Dinsdag 31/03/2020

De Giro, een charmeur met streken

Het zal wel terecht zijn dat de Tour de France wereldwijd erkend wordt als de eerste wielerwedstrijd. Erg bekrompen is dan weer dat de Giro d'Italia zo weinig waardering krijgt. De Giro is net zo spannend, minder voorspelbaar en even dramatisch. Om even te vloeken in de kerk: vergeleken met de immer verraderlijke Giro is de Tour voor toprenners zelfs relatief gemakkelijk te winnen.

Walter Pauli

Er is geen atypischer oord voor een Ronde van Italië om te vertrekken dan Groningen, waar vandaag de proloog gereden wordt. Italië is warm, katholiek en gepassioneerd, Groningen is typisch noord-Nederland: overwegend calvinistisch, bewolkt en grauw. Het Italiaanse publiek is dan ook niet te spreken over zo'n start in een ver land. Uitstapjes naar stranieri - omwegen waar de Tour een patent op heeft - zijn in de Giro eerder uitzondering dan regel.

Daarmee toon het Italiaanse persgild al aan hoezeer zijzelf deel uitmaken van de typische Giro-cultuur, en hoe die verschilt van de Tour de France. De Tour - natuurlijk geholpen door een centrale geografische locatie in Europa - doet bijna niets liever dan eens over de grenzen te gaan. Vorig jaar Antwerpen, dit jaar Luxemburg, dan weer elders, het doet er niet toe, zolang de Tour maar zijn zogenaamde 'Europese uitstraling' kan bewijzen. Meer, als Jean-Marie Leblanc eens een jaartje besluit om zijn Tour alleen in Frankrijk te laten doorgaan, is dat wereldnieuws in Parijs en omstreken.

Zo'n internationale zending zal die Italianen een rotzorg wezen. Ze schikken zich erin dat de internationale wielerwereld hen erkent als 'second best', al weten ze voor zichzelf dat die wereld zich vergist, of beter: te weinig cultuur heeft. Voor echte fijnproevers - en elke Italiaan beschouwt zich zo - heeft hun wedstrijd minstens evenveel, en eigenlijk meer te bieden dan de Tour. Daarom moeten zij met hun Giro niet overal in Europa gaan schooien. Wie een hart heeft voor wielrennen, verliest dat hoe dan ook aan de Giro. En al die anderen, die de Ronde van Italië niet appreciëren? Ach, maakt een grootheid als Pavarotti zich zorgen om het publiek van Umberto Tozzi?

Als er iets karakteristiek is voor de Giro, dan wel zijn interne contradictie. Geen wedstrijd draagt zoveel tegenstellingen in zich. Lees maar eens de twee uitstekende boeken over de Giro - La maglia rosa van de Vlamingen Herman Laitem en Dries Vanysacker, een lees- en kijkboek om duimen en vingers bij af te likken - en het lezenswaardige De droom van de Giro van de Nederlanders Paul Feld en Ludo van Klooster. Het ligt er vingerdik op dat ook zij gefascineerd zijn door zowel het grote contrast als de sprankelende originaliteit van deze wedstrijd.

Tegenstellingen zat in de Giro. Het is de ronde voor sprinters, heet het. Dat klopt. Er is geen ander land dat zoveel goede sprinters voortbracht dan Italië, zijne hoogheid Mario Cipollini voorop, of zoveel snelle buitenlanders in zijn ploegen had (van Van Looy over Sercu en Freuler tot Steels en Freire). De groene trui bekroont in de Tour de snelste sprinter, maar zo'n man moet in één Ronde van Frankrijk maar half zoveel sprints aangaan dan de winnaar van de paarse trui in de Giro.

En toch is Italië niet vlak. Toch, zo zeggen alle toppers, is het echte hooggebergte in Italië moeilijker dan de Tour-cols, al zijn die laatsten bekender. Toen Axel Merckx na zijn eerste grote bergrit in de Tour gevraagd werd hoe hij de bergen vond, keek hij even vreemd op: "Bergen? Ik heb in Italië de Mortirolo beklommen, dat is nog wat anders dan dit hier." En dat is zo. Zeker in de Dolomieten (de Italiaanse kant van de Alpen) zijn de bergen hoger, ruiger en steiler dan waar ook in Frankrijk. In Frankrijk zijn er maar een paar cols die het peloton geregeld aandoet en hoger reiken dan de magische grens van 2.000 meter: de Galibier (2.640), de Tourmalet (2.115), de te weinig verreden Izoard (2.360), dan heb je het zowat. (Voor het goede begrip: '2.000 meter' hoog is zoiets als 250 kilometer ver bij klassiekers. Het is een onzichtbare maar reële grens die het verschil maakt tussen alleen geschikt voor klasbakken en een niveau dat alle goede renners aankunnen. Veel bekende Franse cols 'buiten categorie' - Ventoux (1.910), Alpe d'Huez (1.860), Aubisque (1.720)... - zijn 'laag', vergeleken met de Italiaanse scherprechters. Daar reikt de top van het gebergte hoger dan in de Tour. Italië heeft een hele rij tweeduizenders te koop. Op kop de prachtige Stelvio (2.757 meter), waar Hinault samen met zijn maatje Bernaudeau in 1980 heel Italië degradeerde, en waarvan de eindeloze reeks haarspeldbochten die van L'Alpe-d'Huez doen verbleken. Verder cols als Gavia (2.621), Marmolada (2.005), Pordoi (2.239), Cime Lavaredo (2.320) en nog een stuk of tien andere. Sommigen - zoals de Gavia - hebben geen verhard wegdek, alleen een grintpad.

En net zoals het cliché dus niet klopt dat Italië alleen vlak is, zo is het niet zo dat het er eeuwig zomer is, zelfs niet in de late lente. Niet dat het in het diepe zuiden koud zou zijn. Als de karavaan door Apulië en Calabrië trekt, is ook al halfweg mei de hitte vaak niet om dragen. Daarom, zo praten de Italiaanse renners zichzelf goed, rijden ze het liefst alleen maar de laatste veertig kilometer hard, maar dan ook snoeihard door. Om een hele dag te racen als gek is het immers gewoon te heet.

En toch. Toch is er geen ronde waar zoveel beslissende ritten in sneeuwstorm en stromende regen gereden werden. Van Charly Gaul, die in 1959 in een sneeuwstorm iedereen op minuten reed, over Eddy Merckx in 1968, die op één klim, de sindsdien legendarische Tre Cime di Lavaredo, negen - négen - minuten goedmaakte, tot Erik Breukink en Andy Hampsten, die in 1988 in een memorabele rit over de Gavia-pas een aantal bevroren en besneeuwde concurrenten een kwartier aan de broek smeerden. Als er één ronde synoniem is met sneeuw en ijs, dan de Giro d'Italia.

Als parcours noch temperatuur gemakkelijker zijn in Giro dan in Tour, dan misschien het deelnemersveld? De Tour-organisatie gaat er prat op dat 's werelds beste renners in hun wedstrijd starten en hun wedstrijd dus het moeilijkst om winnen is. Fout. Om even alle wielerwijsheden te tarten: de Tour is relatief makkelijk om winnen, tenminste voor wie daartoe de atletische capaciteiten heeft. Om de Tour te winnen moet men immers én kunnen tijdrijden als de besten, én uitzonderlijk kunnen klimmen, én kunnen recupereren als geen ander, én psychisch ijzersterk zijn. Daardoor worden de meeste rondes van Frankrijk ook gewonnen door renners die meer dan één ronde winnen. Na Anquetil (deelnemer van 1957-1966) duurde het maar even of Merckx was er (1969-1977), en die werd prompt afgelost door Bernard Hinault (1978-1986), en die was nog niet gestopt of Greg Lemond stond al te dringen (1984-1992), die meteen werd opgevolgd door Miguel Indurain (1985-1996), die in zijn laatste Tour al het verschijnsel Jan Ullrich (1996-...) zag langskomen, die ineens Lance Armstrong erbij (1994-...) en erover zag gaan. Zo is dat in de Tour: de wedstrijd is zo moeilijk dat het aantal renners dat fysiek in staat is om te winnen, erg beperkt is. Merckx moest alleen kijken naar Ocana en, later, naar Thévenet. Hinault naar Lemond en Fignon. Indurain naar Rominger. Ullrich naar Armstrong, en vice versa. De rest hoort erbij maar doet niet mee. Wie heeft Chiapucci ooit ernstig genomen?

Niet zo in de Giro. (Bijna) alle grote namen wonnen zowel een veelvoud Giro's als Tours. Maar telkens opnieuw was het in de Giro dat die kampioenen het eerst van hun pluimen lieten. En dat komt precies omdat de Giro zogezegd iets 'lichter' en dus 'gemakkelijker' is. Een gevolg daarvan is dat men niet zo'n compleet renner moet zijn om een Giro te winnen dan een Tour: wie of outstanding is als tijdrijder, of klimt als de beste, of een goede 'allrounder' is, kan ook een keertje uitblinken in de Giro - in de Tour lukt dat nooit. Dus is het aantal potentiële vijanden voor de eindzege veel groter dan in de Tour, dus zijn er meer allianties en afspraakjes mogelijk, en dus is de wedstrijd moeilijker te controleren, en dus zijn de favorieten kwetsbaarder. In de Tour vernietigen de concurrenten altijd zichzelf - één slechte dag, meer moet dat niet zijn. In de Giro is dat niet, moet de leider de concurrentie altijd zelf achterstand aansmeren, omdat de 'uitval' veel geringer is. En dat mislukt wel eens.

Iedereen herinnert zich nog Eddy Merckx' afgang in de Tour 1977 - zijn pakkende lijdensweg op weg naar l'Alpe-d'Huez - maar velen zijn vergeten dat diezelfde Merckx al het jaar voordien klappen kreeg in de Giro. Daar kondigde zich zijn echte afgang in het rondewerk aan. En diezelfde Merckx werd zowel in 1972 als 1974 bijna vernederd door een rasklimmer als de Spanjaard Fuente. Telkens zette Merckx de zaak recht, zelfs spectaculair, maar ook moeizaam. In 1974 had Fuente hem tijdens opeenvolgende ritten op minuten en minuten gereden, en zat de kleine Spaanse klimmer stevig in de roze leiderstrui. Helaas, de 14de rit ging van Pietra Ligure naar Sanremo, dat wil zeggen: langs de kust, tegen de wind in. Merckx zette met een zogenaamde 'waaier' een waanzinnige aanval op. Grijs van ellende liep Fuente in zijn roze tricotje welgeteld 10 minuten en 19 seconden na Merckx binnen. (In de eindstand lag Fuente drie minuten en een beetje achter op de Belg, reken maar uit hoe dringend en hoognodig die onverwachte aanval was geweest).

Hetzelfde bij Hinault. De eerste keer dat die kleine Fransman met zijn grote mond in de problemen kwam in een grote ronde, was niet in de Tour - die verloor hij pas in 1984 voor het eest - maar in de Ronde van Italië. Al in 1982 had Hinault niets in te brengen tegen een verzamelde raid van drie Bianchi-renners - Baronchelli, Contini en Prim - plus 'onze' Van Impe. De dag nadien zette hij orde op zaken, maar het was wel zijn eerste teken van 'niet mee kunnen'. Twee jaar voor Indurain in de Tour zijn eerste (en meteen definitieve) klap kreeg, werd hij door Berzin (en zijn ploegmaats Argentin, Ugrumov en epo) al afgetroefd in de Giro.

En, last but not least, in de Giro wordt héérlijk vals gespeeld. Ah, Saronni - een echte vedette in de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig - kan beter sprinten dan klimmen? Wel, dan schrappen we al die mooie hoge bergen uit het parcours en geven we per sprintzege dertig seconden bonificatie. En als we een col inlassen, is dat de Selva di Val Gardena: die is ook meer dan 2.000 meter, maar zo vreselijk lang, en dus helemaal niet steil, maar ideaal... om de echte klimmers met een grote versnelling morsdood te trappen. En zo gebeurde: Saronni won in 1978 en 1983 de Giro. Of ook: Moser bleek in 1984, na zijn ontmoeting met dottore Conconi, een prima tijdrijder. Wat doet een beetje Giro-organisator dan: hij schrapt eerst alle bergen - officieel omdat er sneeuw ligt, maar Franse journalisten trokken ter plaatse en zagen niet één vlokje - en geven nog een buitengewoon steuntje in de rug. Ze deden dat zo: een helikopter vliegt héél laag vlak achter Moser, zodat de Italiaan letterlijk voortgeduwd werd door de wind, en zijn tijdrit op de weg won met een absolute recordsnelheid van meer dan 51 per uur (dat was ongeveer zoveel als zijn toenmalig uurrecord, op de piste).

Dit jaar doen ze het weer. Nooit was er minder hooggebergte in de Giro dan nu in 2002. Het betekent dat een stuk of tien toppers kunnen winnen, zelfs dat Rik Verbrugghe hardop droomt van een plaats in de topvijf. Voor een man die geen toptien kan rijden in de Ronde van Romandië voorwaar een boude verwachting. Maar met de Giro weet je nooit. Dat maakt die wedstrijd zo onverwacht, zo intrigerend en charmant.

Herman Laitem, Dries Vanysacker, La maglia rosa. De Giro en de Belgen, Uitgeverij De Eecloonaar, 208 pagina's.

Paul Feld en Ludo Van Klooster, De droom van de Giro, Uitgeverij L.J. Veen, 192 pagina's.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234