Zondag 19/09/2021

De fabriekjes van de evolutie

Encantadas! Behekst, zo werden de Galápagoseilanden ooit bestempeld. Maar wie door Darwins bril kijkt, ziet vooral de betovering van de evolutie. Een ander scheppingsverhaal. Bloemen ontpopten zich hier tot bomen, aalscholvers verleerden er het vliegen, schildpadden groeiden uit tot reuzen. En blauwvoetgenten voeren er voor je voeten een paringsdans uit. Door Nathalie Carpentier

Even knipperen tegen de verblindende evenaarszon of daar tekent zich vlak voor onze ogen een zeldzaam mooi tafereeltje af: twee Galápagosaalscholvers zitten ongestoord te broeden op de scherpe rotskust. “Elke dag zeulen ze nestmateriaal aan om hun eieren te beschermen tegen de harde lava”, wijst de natuurgids van het schip Galapagos Explorer II. “Wat algen, stukjes zeewier, zelfs zeesterren. Ze sprokkelen het niet bijeen op land, ze duiken het op uit de oceaan.”Zeldzaam is dit plaatje om meer dan één reden. Zo bevindt dit lieflijke duo zich wel erg ver van de gebruikelijke habitat van de aalscholverfamilie. Langs de Zuid-Amerikaanse westkust vind je miljoenen zulke vogels, op eilanden diep in de oceaan zal je ze zelden of nooit ontmoeten. Liefst van al wijken deze vogels immers niet te ver af van het vasteland.Dit zijn dan ook geen gewone aalscholvers, dit zijn niet-vliegende aalscholvers, de enige leden van de familie die het vliegen verleerd zijn. Hun vleugeltjes zijn niet meer dan korte stompjes die een beetje zielig naast hun lijf hangen, zelfs hun vliegspieren zijn gereduceerd. Ze slaan ze nog uit om in balans te blijven bij hun trippeltocht over de rotsen of ze proberen er het andere geslacht nog mee te bekoren bij hun paringsdans.“Ze hadden geen vleugels meer nodig”, zegt onze gids. “Toen hun voorouders hier arriveerden, landden ze op een eiland zonder roofdieren. Dan was vliegend vluchten niet meer nodig. En vlak voor de voedingsrijke kust vonden ze duikend in zee eten genoeg.” Of zoals Charles Darwin het zou zeggen: met de tijd evolueerden toevallig gestrande gasten zo dat ze geschikt werden voor de omgeving, nakomelingen met die aangepaste kenmerken maakten meer kans om te overleven, natuurlijke selectie en isolatie deden de rest.Je vindt deze vluchtloze aalscholvers enkel en alleen hier, op een kuststrook van amper 370 kilometer lang op enkele eilanden duizend kilometer ver van Ecuador. Dit is land ‘geboren’ uit de kolkende diepte van de zee, relatief jong, eeuwenlang afgezonderd van de bewoonde wereld en in een niet eens zo heel ver verleden nog onontgonnen terrein voor plant en dier. Ziedaar een ideale plek voor een origin of species. Of zoals eminent Darwinkenner en evolutiebioloog Richard Dawkins het omschrijft: “Archipels zijn fabriekjes voor de evolutie van soorten en de Galápagoseilanden zijn in die categorie de kers op de taart.”

Blown in the wind

Elk dier en elke plant die je hier vandaag ontmoet, is een ‘recente’ immigrant in geologische termen. De eerste nieuwkomers die hier aanspoelden of op andere krachten arriveerden, hadden het rijk voor zich. Wie genoeg voedsel vond en zich kon aanpassen aan de omgeving, kon zich vaak ongebreideld verspreiden. Want veel natuurlijke vijanden waar ze op het vasteland tegen moesten knokken, vonden ze hier niet op hun weg.Die combinatie van ingrediënten zette de deur open voor de meest bizarre ontwikkelingen die elders meteen in de kiem gesmoord zouden worden. “Een mooi voorbeeld is Scalesia pedunculata, de Darwinvink onder de planten”, glimlacht Frank Bungartz, verantwoordelijke van de speciesdatabase van het Charles Darwinonderzoeksstation op het eiland Santa Cruz. “Scalesia behoort tot de familie van de paardenbloem, de distel en het madeliefje. Planten die elders gewone bloemen blijven, wisten hier uit te groeien tot heuse bomen. Hier vind je bossen van ‘madeliefjesbomen’.”Hun kleine zaadjes laten zich gemakkelijk kilometers ver meedrijven op de wind. Bungartz: “Een forse windstoot kan die zaadjes van het vasteland naar de Galápagoseilanden hebben geblazen. Zij kwamen hier vermoedelijk als een van de eerste planten aan, eenmaal hier was die kruidachtige voorouder van de ‘madeliefjesboom’ de koning te rijk.”Ze troffen een grotendeels onbegroeid gebied aan. Niches die op het vasteland al lang waren ingepalmd door andere of beter uitgeruste soorten waren hier nog vacant. Zelfs de plek gereserveerd voor de bomen was nog vrij. Een vlucht via de lucht van duizend kilometer is voor zaden van klassieke ‘boom’vormende soorten immers bijna een mission impossible, over zee is al evenmin een optie. Bungartz: “Flexibel als ze zijn, heeft scalesia zich aangepast en aanwezige hiaten erg succesvol bezet.”Vandaag vind je op de Galápagoseilanden vijftien verschillende soorten scalesia die nergens anders ter wereld voorkomen. Onderling verschillen ze sterk, van struiken kleiner dan een meter tot fors uitgeschoten bomen van meer dan tien meter hoog. Wie goed kijkt, herkent sporen uit het verleden, zegt plantkundige Rachel Atkinson van het CDRS. “De ‘madeliefjesboom’ gedraagt zich misschien wel als een boom, morfologisch blijven de planten erg jong. Ze schieten heel snel op, groeien vliegensvlug, maar sterven ook jong. Doorgaans worden ze niet ouder dan tien jaar, wat piepjong is voor een boom.”

Armetierig onkruid

Bij zijn bezoek in 1835 stelde de lokale flora Charles Darwin, de man die de Galápagosarchipel en zijn inwoners wereldberoemd zou maken, aanvankelijk diep teleur. Nochtans was hij meteen geestdriftig planten beginnen verzamelen. Maar het leverde hem bitter weinig op. “Alle planten zien er miezerig en onkruidachtig uit en ik heb geen enkele mooie bloem gezien”, schreef hij ontgoocheld in zijn reisverslag. “Het armetierige onkruid past beter bij een arctische dan een equatoriale flora.” Die negatieve kijk zou radicaal omslaan, zeker toen hij de resultaten te horen kreeg van zijn vriend en begenadigd plantkundige Joseph Hooker, aan wie hij zijn Galápagoscollectie had toevertrouwd. Lichte hoon werd verrukte verwondering. “De flora van deze eilandengroep is al minstens zo interessant als de fauna”, schreef hij in zijn bijgewerkte verslag. “Onder de bloeiende planten vinden we honderd nieuwe soorten en die komen waarschijnlijk alleen op deze archipel voor. Dat honderd van de honderd drieëntachtig bloeiende planten nieuw zijn, is voldoende reden om de Galápagosarchipel als een afzonderlijke botanische provincie te beschouwen.”Jaren en veel denkwerk over zijn beroemde theorie over het ontstaan van soorten later zou Darwin stellen dat de hoge frequentie unieke soorten van de Galápagosarchipel waarvan er vele nauw aan elkaar verwant zijn “te verwachten was op grond van zijn evolutietheorie”, citeert historicus Edward Larson hem in zijn boek, “aangezien soorten die af en toe en met grote tussenpozen een nieuw en geïsoleerd gebied bereiken en die moeten concurreren met nieuwe lotgenoten, aan veel veranderingen onderhevig zijn. En zij zullen vaak groepen gewijzigde nakomelingen voortbrengen”.

Duizenden zadelruggen

Maar veel meer nog werd Darwin getroffen door “het opmerkelijkste aspect van de natuurlijke historie van deze archipel: dat verschillende eilanden door verschillende soorten worden bewoond”. Zelf had hij er “aanvankelijk geen moment bij stilgestaan dat eilanden die slechts vijftig of zestig mijl van elkaar lagen, en die elkaar ook vaak in zicht hebben, en uit precies dezelfde soorten gesteente bestonden, en precies hetzelfde klimaat hadden, en allemaal ongeveer even hoog waren, toch andere diersoorten hadden.”Lokale verhalen hadden hem aan het denken gezet. Zo had de vicegouverneur hem verteld “dat de verschillende eilanden verschillende schildpadden hadden en dat hij zonder aarzelen kon zien van welk eiland een schildpad afkomstig was”. Van alle vreemde bewoners spreken die ‘voorwereldlijke’ reuzen al eeuwenlang het meest tot de verbeelding. In die tijd liepen er vele duizenden van deze logge reptielen rond.De eilanden dragen zelfs hun naam. Galápagos betekent ‘zadel’ en verwijst naar de vorm van het schild van een van de soorten. “Je hebt hier twee grote types: die met een koepelvormig schild en die met een zadelvormig schild”, vertelt Washington Tapia, verantwoordelijke van de schildpadden bij het Galápagos Parque Nacional. “De koepelschildpadden leven in het hoogland van de grote eilanden, de zadelrugsoorten vind je op de kleinere eilanden. Enkel op de vulkaan Cerro Azul op Isabela vind je een soort met intermediaire schildvorm. Ze hebben kenmerken van beide types, maar hun schild is noch een koepel, noch een zadel, het is vlak.”Ook de schilden ontwikkelden zich wellicht als antwoord op de verschillende omgevingen op de eilanden. “De vooraan omhooggebogen zadelrug is vrij uniek”, vult bioloog Frank Bungartz van het CDRS aan. “Zo kunnen de reptielen met hun lange nek verder reiken naar hoger gelegen voedsel op de extreem droge kleinere eilanden.”“Zoiets kon zich alleen ontwikkelen en stand houden in een gebied waar de schildpad geen vijanden heeft. Als bescherming trekken ze zich immers terug in hun schild, met zo’n zadelrug kan een wilde kat er nog makkelijk bij. Koepelschildpadden hoeven hun nek niet uit te kunnen steken, in het vochtiger hoogland van de grote eilanden vinden ze laaggroeiende vegetatie genoeg.”Ook Darwin stond versteld van de reusachtige afmetingen van de trage reptielen, “sommige zijn zo groot dat je zes of acht man nodig hebt om ze op te tillen”. Nog een teken dat de reptielen hier volledig de plaats hebben ingenomen van de bijna totaal afwezige landzoogdieren die de archipel simpelweg niet konden bereiken.Uit genetische studies blijkt dat de giganten allemaal geëvolueerd zijn uit één vooroudersoort, vermoedelijk aangespoeld op drijfhout vanuit Zuid-Amerika. Geïsoleerd op verschillende eilanden ontwikkelden zich later verschillende soorten, soms zelfs meerdere soorten op gescheiden plaatsen op één eiland. “Op het eiland Isabela leven vijf verschillende soorten, één voor elke vulkaan”, aldus Tapia. “Vroeger telde de archipel veertien soorten van de reuzen, vandaag zijn het er nog maar elf.” Ze zijn met een pak minder dan vroeger, maar wie er één ziet, staat nog steeds paf.

Ingehaald door een pinguïn

Een dag later, vlak voor de kust van Bartolomeuseiland, gewapend met snorkel en masker. Een school donkerblauwe vissen breekt open, sluit zich weer rond een slingerende sliert geelstaartige doktervissen. De nieuwe blauwe school met het gele oog danst verder, als in een kleurrijke onderwaterchoreografie waar de danspartners voortdurend wisselen maar de dans nooit stopt. En dan plots, gepeddel achter ons. Pffrrt. Als de zwemmer al bijna uit het zicht is verdwenen, dringt het pas door: we werden zonet voorbijgestoken door een pinguïn.Nee, niet alleen bovengronds is de archipel betoverend. De eilanden zijn ook slechts het zichtbare topje van een uitgestrekt, maar onderzees massief Galápagosplatform, schetst klimaatdeskundige Stuart Banks van het CDRS de onderwaterwereld. “Helemaal bijzonder is dat het enorme vulkanisch gebied ook nog eens op een kruispunt ligt van verschillende grote oceaanstromen.”“De Panamastroom voert warm tropisch water aan uit Panama, de Humboldt brengt kouder water aan dat opwelt vanaf de kust van Zuid-Amerika én helemaal uit de andere kant wordt de Crumwell naar het oppervlak geduwd. Normaal stroomt die ongeveer vijftig meter onder de zeespiegel maar ter hoogte van Isabela en Fernandina botst die watermassa met al zijn kracht tegen het Galápagosplatform, dat daar een muur vormt van ongeveer twee kilometer diep.”“De botsing stuwt het koude water naar boven, waar het voor het eerst aan de oppervlakte komt. Dat koude oceaanwater is rijk aan nutriënten. Zodra het licht ermee in aanraking komt, begint het bijna te glinsteren van leven met een enorme productiviteit tot gevolg.”Die ongewone combinatie van koude, maar ook tropisch warme en voedselrijke wateren is niet minder dan een paradijs voor erg divers marien leven. “In het verre noorden zorgt het voor tropische koraalgemeenschappen met rif- en hamerhaaien, in het westen krijg je dan weer een systeem van micro-algen dat massaal veel zeeleguanen aantrekt.”Het betekent ook dat je er vreemde vogels zoals de Galápagospinguïn treft, de enige pinguïnsoort die permanent in de tropen leeft en niet vlak bij zuidelijke continenten en subantarctische wateren. Aangenomen wordt dat het een afstammeling is van de veel grotere Humboldtpinguïn die de koude Humboldtstroom noordwaarts is gevolgd, bij de Galápagos een overvloed aan voedsel vond en zich gaandeweg heeft aangepast.Op het tropische land blijft het met hun isolerende veren uitkijken geblazen, de diertjes moeten hun lichaamstemperatuur zorgvuldig controleren. Ze blijven met hun voeten in de schaduw en houden hun vleugels wat van hun lichaam om af te koelen met de wind. De Galápagossoort heeft de kortste veren van alle pinguins, waardoor ze watertemperaturen tot 28 graden kunnen verdragen. En dat is geen overbodige luxe.

Gevangen met de blote hand

En dan is er nog een aspect aan het leven op de archipel dat bezoekers vrij snel charmeert: de meeste dieren vluchten niet weg. Of zoals Darwin in zijn reisverslag schreef: “Ik zal mijn uiteenzetting over de natuurlijke historie van deze eilanden besluiten met een beschrijving van de extreme tamheid van de vogels.”Een karaktereigenschap die alle landvogels met elkaar gemeen hadden, merkte hij op. De spotlijsters, de vinken, de duiven, de aasetende buizerds, allemaal waren ze “zo dicht te benaderen dat ze met een takje doodgeslagen kunnen worden, of soms zelfs met een pet of een hoed, zoals ik zelf gedaan heb.”Dat laatste is vandaag, door de strikte en zeer terechte regels die het Parque Nacional bezoekers oplegt, uiteraard ontoelaatbaar. Maar erg tam en onbevreesd voor de mens zijn veel dieren nog steeds. “Een van onze lokale vrijwilligers heeft deze week zelfs met haar hand een grondvink in de vlucht kunnen vangen”, vertelt ornithologe Birgit Fessl. “Ze beweerde dat ze dat altijd zo deed, van kindsaf had ze het zo geleerd.”Het bezorgt bezoekers onvergetelijke ervaringen die normaal enkel voorbehouden zijn voor de betere en vooral uitermate geduldige natuurfotograaf of bioloog. Op Noord-Seymour, zeg maar gerust flirteiland voor vogels, zie je op nog geen twee meter afstand overal om je heen fregatvogels hun rode borstzak opblazen om de wijfjes te imponeren. Eén mannetje heeft geluk: een wijfje strijkt naast hem neer. Prompt begint hij met zijn vleugels te klapperen en trommelt met zijn snavel op zijn borstzak.“Het wijfje zal het mannetje verkiezen dat zo het diepste trommelgeluid kan maken, want de gezondheid van het mannetje bepaalt de omvang van de zak”, vertelt onze gids. “Hoe groter, hoe dieper de trommel, hoe sterker het mannetje. Als het nest dat hij gebouwd heeft, haar ook nog bevalt, zal ze hem kiezen als partner.” Wat tot ieders verrukking ook vlak voor onze ogen gebeurt.Amper een meter verderop vechten twee blauwvoetgenten hun hilarische strijd uit om een wijfje. Ze steken hun ene felblauwe voet in de lucht, daarna de andere, weer de linkse en weer de rechtse. En als dat schouwspel niet volstaat, klappen ze hun vleugels open, steken hun staart loodrecht in de lucht, gooien hun hoofd in hun nek en beginnen te fluiten. Het wijfje kijkt, draait zich om en stapt weg. Maar ze geven niet op. Er zijn nog andere gegadigden voor wie ze hun paringsdansje kunnen uitvoeren: wij. Hilarisch, als het niet ook een beetje tragisch zou zijn, zoals Darwin al begreep: “Blijkbaar hebben de vogels van deze archipel nog niet geleerd dat de mens een veel gevaarlijker dier is dan de schildpad of de zeeleguaan.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234