Zondag 18/04/2021

De familie heeft het altijd geweten: priester Dominique was géén pedofiel

Het Parijse hof van assisen sprak donderdag in beroep zes veroordeelden in het pedofilieproces van het Noord-Franse Outreau vrij. Daardoor zijn dertien van de zeventien initiële beklaagden in het proces nu officieel onschuldig. Een van hen is priester Dominique Wiel (67). In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot zeven jaar cel voor verkrachting, tot ook de kinderen die hem hadden aangewezen toegaven dat ze gelogen hadden. Wiel is niemand kwijtgespeeld. Zijn dertien zussen en broers hebben nooit getwijfeld aan zijn onschuld.

Pascale Robert-Diard

Het was een ochtend zoals zovele andere, bijna dag op dag vier jaar geleden. Een donderdag, Monique Wiel weet het nog goed. Ze was tijdens het ontbijt aan het bladeren in de plaatselijke krant. De titel viel haar meteen op: 'Priester-arbeider uit de streek van Boulogne gearresteerd.' Zijn naam stond er niet in, want die zou pas twee dagen later bekendgemaakt worden, maar Monique wist op slag dat het om haar broer Dominique ging.

Het Outreaufeuilleton beheerste al maanden het nieuws, natuurlijk had ze het gevolgd. De eerste personen die ondervraagd werden, waren de buren van Dominique op de vijfde verdieping van de Merlesflat in de Tour-du-Renardwijk. Dominique had over ze gesproken, hij kende ze goed, de familie Delay. Maar wat legde men haar broer dan ten laste? Pedofilie. Daar stond het woord, zwart op wit. Het was 15 november 2001, een datum die voor altijd in het geheugen van de Wielclan gegrift is.

De familie-Wiel is een stukje Nord-Pas-de-Calais op zich. De moeder was afkomstig uit Rijsel, de vader uit Saint-Omer. Zoals zijn vader en zijn grootvader vóór hem was Pierre Wiel in de familiezaak, een kleine schoenenfabriek, gestapt. Net zoals hen had ook hij zijn intrek genomen in het huis naast de fabriek. Maar op één vlak volgden hij en zijn vrouw het voorbeeld van de voorvaders niet: zowel hij als Marie-Antoinette hadden de vurige wens een kroostrijk gezin te stichten. Minstens twaalf, hadden ze elkaar beloofd op hun huwelijksdag. Het zouden er veertien worden: zeven meisjes, zeven jongens.

"Jean-Ja-Mo-Ma-Mi-Ber-Do-Jean-Ma-An-Co-Fran-A-B", dreunt Anne-Marie Wiel lachend op. Het is haar manier om al haar broers en zussen in de juiste volgorde op te noemen, een geheugensteuntje dat ze al sinds haar kinderjaren hanteert. Dominique is 'nummer zeven', zoals hij zichzelf noemt. Hij maakt deel uit van de 'middelsten', samen met Michel, Bernadette en Jean-Marie. Boven hen zijn er de 'groten', de inmiddels overleden Jean-Pierre, Jacques, Monique en Marie-Pierre, en onder hen de 'jongsten': Marie-Jo, André, Colette en François. En dan zijn er nog twee 'allerkleinsten': Anne-Marie en Bénédicte, 'de overschot', volgens Jean-Marie. Op de overleden Colette na en Bénédicte, die naar Parijs trok, is iedereen in de regio Nord-Pas-de-Calais blijven wonen.

Al vier jaar staat de Wielclan pal achter Dominique. Ze hebben hem nooit om uitleg gevraagd, geen enkele vraag gesteld. "Dat zou twijfel suggereren. Naar hem kijken en luisteren was genoeg voor ons", zegt Michel. Ze waren er voor hem, meer niet. Zoals toen hun moeder stierf, in 1995, op haar 89ste, na acht dagen ziekenhuis. Ze losten elkaar af bij het ziekbed; de laatste dag waren ze er allemaal. Zo, en niet anders gaat dat bij de Wielclan.

Toen Dominique Wiel net voor zijn ondervraging in de gevangenis het bezoek kreeg van een advocaat was hij dan ook niet verrast. De familie had hem gestuurd. "Ik heb nooit getwijfeld aan mijn familie. Ik was er zeker van dat ze er zouden zijn", zegt Dominique nu. Zo zeker zelfs dat hij vergat hen te bedanken. Hij zou dat pas afgelopen donderdag, 24 november 2005, doen in het hof van assisen van Parijs, waar hij moest verschijnen met de andere zes die tegen hun veroordeling in Saint-Omer in beroep waren gegaan. "Niemand van mijn broers en zussen heeft mij in de steek gelaten en daar ben ik ze dankbaar voor", zei hij simpelweg.

De broers en zussen van Dominique Wiel weten alles over de Outreau-affaire. Ze hebben de ontwikkelingen op de voet gevolgd, van bij het begin van het proces lossen ze elkaar in groepjes van vier of vijf af in de rechtszaal. Die dag, donderdag 3 november, zijn ze er ook. Je kan moeilijk naast hen kijken: dezelfde lichte ogen, dezelfde langwerpige gezichten, de mannen slank en rijzig, de vrouwen tenger. Ze hebben zich goed georganiseerd voor de vijf weken die het proces zal duren. Monique, de oudste van de meisjes, en haar twee andere gepensioneerde zussen, Marie-Pierre en Bernadette, zijn er elke dag. Ze verblijven in een appartement van een vriendin van de familie in Parijs. De anderen komen als ze kunnen.

Monique, 74, heeft zich voor de gelegenheid zelfs een gsm aangeschaft. Ze heeft het ding nog niet echt onder controle - ze raakt vaak in de knoop met de kleine toetsjes en durft wel eens een oproep te missen -, maar toch moet ze bekennen dat hij goed van pas komt. Zoals in de avond van woensdag 16 november, toen de gsm maar bleef rinkelen. Radio en televisie hadden gemeld dat de twee jongens die Dominique Wiel van aanranding beschuldigden toegegeven hadden dat ze logen. Vrienden en familie wilden allemaal horen of het nieuws wel degelijk klopte.

Op die bewuste avond dineerden de zussen eindelijk nog eens met Dominique. Voor het eerst was het einde van de tunnel in zicht. "Ik heb jullie gewaarschuwd dat het lang zou duren, dat er tijd nodig zou zijn voor de rede weer kon komen bovendrijven", zei hij toen. "Dat klopt, hij bleef dat maar herhalen, maar wij begrepen dat niet", geeft Marie-Pierre toe. Dominique plantte zijn lippen in een glas bier, bekeek zijn naïeve zussen eens uitdagend met de arrogantie van een oude broer en zei toen: "Zie je wel dat ik gelijk had!" Bernadette richtte haar wijsvinger naar de hemel en mompelde: "Ik denk dat vooral onze ouders hierboven gelukkig zijn."

Toen begonnen de drie zussen te praten over die dertig verschrikkelijke maanden, alsof het al heel lang geleden was. Hoe zij en hun broers drie keer per week voorbij de hekken van de gevangenis van Fleury-Mérogis schuifelden, waar hun broer was opgesloten. "We hebben geen enkel bezoekuur gemist", zeggen ze trots. Monique regelde de 'planning'. "Iedereen vertelde wanneer hij of zij kon, als er gaten waren, dan deed ik een beroep op de gepensioneerden." Om de reglementaire drie kwartier te reserveren was ze vaak een hele dag aan de telefoon gekluisterd, voor iemand in de strafinstelling de moeite deed om op te nemen. Na elk bezoek werd bij haar thuis verslag uitgebracht.

Om een en ander te vereenvoudigen stelden sommige broers en zussen het internet voor en e-mail. Maar dat zag Monique niet zitten. "Een beetje vanwege mijn leeftijd, maar vooral vanwege de kosten". Waarop Marie-Pierre, ooit lerares lichamelijke opvoeding, uitroept: "Ik heb me een computer aangeschaft en heb tegen mezelf gezegd: je bent niet dommer dan de anderen, ook jij kunt dat."

Zoals alle verwanten van gedetineerden heeft ook de familie Wiel kennisgemaakt met de lange wachtrijen voor de gevangenis, het geratel van hekken die opengaan en zich achter je sluiten. Allemaal herinneren ze zich die paar minuten vooraf waarin mensen even kwamen informeren of alles goed was met hun broer. "Ik heb hem maar één keer zien wenen", vertelt Marie-Pierre. "Het was op de dag dat de rechter de aanklachten wegens bestialiteiten, foltering en wreedheid had toegevoegd. Hij zat daar maar, bij de ingang van de bezoekruimte, lijkbleek. Hij wierp zich in mijn armen en is in wenen uitgebarsten."

Bénédicte herinnert zich vooral de dag waarop ze dezelfde trein als haar broer nam. Hij was - tevergeefs - naar Saint-Omer gereisd om een verzoek tot invrijheidstelling in te dienen en werd tussen twee politieagenten in weer naar Fleury-Mérogis gebracht, geboeid. "Ik kreeg toelating om bij het vertrek één minuut met hem te praten. Toen de trein in Gare du Nord aankwam, ben ik naast hem gaan lopen. Hij hing met boeien vast aan twee agenten. We liepen zij aan zij op het perron, met opgeheven hoofd."

De familie heeft zich ook georganiseerd om de advocaat te betalen. François, de jongste van de jongens, werd spontaan penningmeester. Iedereen gaf wat hij of zij kon missen, alleen François wist hoeveel dat was. De rekening 'Wiel en Co', die tot dan toe alleen was gebruikt om familiefeesten te organiseren, werd gereactiveerd. Bernadette nam de correspondentie en het paperassenwerk op zich.

Michel, Anne-Marie en Jean-Marie communiceerden ook in naam van alle anderen met de advocaten. De twee priesters, Jacques en Michel, hielden daarenboven contact met de confraters en de kerkelijke hiërarchie van Pas-de-Calais.

Dominique Wiel is in feite de derde en jongste priester van de familie-Wiel. Drie roepingen, "drie generaties kerk", zei hun vader." Eén links, één rechts", vat Jean-Marie samen. "Ik ben de klassieke", zegt Jacques (75), die tot ergernis van zijn zussen nog altijd een priesterboord draagt. Hij was tien jaar lang leraar aan het grootseminarie van Arras, waar hij zelfs lesgaf aan zijn broer Dominique. Daarna was hij parochiepriester in verscheidene grote steden van Nord-Pas-de-Calais.

Michel is 71 en heeft een ander pad bewandeld. "Ik was op mijn tiende al van plan om in te treden, maar ik heb het pas aan mijn ouders verteld op het einde van de humaniora." Het was midden de jaren vijftig en Michel keek in de industriële regio die 'Le Nord' was vooral op naar de militanten van de Jeunesse Ouvrière Catholique (de katholieke arbeidersjeugd) en de Action Catholique Ouvrière (de katholieke arbeidersactie). "Ze beleden het evangelie op een heel concrete manier, ze wilden het in de praktijk brengen in het dagelijkse leven, zo dicht mogelijk bij de mensen."

Michel werd aalmoezenier voor de arbeiders en daarna nationaal verantwoordelijke van de Jeunesse Ouvrière Catholique. Tijdens het proces verbleef Jacques bij iemand van zijn orde. Michel daarentegen logeerde in de Parijse zetel van de Action Catholique Ouvrière in Saint-Germain-des-Près. Hij voelde zich erg verwant met Dominique. Die werd in 1967 gewijd, maar besliste al meteen priester-arbeider te worden. Mei 1968 had daar veel mee te maken. In die periode vielen de jongens van de Wielclan uiteen in twee strekkingen. Sommigen sloten aan bij de industriële en commerciële traditie van de familie, anderen zoals Dominique en Michel kozen de zijde van de arbeiders.

Het spreekt dan ook voor zich dat de gebeurtenissen in de lente van 1968 binnen het gezin-Wiel niet door iedereen op dezelfde manier beleefd werden. "Ik voelde toen toch een zekere afstand ten aanzien van mijn broers en zussen", herinnert Michel zich, "maar dat heeft nooit echt voor problemen gezorgd. In onze familie hebben we altijd respect opgebracht voor elkaars keuzes. Onze ouders hebben ons nooit het gevoel gegeven dat we iets moesten bereiken in het leven, ze hadden geen maatschappelijke ambitie voor ons. Hun enige trots was dat ze een groot gezin op de wereld hadden gezet."

De vrouwen beamen. "We hebben nooit het gevoel gehad dat we tot de bourgeoisie behoorden", oppert Bernadette. "Het enige wat we met die klasse gemeen hadden, was dat we naar katholieke privéscholen zijn gegaan. Iets anders was ondenkbaar. Daartegenover stond dan weer dat onze ouders ons nooit verplicht hebben om te studeren." Aan de oudste drie, Monique, Marie-Pierre en Bernadette, hebben de ouders zelfs gevraagd om één jaar op te offeren, om hen te helpen met het huishouden en de opvoeding van de jongste kinderen.

Op werkgebied lag het voor de hand dat de Wielmeisjes iets sociaals zouden doen. "In feite zijn we allemaal een beetje priester-arbeider op onze manier", lacht Monique. Zij begon ooit als gezinshelpster bij moeders met problemen.

Hoe nauw de familiebanden ook zijn, het was pas in het hof van assisen van Pas-de-Calais in Saint-Omer dat de clan-Wiel de wereld van Tour-du-Renard leerde kennen. Over de precieze leefwereld van Dominique wisten zijn elf broers en zussen weinig of niets. Dominique miste zelden een familiefeest - met de kinderen en kleinkinderen erbij zijn ze minstens met honderd - maar hij nodigde bijna nooit iemand uit bij hem thuis.

Anne-Marie herinnert zich dat ze er één keer onverwachts was binnengevallen en dat ze erg geschrokken was van de slechte staat van het appartement. Jean-Marie, die 18 maanden verschilt met Dominique en het altijd goed met hem heeft kunnen vinden, vertelt dat hij zijn broer wel vaker met de wagen terugbracht na een familiefeest. Dominique vroeg hem toen altijd om hem af te zetten redelijk ver van de wijk waar hij woonde. "Hij wilde niet dat mensen in Tour-du-Renard hem in een Mercedes zouden zien", zegt Jean-Marie. Toen hij hem eens thuis wilde ophalen, bedacht hij zich dat hij zelfs het exacte adres niet kende. "Ik ben tot de derde verdieping gegaan en ben toen teruggekeerd. Ik dacht: dat is onmogelijk, hier kan het niet zijn."

Toch is het daar dat Dominique Wiel morgen weer wil gaan wonen. Volgens hem zullen zijn broers en zussen nu wel vaker "een koffie komen drinken". Als je hem vraagt of er in die vier jaar iets veranderd is tussen hen, antwoordt hij verbaasd: "Waarom zou er iets veranderd zijn? We zijn een gezin, we helpen elkaar." Zo gaat dat bij de Wielclan, en niet anders.

© Le Monde

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234