Zaterdag 03/12/2022

De Golfspreken op Al-Jazeera is zilver maar zwijgen is goud

'Deze landen zijn kleiner dan speldenprikjes', mort de Saoedische zakenman in Dubai. 'Twee vierkante meter aarde met een halve schop olie onder het oppervlak. En toch stellen ze het beter dan wij. In verhouding zijn wij arm, terwijl wij op een zee van olie zitten.' De zakenman is niet de enige die perplex staat over de ontwikkelingen in enkele golfstaatjes, over de welvaart die niet enkel meer met olie samenhangt, over de sociale omwenteling waarbij de Arabische cultuur minoritair wordt, over de introductie van vrijheden die vooral economisch zijn, tot op zekere hoogte ook religieus en die binnenkort politiek zouden moeten worden. Maar wat is er teloorgegaan in deze ontwikkelingen? Welkom in 'de nulde wereld'.

Rudi Rotthier

Doha, Qatar. Ik ben te vroeg op mijn afspraak en de gesprekspartner is te laat. De combinatie geeft me ongeveer een uur de tijd om de twee assistenten van de directeur van de Arabische satellietzender Al-Jazeera gade te slaan. De ene loopt rond, terwijl de andere om de tien seconden de telefoon van de hoorn haalt en mistevreden en sprakeloos naar het toestel kijkt.

"Niemand", legt hij uit.

Waarom zou er iemand zijn als de telefoon niet rinkelt?

Dat legt hij niet uit. Hij neemt opnieuw op. "Hallo", zegt hij nu, maar ook deze keer vindt hij niemand aan de andere kant. "Hallo!" Het gestegen aantal decibels brengt niet meer respons.

De andere assistent, een Palestijn, keert terug van zijn wandeling. Hij is spraakzamer. "Wij hebben toch de indruk dat we geschiedenis schrijven", probeert hij. Op de een of andere manier valt die geschiedschrijving moeilijk te rijmen met zijn collega, die nog altijd loos de telefoon opneemt. "Het is hard werken en zo", gaat de Palestijn verder, "maar het is de moeite waard. Al-Jazeera heeft de Arabische wereld veranderd. Hier werken we in op de ziel van onze wereld."

De taxichauffeur, die me naar de kantoren van Al-Jazeera had gebracht, was minder enthousiast. "Ik kijk niet meer naar Al-Jazeera", aldus de uit Jemen afkomstige chauffeur. "Al-Jazeera speelt toch maar in de kaart van de Amerikanen. De Amerikanen zijn de Saoedi's beu, en Al-Jazeera maakt het Saoedische regime met de grond gelijk. Met vrije mening heeft dat niets te maken. Al-Jazeera is het schoothondje van Amerika. Maar over Qatar zwijgt de zender in alle talen."

De meningen pro en contra zijn geprononceerd. Bepaalde moslims vinden dat Al-Jazeera de Arabische massa's opjut en radicaliseert, dat de zender te pro-Taliban en te weinig anti-Bin Laden is geweest. Westerse expats had ik de zender horen verdedigen: "Al-Jazeera is niet meer vooringenomen dan CNN. Waarschijnlijk minder", aldus een diplomate. "Het is goed dat er een zender is die onophoudelijk de Palestijnse verdrukking in beeld brengt. Op CNN en zelfs op de BBC krijgen Israëlische slachtoffers zoveel meer aandacht dan Palestijnen."

Zou de ziel van de Arabische wereld zich ophouden in de bescheiden, gestroomlijnde, lelijke prefabgebouwen aan de rand van Doha?

De directeur, Mohammed Jasim al Ali, is een van de weinige Qatarese werknemers van de zender. In principe is hij de tweede in rang, maar de nominale baas, Hamad Bin Thamer Al Thani, voorzitter van de raad van bestuur, is een prominent lid van de koninklijke familie van Qatar en tegelijk hoofd van de Algemene Vereniging van Qatari Radio en TV - die heeft geen tijd om zich met de dagelijkse beslommeringen van de zender bezig te houden.

Al Ali verontschuldigt zich uitgebreid voor zijn vertraging. Hij heeft me ingepast tussen twee reizen. Morgenochtend vertrekt hij naar Iran. De reizen, wordt me verteld, hebben te maken met de nakende oorlog in Irak. Al-Jazeera zoekt faciliteiten in alle buurlanden om de oorlog, de reacties in het buitenland en de eventuele vluchtelingenstromen zo precies mogelijk te kunnen volgen.

Over de ziel van de Arabische wereld spreekt Al Ali zich niet uit, maar ook hij is overtuigd van het belang van de zender: "In de geschiedenis van de Arabische media spreken we van de tijd voor en de tijd na de oprichting van Al-Jazeera. Op 1 november 1996 veranderde het medialandschap. Voordien haalden we ons nieuws bij de BBC of CNN. Op de staatszenders had je een kop die een officieel bericht voorlas. Je kon horen dat de Franse ambassadeur bij de koning van Jordanië op audiëntie was geweest, maar wat daar was verteld werd in het ongewisse gelaten. En je zou nooit vernomen hebben wat de oppositie van het bezoek dacht, die kwam gewoon niet aan het woord. De Arabische wereld was mee geëvolueerd met de rest van de wereld op andere terreinen. We hadden entertainmentzenders, filmzenders, natuurzenders, het internet begon door te breken. Maar er was geen internationaal nieuwskanaal. Mensen zegden: daar kijkt geen kat naar, de Arabische wereld is niet geïnteresseerd in nieuws." De realiteit bleek anders. "We brachten het nieuws anders, professioneel, met woord en wederwoord, met zo mogelijk dramatische beelden. We brachten vrije discussies." Al-Jazeera zou tegenwoordig een publiek bereiken van 30 tot 35 miljoen Arabieren, één op de acht ongeveer, veel meer dan de entertainmentzenders in de regio. En de staatstelevisie probeert Al-Jazeera tot op zekere hoogte na te apen. "De journalisten krijgen een grotere vrijheid, er worden reportages uitgezonden."

Al Ali komt zelf van de staatstelevisie. Hij stelt me voor aan de hoofdredacteur van de nieuwssectie van Al-Jazeera, de Egyptenaar Ibrahim M. Helal, die een ander deel van de geschiedenis van de zender heeft meegemaakt. De twee vormen een vreemd koppel: Al Ali met wapperende hoofddoek en versgestreken wit kleed, naast zijn hoofdredacteur in jeans en T-shirt.

'In het begin", zegt Helal, die in Caïro gestudeerd heeft bij de intussen gevangengezette dissident Saad Eddin Ibrahim, "ging het er ons om werk te hebben." Hijzelf had drie jaar bij de Arabische tv-uitzendingen van de BBC gewerkt toen er een conflict ontstond tussen Orbit, de Saoedische distributeur en financier, en de BBC. De BBC wou een documentaire uitzenden over executies in Saoedi-Arabië, de distributeur wou de uitzending tegenhouden. Toen de BBC de documentaire toch uitzond, trok Orbit zich terug en werden de Arabische tv-uitzendingen van de BBC gestaakt.

"Een geluk bij een ongeluk", wordt dat nu in Doha genoemd. Enkele ontslagen journalisten gingen op zoek naar alternatieven. Ze vonden een bereidwillig oor bij de nieuwe emir van Qatar, die 130 miljoen dollar op tafel legde voor een nieuwe zender. Korte tijd later ging Al-Jazeera (vertaling: Het Schiereiland, of Het Eiland, de term kan zowel verwijzen naar het Arabisch schiereiland als naar Qatar) op antenne. Eerst voor enkele uren per dag, later non-stop. Men startte vooral met de ploeg van ontslagen BBC-werknemers, al was niet iedereen bereid de overstap van Londen naar Doha te maken. Helal ziet nu de voordelen van de locatie: "Bij de BBC werkten we acht uur per dag, vijf dagen per week. Hier werken we twaalf uur. Niet alleen omdat er geen arbeidswetten bestaan, maar omdat er in Doha niets beters te doen is. Je doet hier één ding: werken. Zelfs op hun rustdagen telefoneren journalisten bemerkingen door. Wat zouden ze anders?"

Intussen telt Al-Jazeera ongeveer vijfhonderd werknemers, verspreid over dertig kantoren.

Helal is zelf verwonderd over het succes van de zender. "We hebben nooit gedacht dat de zender zo'n vlucht zou nemen."

Was er in den beginne een soort manifest? Wilde men de Arabische eenheid promoten? Wilde men bijvoorbeeld de positie van de vrouw in de Arabische wereld aan de kaak stellen?

"Niks daarvan", zegt Al Ali. "Vrouwenkwesties komen ter sprake, maar alleen als ze in het nieuws zijn." Het enige focuspunt is geografisch. "Zeventig procent van onze aandacht gaat naar de Arabische wereld, 30 procent naar de rest, terwijl CNN misschien 10 procent van de aandacht aan de Arabische wereld besteedt. Maar verder willen we gewoon nieuws brengen, zonder ideologisch kader, de waarheid vertellen, geloofwaardig zijn, en op termijn winst maken."

Het bedrijf draait volgens Al Ali momenteel al break-even (anderen vertellen dat de emir jaarlijks nog ongeveer 30 miljoen dollar moet bijpassen). Hij wil volgend jaar twee nieuwe kanalen door de ether sturen: een Engelstalige nieuwszender en een natuurzender.

Ook Helal wil van geen manifest weten. Alle opinies moeten aan het woord kunnen komen. "Aanvankelijk brachten we gewoon nieuws. Zo goed mogelijk, volgens criteria die minstens zo strikt waren als bij de BBC. Het sprak voor iedereen vanzelf dat we woord en wederwoord moesten brengen. Als we in Palestina filmen, moeten ook de Israëli's aan het woord komen. Ik stuur vaak genoeg verslagen terug omdat ze te eenzijdig zijn."

De kritiek op Al-Jazeera was dikwijls vernietigend. Fouad Ajami, een vooraanstaande Libanese auteur die al jaren in de Verenigde Staten doceert, bevond de zender opruiend. Hij noemde Al-Jazeera "All Osama All The Time". Anderen schreven dat Al-Jazeera te populistisch is: "Al-Jazeera volgt de straat liever dan de straat de weg te tonen." De kritiek binnen de Arabische wereld was zo mogelijk nog scherper.

"Al-Jazeera bracht een aardverschuiving teweeg", zegt directeur Mohammed Jasim al Ali. "We leven in een deel van de wereld dat moeite heeft met kritiek. Generaties lang is ons uitgelegd dat we alleen positieve dingen mogen vertellen. En dan staat ineens een zender op die kritiek aanmoedigt. Het spreekt vanzelf dat we tegenwind kregen. Sommige regimes spoorden intellectuelen aan om ons te bekritiseren. We hebben nu zelfs iemand in dienst die ons drie jaar geleden, namens zijn regering, bekritiseerde. Dat is ongeveer de constante: Arabische regimes zijn tegen ons, terwijl we de bevolking aan onze kant weten."

Helal: "Wij brengen onderwerpen ter sprake die tot voor kort in onze regio taboe waren: corruptie, geheime relaties met Israël, geheime Amerikaanse bases. Als regimes dat kunnen verhinderen zullen ze het niet laten. Niet dat we geen fouten maken, natuurlijk."

Over fouten gesproken: lange tijd noemde Al-Jazeera de zelfmoordactivisten in Israël en Palestina 'martelaars'. "Die term", zegt Helal, "is minder gekleurd in het Arabisch. Wij noemen verkeersslachtoffers martelaars, om maar iets te zeggen. Maar we hebben de term laten vallen."

Al Ali: "We gebruiken evenmin het woord 'terrorist'. Waarom zou je Bin Laden een terrorist noemen? Wat helpt die term je verder? Je moet je taalgebruik zo neutraal mogelijk houden, vind ik. CNN noemt de zelfmoordenaars in Palestina terroristen, maar als de zender Israëli's beschrijft die Palestijnse huizen platbulldozeren, dan gaat het om preventie of iets anders dat perfect onschuldig lijkt. Is dat geen teken van vooringenomenheid?"

Er is andere kritiek op Al-Jazeera mogelijk. Als je van 's ochtends tot 's avonds over Palestina bericht, zou je het ook even over bloedige rellen in Algerije kunnen hebben. Anders gezegd: niet alleen Arabieren als slachtoffers maar ook Arabieren als daders verdienen de aandacht.

"Daar ben ik het helemaal mee eens", zegt Helal. Hij geeft twee redenen waarom het toch niet (of veel minder) gebeurt. De Palestijnse kwestie is in de hele Arabische wereld een pijnpunt, die is overal begrijpbaar. De Algerijnse conflicten spreken minder tot de verbeelding en zijn moeilijker begrijpbaar te maken. Maar nog belangrijker: Algerije heeft drie jaar geleden het bureau van Al-Jazeera gesloten. "We kunnen niet uit de eerste hand berichten, waardoor we verplicht zijn ons te beperken tot korte nieuwsberichten of tot discussies met Algerijnse ballingen."

"Het is oneerlijk", geeft hij toe. "We brengen weinig over Algerije, Tunesië en Libië omdat we daar niet of bijna niet mogen werken. We brengen veel over Israël en Egypte omdat we daar bijna ongehinderd kunnen werken."

Al-Jazeera zou te weinig ondernemen om de alomtegenwoordige samenzweringstheorieën te ontkrachten.

Al Ali: "In tegenstelling tot enkele staatszenders hebben wij nooit gemeld dat op 11 september vierduizend joden niet op hun werk in de WTC-torens waren verschenen. Wij hebben dat gerucht tijdens discussies belachelijk gemaakt."

Helal: "Geruchten kun je het best negeren. Wij zijn er zelf ook het slachtoffer van. Waarom mogen we in Israël werken? Omdat we een instrument zijn van de zionistische lobby. Of omdat we door de CIA gefinancierd worden. Dat soort geruchten valt niet te vermijden in de Arabische wereld. Daar moeten we mee leven."

De meest gehoorde kritiek is dat Al-Jazeera de ontevredenheid aanwakkert en de publieke opinie radicaliseert.

"Toen we voor het eerst in de ether gingen, wisten de mensen niet wat ze hoorden", aldus Al Ali. "Ze hoorden wat ze vroeger enkel in stilte konden denken. Ze schrokken daarvan. Maar je moet het publiek de tijd geven. Wij brengen verschillende kanten van een verhaal. Als de kijkers in het begin tijdens discussies in de ban komen van de radicaalste stemmen, is dat niet onze fout. De bevrijding van de discussie zal altijd eerst tot een radicalisering leiden. Ons uitgangspunt is: zolang je praat, schiet je niet. Praten is beter dan zwijgen. En als je lang genoeg praat, worden mensen misschien wel verstandiger."

Als ze eerst Bin Laden aan het woord laten en nadien diens tegenstanders, en het publiek valt voor Bin Laden, dan is dat niet de fout van de zender, vindt Helal. "Wij informeren. Ik sta er garant voor dat alle opinies aan bod komen. Ik sta er niet garant voor dat de opinie die jij verkiest, zal zegevieren."

De redenering is niet helemaal kosjer. Als de kritiek te groot wordt, krimpt Al-Jazeera de berichtgeving over Osama in. Een exclusief interview met Bin Laden werd helemaal niet uitgezonden (omdat het geen nieuws zou hebben bevat) en naderhand 'gestolen' door CNN. De journalisten van de zender zijn onderling verdeeld tussen seculieren en religieuzen, maar die onderlinge verdeeldheid zou de billijkheid van de berichtgeving moeten garanderen.

Terwijl we praten, neemt de officiële druk op Al-Jazeera toe. "Nogal wat Arabische landen proberen ons werk te bemoeilijken", zegt Al Ali. "Ze sluiten ons kantoor, ze weigeren visa voor onze journalisten, ze trekken uitreisvisa in voor gasten die aan onze discussieprogramma's wilden deelnemen. Tegelijk wil men ons beconcurreren: er zijn plannen voor de oprichting van drie andere Arabische nieuwszenders, die ook een zekere vrijheid zouden krijgen maar minder bedreigend zouden zijn voor de regimes." Als de Jordaanse koning iets te vertellen heeft, geeft hij een interview aan de Saoedische zender MBC. Hij boycot Al-Jazeera en heeft zijn ambassadeur uit Qatar teruggeroepen. Wellicht als represaille heeft Qatar een Jordaanse journalist, beschuldigd van spionage, ter dood veroordeeld.

De Saoedische ambassadeur werd vorige maand uit Qatar teruggeroepen, de ministers van Informatie van de Golf (waaronder een representant van Qatar) overwegen een boycot tegen de zender. Een miljardencontract voor een gaslijn werd niet getekend omdat Saoedi-Arabië de economische banden met Qatar op een laag pitje zet zolang Al-Jazeera onvriendelijke stemmen over dat land blijft uitzenden. Grote firma's halen hun publiciteit weg bij Al-Jazeera, wat het bedrijf dertig miljoen dollar per jaar zou kosten.

Waarom blijft Qatar de zender ondersteunen?

Mijn gesprekspartners geven geen antwoord. "De Qatarezen zijn trots op hun zender", stelt Al Ali. "Door Al-Jazeera hebben we een plaats gevonden op de wereldkaart." Helal ziet een ander raakpunt: "Qatarezen zijn eenvoudige, heel religieuze lui. Die vinden: als je niet wilt dat er over je vuile was wordt gesproken, moet je er maar voor zorgen dat er geen vuile was is. God staat aan de kant van de waarheid en Al-Jazeera staat aan de kant van de waarheid. Ze zijn het niet altijd met ons eens, maar ze zijn het eens met ons uitgangspunt."

Helal is bang dat de ondersteuning door het emiraat niet blijft duren. "Een nieuwe oorlog in Irak zal onze positie nog bemoeilijken. Ik voorzie een gigantische omwenteling in de Arabische wereld. Regimes zullen moeten kampen met een vijandige publieke opinie en zullen misschien ten onder gaan. We zullen een tijdlang op eieren moeten lopen. Als we niet opletten, houden we binnenkort alleen nog in Doha een kantoor open, of moeten we zelfs terugkeren naar Londen."

Is het denkbaar dat de emir van Qatar Al-Jazeera verstoot?

"De druk wordt echt wel groot. Deze emir zal allicht voet bij stuk houden, maar wat met zijn opvolger?"

De verhouding tussen staat en zender is complex. "Sommige landen hebben een tv-zender", wordt weleens gezegd, "Al-Jazeera daarentegen is een zender met een land." De zender heeft het land onder de aandacht gebracht.

Toen emir Hamad bin Khalifa al-Tani in 1995 zijn vader buitenspel zette, wilde hij zijn land snel politiek moderniseren. Als je mensen niet zelf de macht geeft, zullen ze mettertijd de macht grijpen, doceerde hij aan zijn landgenoten. Hij schafte de dienst voor censuur af en meteen ook het Ministerie van Informatie (de censuur, enkel voor lokale pers, wordt nu uitgevoerd door ofwel het Ministerie voor Religieuze Zaken ofwel door de Algemene Vereniging voor Qatari Radio en Televisie, geleid door de baas van Al-Jazeera), hij schreef gemeenteraadsverkiezingen uit, hij dokte 140 miljoen dollar voor de oprichting van Al-Jazeera (en blijft vooralsnog de krimpende verliezen dekken) en garandeerde de vrijheid van de zender. Hij gaf alle internationale klachten tegen de zender door aan de directie en liet de klagers weten dat hij volgens de statuten geen enkele invloed kan uitoefenen op het beleid van de zender.

Er bestaat geen mogelijkheid om in het hoofd van de emir te kruipen, maar waarnemers opperen enkele theorieën over het waarom van de vele hervormingen. A. De emir is zelf overtuigd van de noodzaak van verandering. B. Door zijn acties verwierf hij na de coup internationaal enige credibiliteit en legitimiteit. C. Door Al-Jazeera is hij politiek in de rug gedekt: de zender wordt beschouwd als anti-Amerikaans. Intussen speelt de emir vrijuit de Amerikaanse kaart en laat hij een Amerikaanse basis toe van waaruit de aanval op Irak gecoördineerd kan worden, zonder dat hij bang moet zijn voor de berichtgeving op Al-Jazeera. De zender is mak in de berichtgeving over het moederland. D. Met Al-Jazeera kan de emir zijn onafhankelijkheid tonen tegenover grote broer Saoedi-Arabië, die blijkbaar van zijn vader een stropop had gemaakt.

Het probleem blijft de toekomst: de emir is niet oud (geboren in 1950), maar zijn gezondheid hapert, hij is extreem zwaarlijvig, hij zou een nier kwijt zijn en de andere dreigen te verliezen. Zijn onderdanen vrezen (of hopen, al naargelang) dat een machtswissel niet veraf kan zijn.

Op een klein uur rijden van Doha, op 30 kilometer van het hoofdkantoor van Al-Jazeera, vinden de mannen van Qatar hun voornaamste ontspanning. Zelfs buiten het seizoen maken elke avond honderden bewoners de reis naar Shahhainiya, de plaats waar de kamelenraces worden gehouden. Ik heb een lift gekregen van een lokale enthousiasteling die zijn racekamelen gaat bekijken. Ahmed toont me de ranke dieren, vrouwelijke kamelen, die beter geschikt zijn voor de race dan de te nukkige mannetjes. Een veearts trekt bloedstalen uit hun halzen. Het bloedonderzoek maakt het mogelijk vroegtijdig problemen op te sporen zoals ziekten of voedseldeficiënties. De Soedanese stalknechten zadelen enkele racekamelen. Zo'n kameel kost misschien meer aan onderhoud dan de stalknecht aan loon, suggereer ik. De eigenaar knikt meewarig. "Je moet die dieren kopen, je moet ze melk voeren, dadels, gerst, honing af en toe, je moet ze trainen, medisch begeleiden. Het spreekt vanzelf dat ik per dier meer uitgeef dan per werknemer." Hij betaalt maandelijks 200 dollar per werknemer, zegt hij. Hij kan zelfs niet schatten hoeveel een kameel hem per maand kost. Veel meer.

Een collega wijst hem erop dat hij beter niet al te open over dergelijke dingen praat - er is al enige negatieve pers geweest over de kamelenkoersen - en korte tijd later wuift Ahmed me weg. Hij moet zaken bespreken, dan is het tijd voor het gebed en nadien volgt hij de training, in zijn jeep.

Racecircuit en omgeving spreken tot de verbeelding. Honderden kamelen zijn ofwel stapvoets op weg naar de racebaan, lucht kauwend, ofwel in galop op training, stofwolken producerend tegen een achtergrond van woestijn en ondergaande zon.

Aan de ingang van het racecircuit hurken enkele tientallen jongetjes. Allen hebben ze een helm op het hoofd, allen dragen ze een stok bij zich, allen dragen ze een shirt met een nummer, allen lijken ze er beroerd aan toe.

Een van de jongetjes sprint op me af en probeert me een riyal af te luizen. "Hungry", zegt hij. Zo ziet hij er ook uit: hongerig. Hij is zes en afkomstig uit Kassala, Soedan. Per race vangt hij 10 riyal (ongeveer 3 euro), per training een paar riyal. Elke ochtend en avond wacht hij hier op eigenaars die hem rekruteren. Vandaag heeft hij nog geen succes gehad. "Hungry."

Is hij niet bang van zo'n kameel? "Niet bang", zegt hij, krampachtig lachend, veeleer schrikkerig dan moedig. Hij steekt zijn hand opnieuw uit: "Money."

Hijzelf is nog nooit zwaar gevallen, maar hij kent wel jongetjes die enkele botten hebben gebroken en naar Soedan zijn teruggestuurd.

Tegen die tijd komt een Soedanese trainer vragen wat ik wil bereiken. Voor alle zekerheid roept hij de jongetjes toe dat ze moeten zwijgen en wachten, rijden, en niet praten. "Die jongens houden van kamelenraces", had eigenaar Ahmed tijdens de autorit gezegd. "Voor hen is dit een droom die gerealiseerd wordt. En bij ons is het traditie. Kamelenraces zijn van oudsher een affaire van kinderen. We zouden hen niet laten rijden als ze grote risico's zouden lopen."

Ik zoek gesprekspartners om over het lot van de kinderen te spreken. Volgens internationale rapporten zouden hun activiteiten onvruchtbaarheid veroorzaken, de schokken tegen het zadel zouden de geslachtsdelen verminken. Maar niemand wil praten, zelfs niet degenen die duidelijk afkerig zijn van de praktijken. Het motto van Al-Jazeera, 'spreken is beter dan zwijgen', is op 30 kilometer van het hoofdkwartier niet langer van toepassing.

Een Soedanese medicus wil uiteindelijk, anoniem, wel zijn ergernis kwijt. "Als ze hun traditie van met kamelen racende kinderen toch zo heilig vinden, waarom laten de Qatarezen dan hun eigen kinderen niet racen? Ik was vroeger in Oman gestationeerd en daar gebeurde dat zo: de kinderen van de eigenaars raceten. Dan laat ik mijn bezwaren varen."

Wat gebeurt er met de kinderen?

"Ik kan niet zeggen dat ik geregeld met hen praat. Dat wordt niet gestimuleerd. Eigenaars zijn zich bewust van internationale druk. Officieel moet een ruiter minstens 22 kilo wegen, wat de ergste misbruiken zou tegengaan."

Sommige van de kinderen die ik zag, wegen lang geen 22 kilo. "Die limiet geldt voor wedstrijden. Bij trainingen kunnen jonge kamelen bereden worden door jongere kinderen."

Er zou geen slavernij in het spel zijn. Soedanese trainers brengen kinderen over uit hun geboortestreek. Ze leggen die kinderen te slapen en garanderen een minimale opvang. Het team dat een race wint, krijgt 10 procent van het prijzengeld, wat zo'n team meteen 10.000 dollar of zo rijker kan maken. Het kind krijgt natuurlijk maar een fractie van dat geld. Als het te groot wordt om te racen, keert het terug naar Soedan of wordt het stalknecht. Als het pienter is, kan het later zelf trainer worden.

"Dit is een mannenwereld. Ik denk niet dat ik in zo'n stal al ooit een vrouw heb ontmoet. Dat ruitertje groeit op zonder moeder, in een wereld waar mannen geen uitweg hebben voor hun seksuele energie. Ik heb geen bewijs van misbruik, maar het zou me verwonderen als er geen misbruiken zouden zijn.

"Er worden niet te veel vragen gesteld, en er worden niet te veel antwoorden gegeven", concludeert hij. "De sport gaat voor."

Om hoeveel kinderen gaat het? "Honderd misschien. De beteren hebben geen probleem. Daar wordt om geboden, die worden verzorgd, want zij kunnen een overwinning opleveren. Maar de kinderen die er niet veel van bakken, raken in de problemen. Ik veronderstel dat het die jongetjes zijn die bedelen."

De Verenigde Arabische Emiraten liggen op minder dan een uur vliegen van Doha. Er bestaat een onderlinge competitie tussen de staten. Wie is rijker? Momenteel zijn de Emiraten nog rijker, maar als de fenomenale gasbel onder Qatar geëxploiteerd zal worden kan Qatar het rijkste land ter wereld worden. Dubai, de hoofdstad van een van de zeven verenigde Arabische emiraten, is zonder meer levendiger dan Doha. De commercie sijpelt hier uit elk raam. In de haven stapelen arbeiders kartonnen die tussen Azië en Afrika getransporteerd worden. Tanzanianen met een eenpersoonsbedrijf slepen gigantische tassen achter zich aan met truitjes en T-shirts. Dhows met Indiase textiel meren af voor Zanzibar.

Dubai is, wordt wel eens gesuggereerd, 'het nieuwe Hongkong'. Alle culturen komen hier ongestoord samen en vinden een gemeenschappelijke interesse: geld. De olie, die in andere emiraten wel nog cruciaal is, wordt hier minder en minder belangrijk. Dubai is tegenwoordig een derderangsproducent, met minder dan 200.000 vaten per dag (ter vergelijking: Saoedi-Arabië produceert 8 miljoen vaten). De olieproductie volstaat nog voor de extraatjes, volstaat nog om het land grotendeels belastingvrij te houden, maar de economie zou wellicht ook zonder olie blijven draaien, of zal dat weldra kunnen, als de investeringen blijven toestromen.

Ook in Dubai heerst een geest van onafhankelijkheid tegenover grote broer Saoedi-Arabië. "Ik ben een wahabitische moslim", zegt Mohammed, een bewoner van een jaar of dertig, "net als de meeste Saoedi's. Maar in Dubai zijn we minder hardvochtig. We vinden dat we onze opinie niet moeten opdringen aan anderen. Mijn grootvader, een bedoeïen, is vermoord door Saoedi's. Een groepje Saoedi's viel hem lastig en stelde hem vragen over de koran. Toen hij niet kon antwoorden, of niet afdoende, sneden ze hem als ketter de keel door. Alsof een bedoeïen theologisch geschoold moet zijn."

Hoe lang is dat geleden? "Lang. Mijn vader is in de zeventig en hij was nog maar net geboren. De Saoedi's hebben ook zijn zus en twee broers vermoord. Mijn grootmoeder is met mijn vader kunnen ontsnappen. Ik bedoel maar: we weten echt wel wat fanatisme kan teweegbrengen."

Mohammed rijdt met zijn eigen auto, hij heeft een goedbetaalde overheidsjob en een huis, maar toch beschouwt hij zich als een slachtoffer van de wereld. Als Arabier en moslim wordt hij verguisd. Hij koestert sympathie voor de Taliban en voor de Palestijnen (zij het niet voor de Palestijnen die in Dubai wonen, die zijn arrogant). Hij foetert op de verpaupering van de derde wereld en doet alsof hij daar deel van uitmaakt. "Ik heb iemand horen zeggen: de derde wereld wordt de vierde wereld, steeds armer, terwijl de eerste wereld de nulde wereld wordt: geestelijk leeg."

Hij geeft het citaat in een andere context, maar het concept lijkt perfect van toepassing op Dubai zelf: de nulde wereld, een wereld zonder belastingen, zonder illusies, zonder kunst of intellectueel debat, zonder verkiezingen, zonder officiële ruzies en zonder pardon. Zonder mensen die hun nek uitsteken. Ik heb nog nooit zo vruchteloos interviews aangevraagd. Niemand wil officieel iets zeggen, zelfs positieve ideeën over de situatie van het land worden fluisterend verkondigd. Boeken worden door de censuur tegengehouden en de boekhandelaars applaudisseren. "Ik vind het maar goed dat het werk van Leon Uris hier niet verkocht wordt", zegt een Iraanse boekhandelaarster. "Waarom zouden we zo'n pro-joodse auteur royalty's bezorgen?" Zegt een andere boekhandelaar: "Er zijn toch boeken genoeg die wel toegelaten worden."

Anderen zeggen dat de beperkingen er niet toe doen. De internetrestricties kun je met eenvoudige trucs omzeilen. Wie verboden boeken wenst, laat ze gewoon meebrengen door een vriend of kennis. Aan de grenzen wordt dat soort import immers niet gecontroleerd.

Ook bevreemdend is het aantal westerse apologeten van het regime. Westerlingen zijn vaak positiever over het regime dan autochtonen.

'Democratie", zegt de zoveelste anonieme gesprekspartner, "zou hier niet veel aarde aan de dijk brengen. Wat hebben de verkozenen in Qatar in de pap te brokken? Die maken toch maar deel uit van het decorum. Trouwens, hoe zou je hier verkiezingen organiseren? De autochtonen maken misschien 7 procent uit van de bevolking. Wil je die voor allen laten beslissen? Of geef je stemrecht aan alle bewoners en laat je de stem van de autochtonen in het niet verdwijnen? Verkiezingen brengen hier meer problemen dan oplossingen. En het oude systeem is niet zo ondemocratisch. Als de bewoners hun sjeik beu zijn, maken ze dat duidelijk en dan verdwijnt de man ook. Met veel geld in zijn zakken weliswaar, maar hij stapt op. In velerlei opzicht is hier meer democratie dan in Europa."

Ik vraag het aan elke autochtoon die ik zie, maar zij vinden niet dat ze zoveel macht kunnen uitoefenen. Ze kunnen in principe aanwezig zijn op de wekelijkse open vergadering die de sjeik houdt, "maar ikzelf", zegt Mohammed, met zijn sympathie voor de Taliban en de Palestijnen, "zou mijn familieregels overtreden door dat te doen. Mijn broer is de woordvoerder van de familie en hij moet dan maar op visite". Maar kun je hem je grieven laten overbrengen, kun je hem laten klagen over de teloorgang van de oorspronkelijke cultuur van Dubai? "Neen. Ten eerste niet omdat mijn broer er anders over denkt, en ten tweede niet omdat dergelijke zaken niet openlijk ter sprake komen. Wat zou er gebeuren, denk je, als iemand aan de sjeik zegt dat hij te weinig oog heeft voor islamitische gevoeligheden?"

Wat zou er dan gebeuren?

"Dat zou niet goed zijn voor de familie. De sjeik zal zijn mening niet veranderen, maar hij zal het de familie wel kwalijk nemen dat ze zo heeft gesproken."

Zou je broer dan in de gevangenis vliegen?

"Dat denk ik niet, maar de familie zou wel een tijdlang uit de gratie zijn, ze zou minder kans maken op postjes en reizen."

En dus zwijgt hij en knort hij tegen buitenlanders.

Wees rijk en zwijg, suggereer ik, en hij knikt gedwee.

Sjeik Zayed, president van de Verenigde Arabische Emiraten en heerser van Abu Dhabi, heeft ooit gezegd dat de valkenjacht het moment was "waarop mannen vrijelijk praten", maar wie neemt deel aan de jacht van de sjeik, en wie durft dan zijn mond te roeren? Mohammed zal nooit op die jacht worden uitgenodigd.

Buitenlanders zwijgen om andere redenen. Zij vrezen de 'ban'. De Emiraten bannen oproerige werknemers. Ze bannen werknemers die zelf ontslag nemen (die moeten bijvoorbeeld zes maanden het land verlaten). Ze bannen vakverenigingen. Ze bannen wie veroordeeld wordt voor een misdrijf (na het uitzitten van de straf). Ze bannen wie politiek of religieus te actief is. Een paar jaar geleden zouden er in de buurt van Al Ain rellen geweest zijn tussen Indiërs en Pakistani, of tussen hindoes en moslims, naar aanleiding van de zoveelste episode van de Ram-tempel van Ayodhiya. Alle betrokkenen werden het land uitgezet. Tweehonderd vijftig, volgens geruchten (officieel hebben de rellen nooit plaatsgehad).

Opnieuw vind ik veel westerse apologeten. Het ís veilig op straat, de werknemers weten vooraf waar ze aan beginnen (niet allen, sommigen worden echt belazerd), in die zin is het onrecht in Dubai en de Emiraten gewoon een plaatselijke vertaling van het onrecht in de wereld. Je kunt argumenteren, aldus een Britse vrijetijdsschilder, "dat de Emiraten meer doen voor de ontwikkelingen van de derde wereld dan mijn socialistische eerste minister Tony Blair. Zij geven werk aan miljoenen buitenlanders die de meeste van hun verdiensten terugsturen naar hun land van herkomst en zo hun eigen land ontwikkelen. Als de Indiërs vinden dat ze de dupe zijn van hun werkgever kunnen ze terugkeren naar hun land".

Niet eens altijd. Naar schatting een half miljoen buitenlanders vertoeven illegaal in het land. Zij zijn ergens op de kust geland en kunnen pas opnieuw vertrekken als ze eerst gelegaliseerd worden. Maar als ze de legalisering aanvragen, moeten ze wel vertrekken.

"Denk niet te veel aan wat fout gaat, aan wat hier niet is. Denk aan wat er wel is." Chen, een Chinese vrouw die gescheiden is van een autochtoon en tegenwoordig als bedrijfsleidster functioneert, benadrukt de opkomst van de lokale vrouwen. "Dit is een machocultuur, dat heb ik aan den lijve ondervonden, en het zal een tijd duren eer er een volledige doorbraak is, maar de vrouwen zijn echt rijp om een grotere rol te spelen. Zij snakken ernaar. En ik moet zeggen: de mannen aan de macht staan meer open voor emancipatie dan de mannen zonder macht."

Of de vrouwen daar al rijp voor zijn, valt af te wachten. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in Qatar werd geen enkele vrouw verkozen, en de vrouwelijke kandidaten haalden nog eerder stemmen van mannelijke kiezers. Bij de recente parlementsverkiezingen in Bahrein schijnt hetzelfde gebeurd te zijn, al maakt één vrouw kans op uitverkiezing in de tweede ronde.

In de musea van Dubai valt van het leven te proeven zoals het voor 1971, voor de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië, moet zijn geweest (een van die musea is opgetrokken door de familie Bin Laden, maar dat terzijde). De armoede, zelfs in de koninklijke families, is zichtbaar. Kamelendrijvers en parelvissers bevolkten het land. Wat minimale landbouw en gezapige handel vervolledigden de economie. Hoe wisten die emirs om te gaan met een economie die plotsklaps, sinds de oliecrisissen, van wereldbelang was? Zelfs de emirs liepen rond in ongewassen, half versleten kleren. Hoe wisten ze steden te construeren en hun eigen winsten te verzoenen met een sociaal weefsel dat ook de bewoners ten goede komt? Waarom zetten zij wel een economie op poten die toekomstgericht is, terwijl grote buur Saoedi-Arabië dat grotendeels vertikt? "Deze landen zijn speldenprikjes", mort een Saoedische zakenman die familie komt bezoeken, gefrustreerd. "Twee vierkante meter aarde met een halve schop olie onder het oppervlak. En toch stellen ze het beter dan wij. In verhouding zijn wij arm, terwijl wij op een zee van olie zitten."

Een antwoord op die vragen is niet licht te vinden. "Eerst was er zoveel olie dat er genoeg geld was om alle behoeften te dekken", is het gemakkelijkste antwoord. "Er speelt toch een bepaalde vorm van sociale democratie", proberen westerlingen soms. "Ze trokken adviseurs aan die goed werk geleverd hebben", hoor ik een Britse adviseur beweren. "Ze volgden Amerikaanse richtlijnen", zeggen bewoners die het daar niet mee eens zijn.

De ontwikkeling, in dertig jaar van verpaupering naar superrijkdom, is volgens velen te snel gegaan. Maar niemand ziet een alternatief: verder ontwikkelen, nog meer buitenlanders aantrekken, nog minder van de eigen cultuur overhouden maar nog meer wetten introduceren om gemengde huwelijken en het staatsburgerschap voor vreemdelingen te bemoeilijken. Die wetten moeten de onvrede van de autochtonen over het verlies van hun culturele en religieuze identiteit milderen. Het is een soort après-Vlaams Blok-situatie.

Er zijn nog andere redenen tot bezorgdheid. Ik hoor enkele Britse zakenlui klagen over de economische perspectieven. "De tijd van de superwinsten is voorbij", zegt er een. "Je kon hier vroeger dag en nacht werken, contracten in de wacht slepen en bijna gegarandeerd een fikse winst opstrijken; het deed er niet zoveel toe hoe duur een project was. Tegenwoordig worden hier, zoals elders, de offertes vergeleken, en als je niet competitief bent, kun je gaan." De belastingarmoede en de goede vestigingsvoorwaarden voor bedrijven blijven aantrekkelijk, maar de superwinsten, zegt hij, waren dat nog veel meer. Hij kijkt nu uit naar andere horizonten.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Info: www.fondspascaldecroos.com.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234