een libertijnse vorm van socialisme.

De oorzaken van zijn politiek activisme ziet Chomsky in enkele gebeurtenissen uit zijn kindertijd: toen hij vier jaar oud was, zag hij hoe mensen bij hen thuis aanklopten om lompen te verkopen voor eten. Later zag hij hoe de politie enkele vrouwelijke stakers in elkaar sloeg bij een demonstratie. Dat liet een onuitwisbare indruk op hem na en de jonge Chomsky begon zich al erg vroeg te informeren over politieke systemen en ideologieën.

Velen beschouwen hem als de belangrijkste Amerikaanse dissident en in die hoedanigheid levert hij al zo'n vijftig jaar onafgebroken strijd tegen de funeste gevolgen van de kapitalistische wereldorde, tegen censuur en de "engineering of consent" (het in slaap wiegen van de burger) en tegen de manipulaties van de media door verschillende belangengroepen (vooral multinationals, maar ook politieke pressiegroepen).

Chomsky's alternatief, het libertijns socialisme, wordt vaak gedefinieerd door het af te zetten tegen twee andere vormen van socialisme: de socialistisch-democratische doctrine enerzijds, en het leninisme anderzijds. Chomsky verwerpt het eerste omdat het naar zijn mening weinig waarschijnlijk is dat uit zo'n politieke oriëntering en strategie een echt socialisme kan bloeien. De mensen van de 'vrije wereld' (Chomsky's aanhalingstekens) die naar een socialistisch systeem proberen te streven, worden gedwarsboomd door massale repressie, uitgeoefend door de Verenigde Staten en de elites in hun eigen land. Het leninisme is dan weer niets anders dan een tirannieke regeringsvorm, gestuwd door een geprivilegieerde bureaucratie, die eigenlijk gelijkstaat aan het volkomen tegendeel van socialisme.

De maatschappij die Chomsky voor ogen heeft vindt haar inspiratie bij denkers als Kropotkin of Bakoenin: een sterk georganiseerde maatschappij bestaande uit kleine, organische gemeenschappen, zoals de werkplaats en de directe leefomgeving, waarbij een eerlijke verdeling van middelen primordiaal is. Dit gezegd zijnde mag het niet verwonderlijk heten dat Chomsky vaak 'communist' wordt genoemd. Hoewel dat in Amerika een nog veel erger scheldwoord is dan hier, verkiest hij zelf de zo mogelijk nog provocerender titel 'anarchist'.

Veel van de energie die hij in dit sociaal-libertijns ideaal investeert moet echter opgeofferd worden aan het ontkrachten van bestaande versies van de realiteit die gepropageerd worden door de vertegenwoordigers van de macht. Chomsky noemt dat graag 'Orwells probleem', naar analogie van 'Plato's probleem' in de taalkunde. Plato's probleem houdt verband met de vraag waarom de mens, ondanks zijn beperkte contact met de wereld, toch zoveel weet. Orwells probleem is dan precies het omgekeerde: hoe kan het dat de mens, die toegang heeft tot zo'n ontzaglijke stroom aan informatie, zich van zo weinig bewust is? Het antwoord laat zich raden: de elite die er belang bij heeft dat haar misdaden en onrechtvaardigheden niet aan het licht komen, bespeelt een heel register aan mediamanipulaties. Ze is daar zo goed in dat wij niet eens beseffen dat we gemanipuleerd worden.

Dit is natuurlijk niets anders dan de klassieke definitie van ideologie: ideologie is dat geheel van ideeën die als vanzelfsprekend worden beschouwd en dus ook niet meer ter discussie gesteld. Veel van de concrete vragen in Chomsky's ideologiekritiek zijn gericht op de aanhoudende stroom van militaire interventies van de VS, waaronder vooral de Vietnam- en de Golfoorlog. In de jaren zestig was hij een van de mede-organisatoren van de mars naar het Pentagon, die tot doel had eer te betuigen aan de studenten die hun oproepingsbevel voor het leger terug kwamen brengen. Samen met onder anderen Norman Mailer werd hij vervolgens gearresteerd en in de cel gegooid.

Chomsky vindt het echter veel zwaarwegender dat hij monddood wordt gemaakt. Zo beweert hij dat hij geweerd wordt uit elk belangrijk mainstream dagblad of magazine. Hij wordt naar eigen zeggen gedwongen zijn ideeën te verkondigen in obscure magazines en ziet zich genoodzaakt om heel de wereld af te reizen om geïnteresseerden openlijk aan te spreken.

Als politiek denker is Chomsky wellicht nog een stuk controversiëler dan als taalkundige. Zo is hij ook bekend vanwege zijn verdediging van Robert Faurisson, een Frans literatuurwetenschapper die uit zijn academische ambt ontzet werd vanwege een aantal teksten waarin hij het bestaan van de holocaust en in het bijzonder de concentratiekampen ontkende. Chomsky kreeg er de naam holocaustontkenner door, wat absoluut ridicuul is. Zijn verdediging van Faurisson berust geheel op zijn heilige geloof in het recht op vrije meningsuiting: elke mening moet haar plaats krijgen. De gemeenschap moet die mening vervolgens maar juist beoordelen.

Een zelfde extreme vrijheid staat Chomsky voor in het wetenschappelijk onderzoek. Zo werd hem in de jaren zestig geregeld gevraagd hoe hij in het reine kon komen met zijn professoraat aan het Massachussets Institute for Technology, een universiteit die vroeger sterke banden had met het Amerikaanse leger en daardoor ook onderzoek verrichtte naar massavernietigingswapens. Zijn antwoord was verrassend genoeg dat hij daar geen problemen mee had, zolang het MIT niet zo hypocriet was om die experimenten bij het scheikundedepartement onder te brengen, maar het de dingen gewoon bij hun naam noemde en het departement het 'departement van de dood' doopte. Het MIT is nooit op de suggestie ingegaan, maar verbrak kort na Chomsky's uitspraak wel de banden met het leger (zij het alleen in administratieve zin). Chomsky's alternatieven zijn misschien niet altijd even realistisch of zelfs aantrekkelijk, maar het louter wijzen op alternatieve mogelijkheden opent perspectieven die terecht gehekelde misstanden steeds weer ongenadig blootleggen. Dat verdient bewondering. En hij is nog lang niet dood: zo is op het Web een transcriptie te vinden van een voordracht die hij in september hield aan de universiteit van Calgary over de economische wereldorde. De toon is nog even scherp als in het begin en je voelt hoe hij met zijn tekst het publiek kan meeslepen. Tegelijk vind je op Internet een site met als titel: 'Chomsky lies'.

De debatten duren voort. Chomsky heeft er vele geopend.

Robert F. Barsky, Noam Chomsky. A Life of Dissent, The MIT Press, Cambridge (Mass.) /Londen (VK), 237 p. Pieter A.M. Seuren, Western Linguistics. An Historical Introduction, Blackwell, Oxford (VK)/Malden (Mass.), 570p. Websites: http://www.worldmedia.com/archive/index.cfm http://www.jim.com/jamesd/chomsdis.htm http://mitpress.mit.edu/celebration/

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234