Maandag 16/12/2019

De gouden jaren van de rode brigade

Nieuw boek over wielerploeg Flandria geeft overzicht van gouden tijden van Vlaamse wielrennerij, maar 'Vlaams' zoals in Oost- en West-Vlaams

'Flandria' is het Kerklatijn voor Vlaanderen, en het is geen toeval dat misschien wel de belangrijkste wielerploeg die Vlaanderen ooit had die trotse naam droeg. Twee decennia lang was Flandria een bepalende factor in het Vlaamse wielrennen. 'Vlaams', tegelijk als kwaliteitsmerk én als beperking. Eddy Merckx was een Brusselaar, dus die reed nooit bij Flandria. Brussels centralisme en de Vlaamse weerstand daartegen: de politieke realiteit van de jaren zeventig weerspiegelde zich in het peloton. Vandaag presenteert uitgeverij De Eeclonaar een boek met de geschiedenis van dat topteam van toen. Door Walter Pauli

Soms begrijp je moderne wielersponsors niet. Ze doen alles, álles om in het nieuws te komen en op te vallen. Ze bouwen een persdienst in, leggen hun zogenaamde invités in de watten, zorgen voor een site en allerlei andere marketingtrucs maar zien een van de meest essentiële aspecten over het hoofd: een echt herkenbare trui. Varianten van onderling haast inwisselbaar blauw en wit voeren de boventoon. Probeer op een luchtbeeld van het peloton maar eens een Discoveryrenner te onderscheiden van een van QuickSteps tijdens een ontsnapping.

Een Flandriarenner zag je destijds van kilometers afstand. Die reed namelijk in het knalrood, met middenin een grote witte band. Zelden was een ploeg zo herkenbaar als wat in den beginne 'de rode garde' heette. Al was dat een leennaam. Aanvankelijk was 'de rode garde' de naam van Faema, het Belgisch-Italiaanse blok achter Rik Van Looy.

Maar de Faemadirectie kon rekenen. Faema verkocht koffietoestellen aan horecazaken, en die markt is per definitie beperkt. Dus wisten ze vooraf dat ze maar een paar jaar in competitie zouden blijven en zich dan weer voor x aantal jaren zouden terugtrekken tot de markt weer een nieuw zetje nodig had. Vandaar dat in 1962 Faema een cosponsor zocht om zich nadien (tijdelijk) terug te trekken.

Die werd Flandria, een ploeg die drie jaar eerder eigenlijk opgericht was als anti-Faema. Leon Vandaele was namelijk in onmin geraakt met zijn kopman Rik Van Looy en zocht een nieuwe sponsor. Hij vond die in de persoon van Aimé Claeys, een industriële fietsenmaker uit Zedelgem.

Zo werd de basis gelegd voor een ploeg die twintig jaar het Vlaamse peloton mee zou beheersen. Van meet af aan bleef het een zeer Vlaamse bedoening. Flandria bleef de ploeg van renners uit Oost- en West-Vlaanderen. Leon Vandaele zelf was afkomstig uit Ruddervoorde, en al snel kreeg hij hulp van bekende namen als Jef Planckaert (Poperinge), Marcel Rijckaert (Avelgem) of Piet Oellibrandt (Beveren-Waas) en de meest archetypische Flandrien sinds Cyriel Van Hauwaert, de onnavolgbare Albéric 'Briek' Schotte (Kanegem). Ook al was hij al veertig, Briek zou zijn laatste actieve profjaar bij Flandria volmaken voor hij in 1960 bij datzelfde team zijn debuut zou maken als sportdirecteur.

De aanwezigheid van Schotte was meer dan symbolisch. De komst van Flandria kaderde in de modernisering en de verjonging die het wielrennen vanaf de tweede helft van de jaren vijftig onderging. Modernisering, omdat een nieuwe generatie sponsors de wielerploegen financierde: vers geld, veel geld bovendien, maar veel van die sponsors eisten ook een betere structuur. Een kopman werd niet meer omringd door een handjevol aan hemzelf toegewijde knechten (het systeem-Coppi), maar door een hele structuur. Goed, wie de Flandriaploeg met de ogen van nu zou omschrijven als een professionele structuur, krijgt vooral de lachers op zijn hand, maar het was tenminste een stap vooruit in vergelijking met het semi-individualisme van voorheen.

Een verjonging ook, omdat pas vanaf de tweede helft van de jaren vijftig de eerste écht naoorlogse generatie wielrenners opstond. Tot dan waren de vedetten renners die prof werden in de eerste oorlogsjaren, een jaar of drie, vier niet voluit hebben gereden, en vanaf 1946 hun carrière een doorstart gaven en over het algemeen uitzonderlijk lang profwielrenner bleven. Het ging om de laatste generatie waarvan de namen van de protagonisten al tijdens hun actieve carrière een half-mythische bijklank hadden: Briek Schotte en Rik Van Steenbergen, Fausto Coppi en Gino Bartali, Ferdi Kübler, Jean Robic en Louison Bobet. Pas na 1955 raakte die groep haar heerschappij kwijt aan nieuwe heersers als Jacques Anquetil, Fred De Bruyne en Rik Van Looy. Op dat scharniermoment van de wielersport trok Flandria de kaart van de wielersponsoring.

Toen, zoals reeds gezegd, Rik Van Looy in 1962 de eerste rode garde (Faema) inwisselde voor de tweede (Flandria-Faema) - nadien kreeg Van Looy nog een derde rode garde, namelijk Solo Superia (1965-1966) - was hij wereldkampioen, een atleet op het toppunt van zijn kunnen. Ook al was de man die volgens de geplogenheden van de tijd de Keizer van Herentals heette vanzelfsprekend een Kempenaar, hij zorgde voor een klassiek voorseizoen waarvoor elke West-Vlaamse sponsor op de knieën viel. Eerst won hij Gent-Wevelgem, bovendien met voorsprong (hij sprong op zes kilometer van de streep weg uit de kopgroep en reed nog een voorsprong van bijna anderhalve minuut bij elkaar), vervolgens De Ronde van Vlaanderen, ook met voorsprong (na al na 45 kilometer de eerste serieuze aanval te hebben opgezet, met negen Flandria's in een kopgroep van veertien renners) en ten slotte ook Parijs-Roubaix, weer met voorsprong.

Het was de eerste keer dat iemand die trilogie volmaakte, en het is nadien nooit meer geëvenaard, ook niet door Eddy Merckx. Zoals auteur Van Hamme opmerkt: "Het was in die dagen dat supporters hun vest op de weg legden om Rik erover te laten rijden."

Het kon allemaal niet op voor Flandria, want Jef Planckaert won Parijs-Nice, Luik-Bastenaken-Luik, het Belgisch kampioenschap en werd tweede in de Tour de France. Daarin verloor Planckaert pas twee dagen voor Parijs de gele trui aan Jacques Anquetil in een tijdrit van 65 kilometer.

Dat was meteen de reden waarom Van Looy het maar één jaar uithield bij Flandria. Hij vond dat de Fransen sportief bedrog pleegden door het parcours openlijk op privémaat van tijdrijder Anquetil te snijden. Omdat de editie van 1963 wéér op zo'n tijdrit zou eindigen, weigerde Van Looy te starten. Hij moest starten, zegt Pol Claeys, zeker omdat Flandria bijna een akkoord rond had met een Franse cosponsor. Door de dreiging van Van Looy ging die deal niet door, waarna Aimé Claeys namens Flandria de contracten die zoon Pol Claeys al ondertekend had ineens te hoog vond, enzovoort. Van Looy betaalde het trainingskamp voor de ploeg zelf, startte in de Ronde van Sardinië op rood-witte truien zonde merknaam en reed ook niet op Flandriafietsen. Het werd een drôle de guerre die ermee eindigde dat Van Looy en zijn kern, sportdirecteur Lomme Driessens incluis, er al na één jaar de brui aan gaven en het seizoen 1963 voor GBC-Libertas reden.

Zo werd Flandria in de volgende jaren bijna definitief een zo goed als volledig 'Vlaamse ploeg'. Brabanders, Limburgers en Kempenaars vonden sneller onderdak bij ploegen als Poeders Mann, de ploegen van Merckx (Faema en Molteni), Watney-Maes of IJsboerke. Die laatste ploeg zou zich in de jaren zeventig op zijn beurt ontpoppen als het nationale team van de Kempen. Oost- en West-Vlaamse renners als Walter Godefroot, de gebroeders De Vlaeminck, Eric Leman, Wilfried David, André Dierickx of Johan De Muynck werden dan weer bijna automatisch de vlaggendragers van Flandria.

Het is met de Flandrialetters op zijn regenboogtrui dat de jonge Roeselaarse belofte Jempi Monseré in de lente van 1971 verongelukte, amper 23 jaar oud. Op een van de bekendste foto's staat de verzamelde Flandriaploeg onthutst rond hem: Roger De Vlaeminck kijkt bedremmeld, in de blik van Johan De Muynck is wilde paniek zichtbaar, een instinctieve reactie om nog te proberen te verhelpen wat al onvermijdelijk was, terwijl sportbestuurder Noël Foré, die bij het lichaam van Monseré knielt, als eerste wist dat de eerste Flandriarenner die zelf wereldkampioen werd in die trui omkwam.

Maar voor Flandria braken gouden jaren aan. Vooral in de Ronde van Vlaanderen was de ploeg op zijn sterkst. Walter Godefroot won in 1968, Evert Dolman in 1971, Eric Leman in 1970 en 1972. Ook in 1973 won Leman, maar toen reed hij voor Peugeot. In dat jaar was Freddy Maertens tweede en die reed, jawel, voor Flandria. Evert Dolman was een Nederlander. Het is een minder bekende zijlijn in het grote Flandriaverhaal: dit oer-Vlaamse team was ook beslissend in de ontwikkeling van het Nederlandse wielrennen. Jan Janssens en Peter Post reden jarenlang in de Flandriakleuren. Wat écht beslissend was, was dat Flandria in 1970 de Nederlandse neoprof Joop Zoetemelk liet debuteren in de Tour de France. Hij werd prompt tweede, na Eddy Merckx. Niet veel later werd Mars aangetrokken als cosponsor. De publiciteitsmanager van Mars zou vervolgens uitgroeien tot de sterke man van het Nederlandse en het internationale wielrennen: Hein Verbruggen is de naam.

Die Nederlandse fase was de overgang naar de laatste glorieperiode. In de jaren zeventig was Flandria een van de allersterkste teams ter wereld. De ploeg werd een voorloper van het nadien almachtige Ti-Raleigh. Het kenmerk van die ploeg was: véél sterke renners die allemaal kopman kunnen zijn.

Neem de Flandriasamenstelling van 1975: de drie West-Vlaamse talenten en (toen nog) vrienden: Freddy Maertens, Michel Pollentier en Marc Demeyer. Verder én Walter Godefroot én Herman Vanspringel én Ronald De Witte én Cyrille Guimard.

Het is die Flandriaformatie die, samen met het hogervermelde Raleigh, in 1976 en 1977 een einde maakte aan de heerschappij van Eddy Merckx. Maertens volgde Merckx op als winnaar van eendagswedstrijden. In 1976 won de Flandriakopman het Wereldkampioenschap, het Belgisch Kampioenschap, de Amstel Gold Race, Gent-Wevelgem, het Kampioenschap van Zürich, de Henniger Türm en de Grote Landenprijs, en Demeyer won Parijs-Roubaix. Ook in het rondewerk werd Flandria schier onklopbaar. In 1977 won Freddy Maertens Parijs-Nice en de Vuelta en Michel Pollentier won zowel de Giro als de Ronde van Zwitserland. Van Merckx is dan nauwelijks nog een spoor.

Toch stokte het Flandriaverhaal ineens, en dat gebeurde echt wel razendsnel. Deel één van de val vond plaats in 1978. Freddy Maertens deed het niet echt goed meer, hoewel hij nog de Omloop Het Volk won en in de Tour de groene trui en twee ritten meegraaide. Maar volgens de uitbundige normen in de zatte Flandriajaren telde dat eigenlijk niet echt mee. Michel Pollentier deed een majestueuze gooi naar de gele trui. Hij won op de top van l'Alpe d'Huez, droeg inderdaad de gele trui en moest die diezelfde avond nog weer inleveren. Het is de fameuze historie van de 'peer van Pollentier', een toen vaak gebruikte maar erg amateuristisch uitgevoerde poging om de dopingcontrole te omzeilen. Pollentier werd gedeclasseerd en uit de Tour gezet.

En toen was er (bijna) niets meer. In 1979 had Flandria nog altijd een zeer grote ploeg, maar dat was een samenraapsel van renners die eigenlijk niet bij elkaar pasten. Pol Claeys liet zich namelijk overhalen om de restanten van de oude kern rond Eddy Merckx op te nemen. Dat boterde natuurlijk niet met de 'historische' aartsvijand die Freddy Maertens toch was. In de Tour de France was er gelukkig de ook al stokoude Portugees Joaquim Agostinho die voor Flandria de meubelen redde. Hij won op l'Alpe d'Huez, werd niét gedeclasseerd en eindigde in Parijs als derde, na de ongenaakbare Bernard Hinault en eeuwige tweede Joop Zoetemelk.

Maar het was uit. Pol Claeys zei dat hij de slechte resultaten niet kon verkroppen, en stopte in 1979 met wielersponsoring, ook al omdat zijn poulain Freddy Maertens zijn ploeg wilde verlaten.

Dat was de echte reden niet. In werkelijkheid zaten de West-Vlamingen in slechte papieren. Flandria had te veel en te gek geïnvesteerd: én in de wielerploeg (in 1974 kwamen ze zelfs met twéé volwaardige teams in competitie, één Belgisch, één Frans) én in initiatieven als de Flandriaranch én in de industriële activiteit zelf: zowel fietsen als bromfietsen tot allerlei apparatuur, van wasmachines tot grasmaaiers en dergelijke. Al in het begin van de jaren tachtig werd Flandria failliet verklaard.

Zo verdween Flandria op een nieuw sleutelmoment uit het peloton. Het was het einde van het kleine familiebedrijf als sponsor van een grote, belangrijke wielerploeg. Flandria verdween in 1979, al in 1980 gaven IJsboerke en Marc Zeepcentrale er de brui aan. Af en toe was er nog wel een sponsor met beperkte financiële middelen maar te grote sportieve ambities, zoals Vermeer-Thijs (1981-1982) of Aernoudts (1983), maar dat waren telkens heel korte avonturen. De sponsors werden bekender, met Daf Trucks, Renault, nadien Panasonic, Rabobank, Discovery, Crédit Agricole, of hadden op de een of andere manier met de overheid te maken: Lotto, US Postal, Telekom,... De West-Vlaamse familiebedrijven die zich tot vandaag aan sponsoring van grote wielerploegen wagen - Jan De Clerck van Domo, Frans De Cock van QuickStep - ontwikkelden zich in snel tempo tot internationaal uitgebouwde ondernemingen. Een Vlaamse ploeg als Flandria heeft haar tijd gehad. Maar wat een tijden, en wat een herinneringen daaraan.

Info: Mark Van Hamme, Flandria. Twintig wondere jaren van een wielerploeg, Uitgeverij

De Eecloonaar, 380 pagina's, 38 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234