Dinsdag 02/03/2021

De gemeente als rechter: je zou voor minder op de tram spuwen

Onlangs keurde de ministerraad het voorontwerp van wet goed waardoor gemeenten in bepaalde gevallen als rechter mogen optreden. Het meest in het oog springend daarbij is dat de regering de gemeenten bevoegd wil maken om administratieve boetes op te leggen aan wie 'onwellevend' is. De gemeenten mogen ook pv's die door de parketten zonder gevolg werden geklasseerd zelf met administratieve sancties aanpakken, zelfs bij minderjarigen ouder dan zestien jaar.

Het voorontwerp werd al enige tijd aangekondigd in de media en zorgde in juridische kringen voor gefronste wenkbrauwen. Sommigen dachten dat het een grap was, anderen ergerden zich aan zoveel onzin. Nog anderen vonden dan weer dat er wel belangrijker prioriteiten zijn dan de aanpak van spuwen op de tram, hondengevechten, agressief gedrag en kleine beschadigingen en dat de schaarse middelen beter voor andere doeleinden worden ingezet.

Uiteraard is het de taak van de politici om de prioriteiten vast te stellen. Het parlement (als wetgevende macht) dient als eerste uit te maken welke gedragingen in de samenleving zo hinderlijk zijn dat ze door het strafrechterlijk moeten worden aangepakt. Je kunt je de vraag stellen of al die strafsancties wel nodig zijn en of bepaalde vormen van overlast niet beter op een andere manier worden aangepakt. Heeft het zin om iemand die zonder vergunning zijn veranda verbouwt of illegaal enkele cd's kopieert voor de strafrechter te brengen? De hinder die daaruit voor de samenleving ontstaat, kan ook via burgerlijke procedures worden opgelost. Bij wetgevend werk moet dan ook veel omzichtiger worden omgesprongen met strafsancties.

Een samenleving zonder criminaliteit bestaat niet en er zullen altijd mensen zijn die de samenlevingsregels in die mate overtreden dat ze strafrechtelijk moeten worden vervolgd en veroordeeld. Er moeten wel keuzes worden gemaakt, omdat het ondenkbaar is dat alles wordt vervolgd. Politie en gerecht zijn daar onvoldoende voor uitgerust en het is zeer de vraag of dat ook wenselijk is. De prioriteiten kunnen veranderen in functie van omstandigheden, waardoor een specifieke maatschappelijke hinder bij voorrang aangepakt aan worden, bijvoorbeeld omdat die de publieke opinie beroert. Artikel 143ter van het gerechtelijke wetboek legt die verantwoordelijkheid bij de minister van Justitie, die de richtlijnen moet vaststellen "inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, nadat hij advies van het college van procureurs-generaal heeft ingewonnen".

Het federale veiligheidsplan legt de grondlijnen van het integrale veiligheidsbeleid vast. Op basis van dat plan werd een nationaal veiligheidsplan opgesteld door de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. De zonale veiligheidsplannen, opgesteld door de veiligheidsraad van elke zone, moeten rekening houden met het nationale veiligheidsplan.

Zulke plannen zijn echter niet zonder risico's. De 'prioriteiten' kunnen soms de indruk wekken dat in de niet-vermelde sectoren niets zal worden ondernomen en daar dus een toestand van straffeloosheid ontstaat. Indien wordt geoordeeld dat iets niet langer strafbaar is, pas je de wet best aan zodat de situatie voor iedereen duidelijk is. Een regering die verkondigt dat het bezit van bepaalde drugs verboden blijft maar geen vervolgingsprioriteit mag zijn, schept bij de bevolking een verwarrend en te vermijden beeld over het strafrecht.

De regering wil nu de indruk wekken dat de misdrijven waarvan eerder werd gesteld dat ze geen prioriteit vormen toch aangepakt zullen worden. De logische gevolgtrekking is dan ook dat de veiligheidsplannen worden aangepast en aan de gerechtelijke instanties meer middelen worden verstrekt om die misdrijven te vervolgen en te bestraffen.

Merkwaardiger genoeg kiest de regering voor een andere weg. Voor sommige misdrijven (vernieling van monumenten, bomen, hagen, afsluitingen, enzovoort, maar ook diefstal, opzettelijke slagen en verwondingen) wordt de gemeente bevoegd indien het parket niet binnen twee maanden beslist te vervolgen. Daarnaast worden sommige bepalingen uit het strafwetboek geschrapt en overgeheveld naar de gemeentewet (onder meer de 'onwellevendheid').

De gemeenteraad wordt in dit ontwerp dan ook openbaar ministerie en rechter en kan het parket zelfs overrulen. Daarbij moeten toch enkele fundamentele kanttekeningen worden geplaatst:

1. Indien de regering meent dat bepaalde feiten zo laakbaar zijn dat ze door de overheid moeten worden bestraft, is het evident dat dat in het strafwetboek moet worden ingeschreven. Het is geen goede wetgeving om dat over te hevelen naar het gemeentelijke niveau enkel en alleen omdat wordt vastgesteld dat de parketten die feiten toch niet vervolgen. Het ware logischer om precies het openbaar ministerie de nodige middelen te geven, eerder dan die taak te verschuiven naar een ander niveau. Indien de gemeenten tot vervolging en bestraffing overgaan, zullen overigens ook daar bijkomende middelen moeten worden voorzien. De rechtsstaat is meer gebaat met een behandeling door het parket en een rechtbank, die een onafhankelijk en onpartijdig statuut hebben.

2. Het voorontwerp van wet stelt dat in een rechtsstaat "niets minder gezond is dan de principiële bestraffing van gedragingen zonder enige concrete gevolgtrekking". Als dat dan echt zo belangrijk is, hoe verantwoordt de regering dan dat dat afhankelijk gesteld wordt van een beslissing van de gemeenteraad? En wat met het opbod tussen gemeenten en de rechtsonzekerheid die er ontstaat voor de burgers? Want wie garandeert dat alle gemeenten hetzelfde beleid zullen voeren? Sommige gemeenten kunnen een gedoogbeleid voeren, zodat de gewilde hervorming een maat voor niets is.

3. Welke garanties op een onafhankelijke en onpartijdige behandeling biedt de gemeente? Er kan weliswaar in het ontwerp beroep worden aangetekend bij de rechtbank, maar is er dan nog wel sprake van een vermoeden van onschuld? En zul je een goede rechtzoekende zijn als je de vriend bent van de burgemeester of een slechterik omdat je openlijk de oppositie verkiest?

4. Er is nu een kader voor het bepalen van de prioriteiten van het vervolgingsbeleid, wat het voorontwerp wil uithollen. De regering motiveert dat enkel door te verwijzen naar het gebrek aan middelen van de parketten. Het lijkt dan ook logischer om die de nodige middelen te geven, anders moet je maar de moed hebben nieuwe prioriteiten vast te leggen.

Hopelijk hebben de parlementsleden toch nog voldoende gezond verstand om te beseffen dat dit wetsontwerp het hele beleid van de parketten, de procureurs-generaal en de minister overhoop dreigt te halen. Je zou voor minder op de tram spuwen.

Hugo Lamon is advocaat en bestuurder van de Orde van Vlaamse Balies. Hij schreef dit stuk in eigen naam.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234