Zondag 05/12/2021

'De flamenco is de muziek van de toekomst'

Zangeres Esperanza Fernández en cantaor José Mercé sluiten op 3 oktober de flamencobiënnale in Sevilla af, geruggensteund door een heel orkest, met het voor de Bienal gecomponeerde Misterios del Santo Rosario. De biënnale begon op 4 september minstens even spectaculair met Carmen, de fameuze opera van Bizet, die Salvador Távora naar zijn flamenco-hand zette. Een maand lang lokt Sevilla van overal de liefhebbers van de flamenco, de aficionados, naar de hoofdstad van Andalusië.

Die Carmen is niets nieuws, zullen ze in Turnhout zeggen, want Távora kwam in april met zijn honderd bugels en trommelaars, zijn picador te paard, koren, zangers en dansers naar de Warande. Maar in Sevilla zaten we in de beroemde Sevillaanse arena. Midden in het stuk werd door twee stierenvechters te paard in een grandioze corridastijl een stier gedood. Die torero's, de gebroeders Domecq, gelden als de grootste specialisten van het ogenblik. Ze gaven een staaltje rijkunst en dressuur van de bovenste plank weg. De muziek kreeg een verbluffende dimensie toen Carmen op het bloed van de gevelde stier stierf. Hier werd nogmaals beklemtoond dat het stierengevecht en de flamenco altijd innig met elkaar verbonden zijn geweest.

In Sevilla verzamelen flamencoliefhebbers van over de hele wereld. We maakten kennis met een Indiase danseres uit Delhi, enkele Amerikaanse danseressen uit San Francisco (waar de meeste flamenco te beleven is, beweren ze), collega's uit Frankrijk, Nederland, Duitsland en Japan. Er waren vooral opvallend veel Japanse meisjes, die naar Sevilla waren gekomen om danscursussen te volgen. Waar bleven de Japanse mannen? "Die moeten werken," luidde het antwoord. Op sommige avonden was de Maestranza, een zaal met 1800 zitplaatsen, voor de helft gevuld met aandachtige, deftige Japanse dames, die gretig maar nogal weinig kritisch applaudisseerden. Dat geeft de Bienal wel een aparte sfeer: de respons is minder spontaan dan in de Andalusische peñas (flamencoclubs) en op de zomerfestivals. Wellicht hebben ook de hoge entreeprijzen daar wat mee te maken. Voor de modale Sevillaan is 4000 peseta's (duizend Belgische frank) voor een avondje in de Maestranza, en zelfs 500 frank voor een zitje in de knussere Lope de Vega, een theater als een bonbondoos, veel geld.

Zigeuners (gitanos) zagen we bijna uitsluitend op het goedkopere binnenplein van het Hotel Triana, en in de zigeunerfamilies leeft de flamenco toch nog altijd op de natuurlijkste en meest intense wijze. De aard van het programma zit er ook voor iets tussen. Dat binnenplein programmeert de traditioneelste zang (of cante), terwijl de grote zalen meer dans en groots opgezette spektakels aanbieden. Op de enorme bühne van de Maestranza twee stoelen neerzetten voor een zanger en zijn gitarist, dat oogt niet - of de zanger moet een buitengewone uitstraling hebben, zoals destijds Camarón de la Isla. Dus krijg je vooral dans en ambitieuze choreografieën in de Maestranza en de Lope de Vega, terwijl de zang naar de volkswijk Triana en - dit jaar voor het eerst - naar de prachtige tuinen van het Sevillaanse Alcázar verwezen wordt. In de bredere dreven van die tuinen, die zoveel klassieke componisten inspireerden, werden stoeltjes en een klein podium neergezet. Uiterst gezellig voor de eerste rijen, maar frustrerend voor wie verderop zit te reikhalzen, of tussen het gebladerte door moet kijken. Toch boden de zangers en gitaristen onder de dertig meter hoge palmbomen en de heldere sterrenhemel een enige aanblik.

Het verschil met de traditionele zomerfestivals die zowat overal in Andalusië flamenco aanbieden, hele nachten lang, zit in de duur en het concept. De optredens in het Alcázar waren rond middernacht afgelopen, en elk programma draaide om een thema. De allereerste avond was een hulde aan Jerez, nog steeds het vruchtbaarste flamencocentrum van Spanje, met zangers als Agujetas, Fernando de la Morena en La Paquera - een Paquera die velen bij zal blijven als de machtigste cantaora van de hele Bienal.

Een tweede avond stond in het teken van de flamenco-vrouw, met zangeressen als Inés Bacán, La Macanita, La Revuelo en Aurora Vargas. Een derde droeg als uithangbord Clásicos: beroemde zangers die in hun leven steeds de puurste cante uitgedragen hebben. In de eerste plaats Manuel Mairena, dé klassieker bij uitstek en broer van Antonio Mairena, die in de jaren vijftig zowat de grondlegger van de pure flamencorevival was; maar ook de nog steeds gedreven El Chocolate, Fosforito, de held van de jaren zestig en zeventig die vandaag helaas geen stem meer heeft, en José de la Tomasa, met zijn 47 jaar de jongste van de drie.

Jongeren krijgen hun kans in het Concurso, met de finale eind deze maand. Vorig jaar werden daar erg begaafde artiesten gelanceerd: Terremoto hijo bij de zangers, Niño Josele bij de gitaristen en Israel Galván bij de dansers. Terremoto zagen we dit jaar al op tournee in ons land, en Israel Galván treedt in deze Bienal al op als grote vedette. Wie dit jaar de prestigieuze trofee, de Giraldillo, zal binnenhalen, is nu nog niet uitgemaakt.

Een van de meest gesmaakte shows in de Maestranza was die van Mario Maya, geïnspireerd door de band tussen de Spaanse haven Cádiz en het overzeese Havana. Typische volksmuziek uit Cádiz wisselde af met Cubaanse songs en dansen. Links speelden de Cubanen en rechts de Andalusiërs. Geen fusie dus, maar een tegenover elkaar stellen van stijlen die elkaar door de eeuwen heen beïnvloed hebben. Hopelijk zien we die productie, en nog andere merkwaardige spektakels, weldra in ons land. Dat is ook de wens van de gloednieuwe directeur van deze Bienal, Manuel Herrera. "Om nieuwe producties voor de Bienal op poten te zetten, heb je ten minste anderhalf jaar nodig. Ook om de artiesten vast te leggen, want nu waren al enkelen bezet, zoals Cristina Hoyos, een van de grote afwezigen. Van de 40 producties zijn er 28 speciaal voor deze Bienal gerealiseerd. Het zou erg jammer zijn als ze alleen in Sevilla te zien zouden zijn. Mijn innige wens is dat ze op tournee kunnen gaan, nationaal maar ook internationaal. Deze Bienal zou een wereldmarkt moeten zijn, waar spektakels verkocht worden. Dat is nu nog veel te weinig het geval."

Ook nationaal wil Herrera de flamenco promoten. "Flamenco is de muziek van de toekomst en zal de grootste evolutie ondergaan zonder zijn eigenheid te verliezen. Daarvoor zitten de wortels te diep. Maar voor het ogenblik wordt flamenco vooral in het buitenland gewaardeerd. Hier kijken de conservatoria er nog op neer. Daar moet deze Bienal verandering in brengen."

André Fonteyne

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234