Dinsdag 03/08/2021

De gekwetste trots van jonge allochtonen

'Wat men hier een migrantenprobleem noemt, is volgens ons vooral een autochtonenprobleem.' Het migrantendebat dat in mei op de opiniepagina's van De Morgen gevoerd werd, schuwde de sterke uitspraken niet. Jonge, mondige migranten fulmineerden, vreemd genoeg, vooral tegen de integratiesector. Wat is er feitelijk aan de hand? Wat zijn de wensen en verzuchtingen van deze jonge generatie? Hoe staan zij tegenover de integratiesector, en hoe staat die sector tegenover hen? Nu het stof wat is gaan liggen, gingen we op het terrein de temperatuur opmeten.

Nee, echt sereen kon je het recente debat over migranten en integratie in deze krant niet noemen. Of wat dacht u van deze combinatie? Racistisch, xenofoob en mensonterend, het zijn woorden die wel vaker vallen wanneer het programma van het Vlaams Blok ter sprake komt. Maar dat was niet het doelwit van deze tirade. Het hele integratieconcept is racistisch, xenofoob en mensonterend, zo fulmineerde een polemist enigszins pleonastisch. Persoonlijke aanvallen werden in de stoet vrije tribunes en lezersbrieven niet geschuwd. Verscheidene deelnemers veegden de vloer aan met allochtone politici à la Fauzaya Talhaoui en Nahima Lanjri. Excuus-Truzen die zich laten gebruiken door partijen die tuk zijn op het groeiende aantal migrantenstemmen. De kop van Jut was evenwel Johan Leman, door verscheidene briefschrijvers als een objectieve bondgenoot van Philip Dewinter en co afgeschilderd. Leman, directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, liet het er niet bij zitten en kroop vervolgens ook zelf in de pen.

Na het optrekken van de kruitdampen tekende zich een profiel af. Het waren voornamelijk jonge Marokkaanse mannen die het hoge woord hadden gevoerd. Mondige elementen uit de tweede generatie, de academische titels stonden als adelbrieven onderaan de pagina. De toonzetting van de ingezonden stukken was niet alleen bitter maar bijwijlen ook bevlogen. Zo werd het letterwoord EAB, Eeuwig Andere Burger, geïntroduceerd. Hoezeer allochtonen ook hun best doen om zich aan de autochtone maatschappij aan te passen, zo gaat de achterliggende redenering, ze zullen altijd op hun vreemde naam en donkere uiterlijk worden aangesproken. Enigszins voorspelbaar werden begrippen als integratie en multiculturele samenleving als zinledig ontmaskerd. Immers, vele Vlamingen verwarren integratie steevast met assimilatie, een concept dat door alle briefschrijvers radicaal van de hand werd gewezen. Een enkeling ging nog een stap verder en predikte de Arab pride als weg naar emancipatie. Islamitische scholen, allochtone zelforganisaties, herontdekken van de roots, alle heil moet binnen de eigen gemeenschap worden gezocht. De recente uitlatingen van de Leuvense islamoloog Vermeulen zullen wel niet vreemd zijn aan de gekwetste trots die van de pagina's droop.

Zoals in ieder gebroken huwelijk waren de scherpste woorden voor de gewezen partner gereserveerd, in dit geval de zogeheten migrantensector. Bij het Vlaams Minderhedencentrum (VMC), de vorig jaar opgerichte koepel van provinciale en lokale integratiecentra, zijn ze nog niet bekomen van het opiniestuk waarmee Tarik Fraihi de debatten opende. 'Het failliet van de integratie-industrie' luidde de omineuze titel. Bureaucratie, paternalisme, incompetentie, Fraihi spaarde de roede niet. Volgens hem slagen de integratiecentra er niet in hun doelgroep te bereiken, niet het minst omdat de allochtonen zelf in het beleid van die centra veel te weinig inspraak hebben. Opvallende kritiek, te meer daar hij afkomstig is van een jonge Marokkaan die zelf op de loonlijst van het door vele kinderziekten geplaagde VMC prijkt.

Hoe heet wordt de soep opgediend? Met deze en andere vragen toog ik naar Boom, waar het Provinciaal Integratiecentum Antwerpen is gevestigd. Geen toevallige keuze. Pricma, zoals men in de wandelgangen zegt, is territoriaal bevoegd voor de hele provincie, Antwerpen stad evenwel uitgezonderd. Aan klanten geen gebrek, provinciesteden als Mechelen, Lier en Boom tellen aanzienlijke Marokkaanse en Turkse gemeenschappen. Het hoeft niet altijd de grootstad te zijn waar we ons oor te luisteren leggen. Bij wijze van aperitief word ik op een droge maar noodzakelijke inleiding getrakteerd. Onderwerp: het Vlaams decreet van 28 april 1998 inzake de etnisch-culturele minderheden, een kaderwet die pas dit jaar van kracht is en waarvan de draagwijdte lang niet beperkt blijft tot de emancipatie van allochtonen en erkende vluchtelingen. Ook het onthaal van asielzoekers en andere nieuwkomers, de opvang van illegalen en de problematiek van de woonwagenbewoners vallen onder het minderhedenbeleid. Hoewel het decreet precies een einde moest maken aan de hopeloze versnippering binnen de migrantensector, oogt ook de nieuwe structuur behoorlijk complex. Onder de koepel van het VMC bevinden zich acht integratiecentra, één voor iedere provincie en één voor de grootsteden Brussel, Antwerpen en Gent. Op hun beurt vertakken deze acht centra zich in een reeks lokale steunpunten, in het geval van Pricma zijn dat Mechelen, Boom, Lier, Turnhout, Willebroek, Bornem en Mol. Bedoeling is dat deze integratiecentra instanties als gemeentebesturen, OCMW's, scholen, huisvestings- en tewerkstellingsdiensten helpen een minderhedenbeleid te ontwikkelen en er tevens op toezien dat de doelgroepen bij dat beleid worden betrokken. Let op het begrip doelgroep, het nieuwste buzz word in een sector waar vaak eindeloos wordt gediscussieerd over politiek correcte terminologie.

Tot zover de theorie. Maar werkt het model ook in de praktijk? Algemeen coördinator Marc Dockx, wil alleen namens Pricma spreken. "De situatie verschilt van provincie tot provincie", zegt hij. "Wat geldt voor Antwerpen geldt niet noodzakelijk voor Limburg of Vlaams-Brabant." Zeker, hij heeft het debat in De Morgen gevolgd. En nee, de hevige kritiek op de migrantensector heeft hem niet verbaasd. Marc Dockx: "Dit is de stem van de tweede generatie. In tegenstelling tot hun ouders zijn jonge allochtonen erg mondig, ze eisen inspraak in het beleid dat hen rechtstreeks aanbelangt. Het is geen toeval dat ze zich vooral tegen Johan Leman keren. In feite heeft die met het Vlaamse migrantenbeleid niets meer te maken, maar door zijn verleden is hij een symbool geworden. Het is een kwestie van representativiteit. Jonge allochtonen pikken het niet dat Leman in naam van de migrantengemeenschap spreekt, ze willen voor zichzelf opkomen. Toch heb ik de indruk dat dit debat vooral in de grootsteden leeft. Daar heeft de migrantensector een langere traditie, naast de integratiecentra heb je daar ook een waaier van zelforganisaties. Soms begeven die zich op hetzelfde terrein, en dat lijdt tot spanningen. Hier, in de provincie, is van rivaliteit geen sprake. Migranten zijn hier nauwelijks georganiseerd, we sporen ze zelf aan om zich te verenigen. Dat lukt aardig, in Lier en Boom hebben jonge Marokkanen nu een zelforganisatie opgericht. Wij spelen daarbij een louter adviserende rol, met de inhoudelijke werking moeien we ons niet. Geen paternalisme meer, dat is de filosofie van het nieuwe decreet. Het is ook gedaan met de theekransjes voor vrouwen en andere folklore, integratiecentra moeten zich nu toeleggen op beleidsbeïnvloeding. Dat kan alleen als we erin slagen de doelgroepen bij onze werking betrekken. In feite spelen we go-between tussen het beleid en de migranten. In Turnhout ijvert de moskeevereniging al jaren voor een islamitische begraafplaats. Dus hebben we een contactgroep opgericht zodat het gemeentebestuur en de moskeevereniging overleg kunnen plegen. Nog zoiets: de voorbije maanden hebben we zowat overal debatten tussen allochtonen en politici georganiseerd. Alle democratische partijen kwamen aan bod, bedoeling was te peilen naar hun standpunten inzake etnische minderheden, uiteraard in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen. Wij hebben de contacten gelegd en de locaties besproken, maar het waren wel de migranten zelf die politici aan de tand hebben gevoeld."

Van waar dan de klachten over de onvoldoende participatie door allochtonen? Marc Dockx klinkt genuanceerd. "We hebben al een lange weg afgelegd. De pioniersdagen van Paula D'Hondt zijn al lang voorbij, inspraak voor doelgroepen is nu bij decreet geregeld. Zo is er voor ieder steunpunt een stuurgroep waarin allochtonen een derde van de zitjes bezetten. Ook het personeelsbeleid is fel geëvolueerd. Bij Pricma werken 16 allochtonen op een totaal van 36 werknemers, al bij al geen slechte verhouding. Maar ik geef toe, alles kan beter. Vooral de doorstroming van allochtonen naar kaderfuncties verloopt te traag. Toch zou ik daar geen slechte wil achter zoeken. Door de lage scholingsgraad zijn er gewoon te weinig kandidaten die aan de benoemingscriteria voldoen. De gelukkige uitzonderingen met diploma zoeken vaak hun heil in beter betalende sectoren. We moeten er trouwens ook geen symbolenstrijd van maken. Het is niet omdat we morgen een Turk of Marokkaan tot directeur van het VMC benoemen dat alle emancipatieproblemen meteen van de baan zijn."

Bij Chebbab in Lier zijn ze alvast opgetogen over de rol van Pricma. "Het lokaal steunpunt is onze bondgenoot", zegt Ali Salhi. "Bij Pricma kunnen we terecht met al onze vragen. Maken we er een feitelijke vereniging of een vzw van? Bij wie moeten we aankloppen voor subsidies? Hoe benaderen we officiële instanties? Voor een jonge zelforganisatie is deskundig advies van levensbelang. Maar pas op, het is een wisselwerking, zij hebben ons even hard nodig als andersom. Voor Pricma is Chebbab een noodzakelijk kanaal om hun belangrijkste doelgroep te bereiken. We werken dus nauw samen, maar we zijn niet met elkaar getrouwd. Chebbab is aangesloten bij Federatie van Marokkaanse Verenigingen, ook daar kunnen we terecht voor goede raad." We hebben afgesproken in het Goed Voorbeeld, een bruine jongerenkroeg onder de torens van het stadhuis. Medisch laborant Ali Salhi (24), student maatschappelijk werker Tarck El Fassi (22) en bouwvakker Meki Bohouh (33), drie mondige Marokkanen met een meervoudige missie. Jongeren organiseren, bruggen slaan tussen gemeenschappen, inspraak verwerven in het stedelijk jeugdbeleid, ze nemen veel hooi op hun vork. "Vorig jaar zijn we ermee gestart", vertelt Ali. "Tarck en ik hadden elkaar leren kennen tijdens een vakantiejob bij de Quick. We deden allebei dezelfde vaststelling: in Lier waren helemaal geen voorzieningen voor allochtone jongeren. Geen jeugdhuis, geen club, helemaal niets. Organiseerde de stad een week van de jeugd, dan bleven Marokkaanse en Turkse jongeren in de kou staan. Het gaat om een grote groep, 6 procent van de Lierse bevolking is allochtoon, jongeren in grote meerderheid. In mijn ogen was het een absurde situatie. Ik had vijf jaar in Leuven op kot gezeten, me tot over mijn oren verdiept in het verenigingsleven. Student onder de studenten, ik heb me nooit anders gevoeld. En dan keer ik naar mijn eigen stad terug en gaapt er een ontzettende kloof tussen Belgen en Marokkanen."

Een stukje van de kloof hebben ze al gedicht. De happening tijdens het suikerfeest aan het einde ramadan was een schot in de roos: tweehonderdvijftig nieuwsgierige autochtonen, onder wie de burgemeester en enkele schepenen. De wekelijkse stadswandelingen langs moskeeën, Turkse bazaars en Marokkaanse theehuizen kennen eveneens grote bijval. Ook aan de inspraak in de gemeentepolitiek werd al gesleuteld, het was een van de hete hangijzers tijdens de door Pricma georganiseerde debatten. Blijkbaar hebben de Chebbab-woordvoerders indruk gemaakt. Ali werd door de SP gepolst maar houdt voorlopig de boot af, "om het pluralisme van Chebbab niet te compromitteren". Tarck is minder terughoudend, zijn naam prijkt in oktober op het nummer drie van de Agalev-lijst. Meteen een strijdplaats voor de allereerste allochtone kandidaat in de Lierse gemeentepolitiek, geen kwaad begin. "Allochtone inspraak in het stedelijk jeugdbeleid wordt een van mijn prioriteiten", zegt Tarck, die eigenlijk op een Agalev-vergadering aan een andere tafel van de kroeg wordt verwacht. "Chebbab is op dit ogenblik belangrijker dan Agalev", zegt hij. "Kijk, het is niet omdat ik in de politiek stap, dat ik mijn roots vergeet. Dat is wat ik sommige allochtone politici verwijt. Zodra ze in het parlement zitten, denken ze meer aan hun carrière dan aan de gemeenschap."

Over prioriteit nummer een bestaat er bij Chebbab geen discussie: de zelforganisatie wil zo snel mogelijk een eigen, Marokkaans jeugdhuis betrekken. Waarom kiezen ze eigenlijk voor apartheid? Waarom kunnen Marokkaanse jongeren niet gewoon bij Vlaamse jeugdbewegingen aansluiten? En waarom vindt Chebbab het nodig om diezelfde jongeren bewust te maken van hun eigen godsdienst en cultuur? Ali's antwoord plaatst een kanttekening bij de vaak geëvoceerde tegenstelling tussen onvoorwaardelijke assimilatie en cocooning in een etnisch getto. Alsof er geen derde weg naar emancipatie zou bestaan. "Een eigen stek is noodzakelijk", steekt Ali van wal, "omdat de drempel van de Vlaamse jeugdbewegingen veel te hoog ligt. Zelf heb ik er absoluut geen moeite mee. Ik zei het al, als student zat ik in alle mogelijke verenigingen. Maar hier heb je te maken met grote groepen jongeren die nooit aansluiting bij bestaande jeugdverenigingen hebben gevonden. Pas op, ik werp hier geen steen naar de Chiro of de scouts. Marokkaanse ouders deinzen ervoor terug om hun kinderen aan een Vlaamse jeugdbeweging toe te vertrouwen. Misschien eten ze daar wel varkensvlees of drinken ze alcohol. Of misschien gaan jongens en meisjes samen op kamp. Velen vinden het ook te duur, allochtone families hebben het meestal niet breed. Ik zie een eigen jeugdhuis dan ook als een noodzakelijke tussenstap. Eerst moeten we de jongeren binnen de gemeenschap zelf organiseren. Dat is geen cocooning, het is precies de bedoeling van Chebbab om hen zoveel mogelijk in aanraking te brengen met de autochtone maatschappij. Na verloop van tijd zullen Marokkaanse jongeren wel vanzelf aansluiting vinden bij Vlaamse jeugdbewegingen. De eigen gemeenschap versterken als middel tot emancipatie, dat is de filosofie. Onze belangstelling voor de islam past perfect in dat plaatje. Als jongeren zich van hun tradities bewust worden, zullen ze zich beter in hun vel voelen. Wat is daar verkeerd aan? We leven in een democratie, het recht op eigen godsdienst en cultuur is even belangrijk als de vrijheid van meningsuiting. Trouwens, een mens is niet alleen islamiet, katholiek of atheïst. Zelf voel ik me in de allereerste plaats een Lierenaar. Het is belachelijk dat ze de tweede generatie nog altijd om de oren slaan met begrippen als integratie en inburgering. We spreken allemaal perfect Liers, wat moeten we meer doen om ons in te burgeren?"

Bij Nour kunnen ze het woord voor woord beamen, al liggen de roots van deze jongeren niet in Lier maar wel in Boom. Ik mag niet klagen, Nourdine El Kaouakibi, Mohamed El Ghamri, Abdelhafid El Ajoutti hebben voor mij een uur van hun kostbare bloktijd opgeofferd. De vierde afgevaardigde, Zitouni Berraki, is afgestudeerd en werkt als technisch bediende in een raffinaderij. Zijn dit nu de jonge Marokkanen waar vele Vlamingen zo'n gloeiende pest in hebben? Het cliché is immers wijd verspreid. Marokkaanse meisjes doen hun best, het zijn de jongens die op straat lummelen en keet schoppen. "Ik weet het", zucht Zitouni. "Marokkaanse jongens hebben een slechte reputatie. We moeten ermee leren leven, vele Vlamingen gooien ons allemaal op één hoop. Lezen ze in de krant dat één Marokkaan een diefstal heeft gepleegd, dan zijn ineens alle Marokkanen dieven. Staan er op de stoep zes Marokkanen te praten, dan spreken ze van een jeugdbende. Wat kunnen we eraan doen? Communicatie is de enige oplossing. We kunnen de vooroordelen alleen opruimen als we in dialoog treden met de Vlamingen." Zo gezegd, zo gedaan, Nour heeft alvast een luisterend oor gevonden bij de Boomse politie. "We vergaderen om de twee maanden", zegt Nourdine. "Het is begonnen na een incident tijdens de jaarmarkt. Twee Marokkanen gingen in een café met elkaar op de vuist. Tot onze verbazing liet de politie betijen. Toen we uitleg vroegen, kwam de aap uit de mouw. Bleek dat de agenten bang waren dat hun tussenkomst rellen zou veroorzaken. Dat misverstand hebben we intussen uit de wereld geholpen. De Marokkaanse gemeenschap is zelf vragende partij voor een kordaat politieoptreden." Politieke debatten, voetbaltoernooien, capoueira-stages, muziekhappenings, proeverijen uit de Maghreb, de activiteiten zijn vergelijkbaar met die van Chebbab. Daar houdt de parallel niet op, net als in Lier stond Pricma ook in Boom aan de wieg van de prille zelforganisatie. Het gaat alweer om een zuivere mannenclub, al is Nour niet vies van samenwerking met de beweging van Marokkaanse vrouwen in Boom. De uitleg voor de segregatie klinkt me al bekend in de oren. Voor je gaat hardlopen moet je leren stappen. Gemengde verenigingen liggen nog te moeilijk binnen een gemeenschap waarin het respect voor de ouders, de eerste generatie dus, heilig is. En inderdaad, net als hun collega's van Chebbab worden ook deze mondige Marokkanen door lokale politici opgevrijd. Zitouni: "Behalve het Vlaams Blok hebben alle partijen een aanzoek gedaan. Zelf heb ik een verkiesbare plaats geweigerd. Het is nog te vroeg, eerst moet onze organisatie stevig op poten staan. Maar ik twijfel er niet aan, vroeg of laat zul je ons wel in de politiek tegenkomen."

Nour staat op een goed blaadje bij het gemeentebestuur, evenementen brengen zowel Marokkanen als Vlamingen op de been, er wordt vlot samengewerkt met autochtone verenigingen. "Het gaat de goede kant op", stelt Zitouni vast. "Al houd ik mijn hart vast voor de verkiezingen. Het is telkens weer een koude douche wanneer het Vlaams Blok een sprong vooruit maakt. Je werkt hard, je hebt Vlaamse vrienden, je spreekt perfect Nederlands, en dan stemmen ze voor een partij die alle Marokkanen wil buitengooien. Op zo'n moment word je met de neus op de feiten gedrukt: in de ogen van de Vlamingen blijf je toch een migrant, een Marokkaan, een islamiet, een buitenstaander. Op de duur krijg je er paranoia van. Dan begin je te twijfelen of die vriendelijke lach van je buurman wel oprecht is. Gelukkig slijt dat gevoel snel. We mogen de armen niet laten zakken."

Al bij al zijn het overwegend positieve geluiden die in de provincie opborrelen. Helaas moet Younes El Yousfi meteen een domper plaatsen. Niet dat hij de bevindingen van Chebbab of Nour wil tegenspreken. Het is maar dat hij de zaken door een andere bril bekijkt. Younes (31) zit al vijftien jaar in de migrantensector, eerst als animator bij het Mechelse jeugdhuis Rzoezi, momenteel als verantwoordelijke schoolopbouwwerk bij Pricma. "Er is vooruitgang", zegt hij. "Het nieuwe decreet bevat goede aanzetten, maar we zijn er nog lang niet. Het migrantenbeleid wordt nog te veel voor en te weinig door de migranten gevoerd. De integratiecentra hebben nog altijd de kwalijke gewoonte namens de doelgroepen te spreken zonder die doelgroepen zelf te bevragen. Soms is het pure gemakzucht. Stel, je belegt een oudervergadering en er komt geen kip opdagen. Dan kun je twee houdingen aannemen. De doelgroep beschuldigen van apathie, dat is wat meestal gebeurt. Maar je kunt de oorzaak van de flop ook elders gaan zoeken. Misschien spreken de ouders onvoldoende Nederlands. Of misschien stelt het gemengde karakter van de contactavond een probleem. Zo'n benadering kost natuurlijk meer moeite, daarvoor moet je echt tussen de allochtonen gaan staan."

Een somber beeld doemt op wanneer Younes zijn pessimisme de vrije teugel geeft. "België is het land van de gemiste kansen", zegt hij. "Dertig jaar geleden, toen de eerste generatie hier neerstreek, toen hadden ze werk moeten maken van integratie. Dat is niet gebeurd, en nu zit de tweede generatie met de brokken. Want we moeten ons niet blindstaren op het kransje intellectuelen met universitaire diploma's dat nu in de politiek en de media de kop opsteekt. De trieste waarheid is dat de grote meerderheid van de allochtone leerlingen al in de tweede graad van het middelbaar onderwijs afhaakt. Een hele generatie dreigt verloren te gaan. Allemaal laaggeschoolde jongeren die in onze hoogtechnologische economie niet aan de bak komen en die bovendien verbitterd zijn omdat ze voortdurend het signaal krijgen dat ze hier niet gewenst zijn. Intussen hebben de politici de mond vol van integratie, het lijkt alsof ze in één klap de achterstand van dertig jaar willen goedmaken. Ik heb daar zo mijn bedenkingen bij. Vijftien jaar geleden werd er voortdurend op gehamerd dat migranten Nederlands moesten leren om zich te kunnen integreren. Vandaag hoor ik nog altijd krek dezelfde verzuchting. Sterker nog, sommige politici eisen nu dat ook eerste generatie alsnog foutloos Nederlands leert spreken. Maar wat stel ik op het terrein vast? Dat heel wat allochtonen staan te springen om Nederlands te leren. Alleen krijgen ze de kans niet omdat het cursusaanbod ruim onvoldoende is met ellenlange wachtlijsten als gevolg. Dan vraag ik me af: hebben ze in die vijftien jaar dan niks geleerd? Ach, ik kan zo blijven doorbomen. Neem nu de dancingproblematiek, daar valt ook nauwelijks vooruitgang te bespeuren."

Aan vers voedsel voor zijn scepsis heeft hij geen gebrek, daar staat de onderwijssector garant voor. Younes moet onder meer waken over de correcte toepassing van de non-discriminatieverklaring uit 1993. De bedoeling was best nobel: de verschillende onderwijsnetten beloofden plechtig doelgroepleerlingen - kinderen wier moeder analfabeet of laaggeschoold is - evenwichtig te spreiden. "De praktijk is minder fraai", weet Younes uit ervaring. "Scholen verschuilen zich achter de quota van het spreidingsplan om allochtone leerlingen af te wijzen. Ook het kindje van mijn zus werd geweigerd. Nochtans is dat geen doelgroepleerling want mijn zus heeft hier gestudeerd. Het is de donkere huidskleur die het verschil maakt. Al jaren stellen we de misbruiken aan de kaak, maar ik zie weinig verbetering. We zijn nu begin juni, vele scholen zijn al officieus begonnen met het ronselen van leerlingen. Het is nog erg vroeg, maar ik heb nu al een lijstje met allochtone jongeren die zich niet kunnen inschrijven." Jawel, ook Younes heeft het migrantendebat in De Morgen gevolgd. "Misschien was de kritiek af en toe wat scherp geformuleerd", zegt hij. "Maar doe het vooral niet af als de frustraties van enkele geïsoleerde heethoofden. Geloof me, de malaise zit diep bij de Marokkaanse jeugd."

Marc Dockx, coördinator van integratiecentrum Pricma: 'In tegenstelling tot hun ouders zijn jonge allochtonen erg mondig, ze eisen inspraak in het beleid dat hen rechtstreeks aanbelangt'

Ali Salhi van Chebbab: 'Eerst moeten we de jongeren binnen de gemeenschap zelf organiseren. Na verloop van tijd zullen Marokkaanse jongeren wel vanzelf aansluiting vinden bij Vlaamse verenigingen. De eigen gemeenschap versterken als middel tot emancipatie, dat is de filosofie'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234