Zondag 19/09/2021

De Galápagosarchipel,van vervloekt oord tot levenslaboratorium

Toen Charles Darwin voet op de Galápagoseilanden zette, meed wie kon de archipel nog. Het waren ‘las islas encantadas’, de ‘behekste eilanden’. Ze golden als een onaantrekkelijk, dor en doods oord, met lavavelden en verlatenheid als bekendste kenmerken. Dat er geen grote landzoogdieren te vinden waren, bewees het nog maar eens: deze plek was vervloekt.Door Nathalie Carpentier

Na de meest doelbewuste en nuchtere evaluatie waartoe ik in staat ben, moet ik besluiten dat de visie die de meeste natuurwetenschappers erop nahouden, die ikzelf er vroeger ook op nahield, namelijk dat elke soort afzonderlijk geschapen is, niet klopt. Ik ben er volledig van overtuigd dat soorten niet onveranderlijk zijn.Charles Darwin, On the origin of species, 1859Honderdvijftig jaar later, mei 2009. De Galápagoseilanden, inspiratiebron voor Darwins evolutietheorie. Fors opgeschoten cactusbomen prikken de hemel haast lek, tien meter verder zetten enkele zeldzame mangrovestruiken zich met hun luchtwortels schrap tegen het binnenrollende zeewater. Langs diezelfde kust, een eindeloze herhaling van scherpe, zwarte lavastroken. Behalve een eenzaam voorbijscherende pelikaan ligt het witte strand van Santa Cruz in de Stille Oceaan er verlaten bij.Is dit de plek die Charles Darwin met haar unieke en soms gekke dieren en planten inspireerde tot zijn wereldberoemde evolutietheorie? Is dit het ultieme levenslab? Nergens een blauwvoetgent die pijlsnel het zoute water induikt, nergens een van de legendarische reuzenlandschildpadden die tergend langzaam voorbijkruipt. Nee, zelfs geen krabbetje dat schichtig langs de rotsen snelt.Turend naar de horizon gaat het verder tussen de zwarte lava, achteloos stappend tussen dode rotsen. Alhoewel, dood? De rotsen lijken te bewegen. Een snelle blik naar links. Niets. Naar rechts. Daar in die hoek, weer gekronkel. En wat is dat doordringende geluid? Gesis? Dan in een flits, een lange zwarte staart die wegglipt tussen een rotsspleet, rakelings langs onze voeten.Geen doodse rotsen, maar een massa zeeleguanen. Overal beginnen zich nu silhouetten af te tekenen van twee, drie, vier, nee tientallen, soms zelfs honderden vuilzwarte ‘miniatuurdraken’. Op, onder, naast en liefst vervlochten in elkaar wriemelen de afstotelijke wezens zich met hun scherpe poten een weg naar het beste plekje in de zon. Af en toe spuit eentje het overtollige zeewater er weer uit. Psssh.Zulke zeeleguanen met hun duivelse kop bezorgden in de jaren 1830 ook Herman Melville, schrijver van Moby Dick, koude rillingen. De jonge auteur en zeereiziger vond werkelijk niets aantrekkelijks aan die vreemde archipel in de Stille Zuidzee op duizend kilometer van de Zuid-Amerikaanse kust. “Zowel de mens als de wolf mijdt ze”, zo citeert Pulitzerprijswinnaar Edward Larson in De proeftuin van de evolutie uit Melvilles oude reisverslagen. “Behalve reptielen treft men er weinig leven aan. Geen stem, geen geloei, geen gehuil weerklinkt. Het voornaamste geluid dat het leven er voortbrengt, is gesis.”De lavakusten waren niet alleen nagenoeg onbegaanbaar, het land toonde zich ook niet anders dan dor en droog, en de eilanden waren verlaten door mens en hoger dier. Stuk voor stuk elementen die Melvilles visie voedden: deze plek was een hel op aarde. Dat de eilanden bovendien gedomineerd werden door reuzenlandschildpadden, hagedissen en leguanen, ‘inferieure’ reptielen, sterkte hem alleen maar in die overtuiging. Want wat was troostelozer dan de aanblik van een Galápagoslandschildpad die tot tweehonderd jaar oud kon worden?“Er is geen dierlijke vorm die zo jammerlijk een aanhoudend lijden en ernstige hopeloosheid uitdrukt”, schreef hij. “De gedachte aan hun wonderbaarlijk lange levensduur versterkt die indruk zelfs nog.” Melville noemde ze “spookschildpadden”, de “enige en eenzame koningen van het asfalt”. Daarmee verwoordde Melville zelfs driehonderd jaar nadat de Spaanse bisschop Tomas de Berlanga ze in 1535 per schip had ontdekt, perfect het nog steeds heersende beeld van de Galápagoseilanden.Het was geen blije ontdekking. De bemanning van De Berlanga’s schip vond er dagenlang geen drinkbaar water, waardoor sommigen van uitdroging omkwamen. De weinige aarde die ze aantroffen, leek op as en verder was het land volgens de bisschop alleen maar bezaaid met grote stenen. Ondanks de vele schildpadden, leguanen en vogels die hij er aantrof, vond De Berlanga de fauna en flora maar waardeloos. Onmogelijk dat God die plek voor de mens had geschapen, oordeelde de bisschop en hij vervloekte de plek.Wie kon, meed de archipel sindsdien. Enkel piraten en walvisvaarders kwamen er. Het duurde tot lang na zijn ontdekking dat de wereld dat andere beeld van de archipel omarmde: de Galápagos als evolutionair wonderland, een plek waar leven bijna letterlijk vorm krijgt.

Hotspot

Wat Melville en de bisschop nog niet beseften, was dat de barre onherbergzaamheid ook onlosmakelijk verbonden is met de ontstaansgeschiedenis van de archipel. Het hele gebied langs de evenaar is vulkanisch van oorsprong. De hoofdeilanden, de zichtbare landmassa aan de oppervlakte, zijn slechts het topje van uitgestrekte onderzeese vulkanen. De eilanden zijn het resultaat van een van de actiefste en grilligste hotspots ter wereld: een plek waar hete magma uit de diepte oprijst en daarbij door de tectonische plaat dringt die er langzaam overheen glijdt. Bij botsing met de Nazcaplaat ontstaan af en toe nieuwe vulkanen en soms zelfs nieuwe eilanden. Met een snelheid van enkele centimeters per jaar schuift de Nazcaplaat richting Zuid-Amerika over de hotspot, van zuidoost naar noordwest. Hoe noordwestelijker, hoe jonger en ongerepter de eilanden. De Carnegie Ridge, een reeks onderzeese bergen halfweg de Galápagos en Zuid-Amerika, zijn vermoedelijk oude, geërodeerde en zo langzaam weggezonken restanten van nog oudere eilanden.Een bezoek aan Galápagos is een terugreis in de tijd. De archipel is relatief jong, de oudste eilanden zijn hooguit 3 tot 6 miljoen jaar oud. De oude eilanden zijn al het verst afgedreven van de hotspot en het meest bewoond. De jongste, zoals Fernandina en Isabela, bevinden zich het dichtst bij de hotspot. Fernandina, waar vulkaan La Cumbre dit voorjaar nog uitbarstte, ligt er zelfs pal boven.Met een leeftijd van 700.000 jaar is Bartolomeus een van de jongere eilanden hier. Een kind in de ogen van de geologie. Met veelvuldige kraters in rood-bruine tinten lijkt het wel Mars, maar dan op aarde. Er is niets, niets, niets. De donkerbruine vegetatie lijkt van ver misschien een plantendek, maar ook dat zijn niet meer dan afgekoelde lavavelden.Hier moet het leven nog ontkiemen. De eerste plant die hier voet aan de grond krijgt, is tiquilia, een grijs woestijnplantje. De lavahagedis, nog een van die zeldzame soorten die zich in dit barre landschap al weet te handhaven, verslindt de kleine bloemetjes sneller dan ze kunnen groeien. Wie hier wil overleven, grijpt elk voedsel dat voorhanden is. De prilste vulkanische eilanden zijn nog verstoken van planten en dieren. Zonder de noeste arbeid van pioniers als tiquilia, die as omzetten in bodem, maakt volgend, hoger leven hier geen schijn van kans.Het geheim van de archipel openbaart zich niet zomaar. Je moet verder willen kijken. In tegenstelling tot wat soms gedacht wordt, schuilt het niet in een overweldigend grote en kleurrijke biodiversiteit, zegt bioloog Frank Bungartz van het Charles Darwinonderzoeksstation op Santa Cruz. “Als je de soortenrijkdom op de archipel vergelijkt met die van het vasteland van Ecuador is de biodiversiteit hier bijna bedroevend klein. Ecuador telt 40.000 vasculaire plantensoorten, terwijl in de Galápagos amper zeshonderd soorten bekend zijn.”Dat is niet zo vreemd. “De archipel is een eilandecosysteem”, vervolgt Bungartz. “Die hebben doorgaans een veel lagere biodiversiteit dan het vasteland. De isolatie van de Galápagoseilanden heeft gezorgd voor een veel schralere fauna en flora. Er is veel minder biodiversiteit, maar de isolatie heeft ook geleid tot een veel hogere graad van endemie: er zijn minder verschillende soorten planten en dieren, maar wat je vindt, komt vaak enkel en alleen hier op deze plek voor. Dat maakt het bijzonder.”De vuilzwarte miniatuurdraken mogen dan afzichtelijk zijn, de vreemde creaturen zijn vooral ook uniek. Nergens anders ter wereld komen de dieren voor. Het zijn de enige leguanen op aarde die in zee kunnen leven. Je ziet ze op alle eilanden van de archipel, in grote aantallen, maar enkel langs rotsachtige kusten en stranden, waar ze massaal met uitgestrekte poten in de zon liggen te baden.“De zeeleguanen zijn koudbloedige dieren”, legt een van de natuurgidsen van het toeristische schip Galapagos Explorer II uit. “Voor ze het water kunnen induiken, moeten ze eerst hun lichaamstemperatuur verhogen. Daarom zie je ze zo vaak zonnen. Als ze zonder op te warmen het water zouden ingaan, kunnen ze niet snel genoeg bewegen en dreigen ze om te komen.”Op land zijn ze traag en sloom. Eenmaal in het water glijden ze zwiepend met hun staart en roerloze poten door de zee, sierlijk als een slang. Ze kunnen een uur lang onder water blijven en tot 10 meter diep duiken. Om energie te sparen vertragen ze hun hartslag, waardoor ze het contact van warm bloed met de koude omgeving verminderen.Eén man raakte al in 1835 geprikkeld door de vreemde dieren. Zouden ze vis eten, vroeg hij zich af en sneed de maag van enkele zeeleguanen open: die zat vol zeewier, het waren vegetariërs. Maar daarmee was de kous voor hem niet af. “De samenstelling van het dieet, de vorm van de staart en de poten, en het feit dat het dier vrijwillig naar zee zwemt, het bewijst allemaal dat het een zeedier is”, schreef hij in zijn reisverslag. “Maar er is op dit punt een merkwaardige anomalie, en wel dat deze hagedis niet het water invlucht als hij bang is.”Hij ging verder met zijn experimenten. “Het is makkelijk deze hagedissen naar een overhangende rots boven zee te drijven, waar ze zich liever aan de staart laten oppakken dan dat ze in zee springen. (…) Ik wierp er eentje meermaals zover als ik kon het water in, in een diep zwin dat door de ebstroom was achtergelaten, maar telkens weer zwom hij in een rechte lijn terug naar de plek waar ik stond. (…) Hoe vaak ik hem er ook in gooide, altijd kwam hij terug. Misschien is dit bijzondere staaltje domheid te verklaren door het feit dat dit dier op het land geen natuurlijke vijanden heeft, terwijl het op zee regelmatig ten prooi moet vallen aan de vele haaien.” De man die de zeeleguanen zo gedetailleerd observeerde en beschreef, was Charles Darwin.

Vreemde satelliet

In tegenstelling tot Melville zag Darwin wel vrij snel het belang in van de unieke fauna en flora van deze geïsoleerde wereld. Meer nog dan door zeeleguanen werd de aandacht van de jonge Darwin als officieel natuuronderzoeker van het schip HMS Beagle getrokken door de bijzondere kenmerken van de vinken. Niet alleen verschilden de snavel en pluimen van de vogels duidelijk naargelang de plaats, elk eiland bleek bovendien ook zijn eigen vinkensoort te bezitten.Al snel begon het hem te dagen: die verschillende vogels hadden een gemeenschappelijke voorouder, en de uiteenlopende vinkensoorten waren het resultaat van evolutie. Terug thuis werkte Darwin zijn ideeën verder uit. Hij publiceerde zijn theorie in zijn boek On the Origin of Species (‘Over het ontstaan van soorten’), gaf daarmee het geloof dat God alle soorten elk afzonderlijk maar tegelijk had geschapen een mokerslag en werd wereldberoemd.Bovenstaande synopsis van Darwins levenswerk wordt dan wel vaak ten berde gebracht, het is niet meer dan een parodie op de werkelijkheid, haalt geneticus Steve Jones het in zijn jongste boek met enkele rake zinnen onderuit. En dat is nodig, want het totaalplaatje inclusief alle foute details - zo was Darwin aangenomen als compagnon van de kapitein en niet als officieel natuuronderzoeker aan boord van de HMS Beagle - blijft hardnekkig hangen. In werkelijkheid besefte Darwin niet meteen welk goud hij in handen had. De unieke vinkensoorten die later uitgroeiden tot een schoolvoorbeeld van zijn evolutietheorie, interesseerden hun geestelijke vader aanvankelijk zelfs maar matig. Hij verzamelde wel verschillende exemplaren, maar vergat te noteren waar hij elke vink precies had gevonden. Eenmaal terug in Engeland was zijn collectie dan ook al hopeloos door elkaar geraakt.Het was pas jaren later, nadat ze door John Gould, een collega-natuurwetenschapper en een excellente ornitholoog, bestudeerd en beschreven waren, dat hun echte waarde tot Darwin begon door te dringen. Afgaand op hun snavel, staart en verenkleed waren de verschillende vinken duidelijk nauw verwant, stelde Gould. Maar ondanks die gelijkenissen ging het volgens de ornitholoog toch onmiskenbaar om dertien verschillende soorten die bovendien alleen op de Galápagoseilanden voorkwamen.Mede door die resultaten breidde Darwin de oorspronkelijke passage over de vinken in een tweede editie van zijn reisverslag, tien jaar na zijn bezoek, gevoelig uit. In 1845 schrijft hij: “Als je de gradatie en verscheidenheid van structuur bij één kleine, nauw verwante groep vogels ziet, kun je je indenken dat door een aanvankelijke schaarste aan vogelsoorten op deze archipel één soort gemodificeerd is voor verschillende doelen.”Dat laatste is volgens Darwins biografen een duidelijke maar ook unieke verwijzing van zijn hand naar de evolutie van vinken op de Galápagos. In zijn latere geschriften zal hij de vinken immers nog amper vermelden. Het is nochtans een sleutelpassage waarin zijn latere ideeën over de evolutie van soorten en de natuurlijke selectie al fijntjes weerklinken.In plaats van door de later naar hem genoemde vinken, gingen Darwins ogen vermoedelijk open door de bizarre collectie spotlijsters. Daarvan had hij wel netjes genoteerd waar hij ze vond. Op het eiland San Cristobál had hij verrast vastgesteld dat de lokale spotlijsters op de continentale soorten leken, maar toch anders waren. Toen hij daarna het eiland Floreana bezocht, amper 100 kilometer verderop, was zijn verbazing nog groter: de spotlijster die hij daar zag, behoorde weer tot een andere soort.“De natuurlijke historie van deze eilanden is zeer vreemd en verdient het om uitgebreid te worden onderzocht”, zou hij later in zijn verslag schrijven. “De meeste organische voortbrengselen zijn autochtone schepsels en worden nergens anders aangetroffen. Er bestaan zelfs verschillen tussen de inwoners van de verschillende eilanden. Ze vertonen allemaal een duidelijke verwantschap met Amerikaanse soorten, hoewel ze van dat continent gescheiden worden door 1.000 kilometer open zee. De archipel is een wereldje op zich, of eigenlijk een satelliet van Amerika, waaruit een paar verdwaalde kolonisten zijn komen aanwaaien en waaraan het de algemene kenmerken van de inheemse soorten te danken heeft.”

Inventieve landleguanen

“Omdat je op eilanden sowieso veel minder soorten aantreft dan op het vasteland, kon Darwin de verschillen ook makkelijker opmerken”, vervolgt bioloog Frank Bungartz van het CDRS op Santa Cruz. “Op plaatsen met een grotere biodiversiteit zouden de verschillen tussen de spotlijsters wellicht niet zo opvallen.”Een bezoek aan Hawaï had hem dus waarschijnlijk ook kunnen inspireren, maar toch had de Galápagos een extra troef. Bungartz: “Toen Darwin de archipel bezocht, waren er ook nog echt grote verschillen tussen de eilanden. Weinig eilanden zijn zo goed bewaard gebleven als de Galápagoseilanden, omdat ze zo afgelegen en daardoor geïsoleerd waren, maar ook omdat de mens ze zo lang links heeft laten liggen. Zelfs lang na hun ontdekking bleven ze grotendeels onbewoond en werd de ecologie niet verstoord. Dat was in Hawaï al veel vroeger niet meer het geval.” Dat Darwin pas een tijd na zijn bezoek aan de archipel tot zijn baanbrekende inzichten kwam, blijkt niet alleen uit zijn onnauwkeurige collectie van dier- en plantensoorten, maar ook uit de volgende verzuchting in zijn verslag. “Het is het noodlot van de meeste reizigers dat ze weer moeten vertrekken, net op het moment dat ze ontdekken wat het interessantste is aan een bepaalde plek.”Hoe dan ook, biologen kunnen zich vandaag geen beter natuurlijk laboratorium voor de studie over de evolutie indenken dan de Galápagoseilanden. Zowel de spotlijsters als de vinken worden steevast aangehaald als voorbeeld om evolutionaire begrippen uit te leggen. “De voorouders van de huidige vinken arriveerden hier waarschijnlijk lang voor de andere vogels”, schetst ornithologe Birgit Fessl van het CDRS het evolutieproces. “Omdat zij de eerste waren om zich hier te settelen, troffen ze onontgonnen terrein aan: geen concurrenten en voedsel genoeg. Om elkaar niet te beconcurreren, zochten ze verschillende ecologische niches en specialiseerden ze zich in diverse domeinen. Sommigen legden zich toe op het eten van zaadjes, anderen op insecten, en nog anderen op de cactusbloesems. Of ze overleefden in een specifieke habitat zoals mangroves. Na verloop van tijd en door natuurlijke selectie ontwikkelden zich zo dertien nieuwe soorten, waaronder de plantenetende boomvink, de grote cactusvink, de spechtvink, de kleine grondvink en de mangrovevink.”Ook de zeeleguanen passen naadloos in dat plaatje. “Hun verre voorouders waren landleguanen die hier wellicht toevallig zijn gestrand”, vertelt Dries Hegel, coördinator van de natuurgidsen van Galapagos Explorer II. “Op de jongste eilanden, waar het land nog voornamelijk uit lava bestond, was voor die landleguanen soms weinig voedsel te vinden. De zeebodem was, vlak voor sommige kusten, daarentegen erg rijk aan algen. Op zoek naar voedsel zijn enkele landleguanen wellicht het water gaan opzoeken en vonden er wel eten. De leguanen die dat konden, kregen zo een concurrentieel voordeel. Na miljoenen jaren evolutie hebben hun nakomelingen zich ontwikkeld tot een nieuwe aquatische soort.”Blijft de vraag waarom reptielen de archipel zo overheersen. Waarom, zoals Darwin zei, er geen andere plek op aarde was waar zij zo compleet de plaats hadden ingenomen van de plantenetende zoogdieren. Behalve enkele knaagdieren had hij er geen landzoogdieren aangetroffen.“Reptielen konden hier veel makkelijker geraken, omdat ze veel beter bestand zijn tegen uitdroging dan zoogdieren”, verduidelijkt Frank Bungartz. “Je kunt je voorstellen dat een landschildpad geklemd op drijfhout de oversteek op zee zou kunnen overleven omdat die weken, tot zelfs maanden, zonder eten en drinken kan. Een zoogdier zou na enkele dagen omkomen van de dorst.”Wie hier wel raakte en zich kon aanpassen, vond een plek zonder roofdieren en kon zich naar hartenlust verspreiden. En zo mondde de kolonisatie van enkele continentale dier- en plantensoorten na miljoenen jaren uit in de meest bizarre en onbevreesde soorten ter wereld.Dat zoiets erg bijzonder is en niemand onberoerd mag laten, besefte Darwin toen al. “We (moeten) aannemen dat hier in het recente geologische verleden nog geen eilanden lagen. Zo lijken we hier, zowel in de ruimte als in de tijd, dichter bij dat indrukwekkende feit te komen, dat geheim der geheimen, namelijk hoe nieuwe schepsels op deze aarde verschijnen.”Bronnen: De proeftuin van de evolutie, Edward Larson; De onbekende Darwin, Steve Jones; De reis met de Beagle, Charles Darwin.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234