Maandag 17/02/2020

De exotiek van wat we kennen

Zijn Japanse uitgever voelde Japan in De helaasheid der dingen. Waar precies weet Dimitri Verhulst niet. Maar het illustreert voor hem wel dit: ‘Als je zo dicht mogelijk bij jezelf blijft, dan kun je een universeel verhaal brengen.’ Ook daarom overstijgt Rundskop, de film van Michaël R. Roskam, de Vlaamse grond. Maar een film over boeren is daarom nog geen ‘boerenfilm’. ‘De term heeft me altijd gestoord’, zegt filmmaker Marc Didden. ‘Omdat hij denigrerend is voor cineasten. En voor de boeren.’

In 1983 sloot De vlaschaard het filmfestival van Berlijn af en won Vic Moeremans in Rotterdam een Gouden Kalf als beste acteur. Helemaal vergeten is het. De Vlaschaard? Boerenfilm. Zoals Mira. En Het gezin Van Paemel. De Witte ook, en Boerenpsalm. Allemaal boerenfilms.

Nog iets wat iedereen zegt: Brussels by Night was het keerpunt. “Wel”, zegt Marc Didden, regisseur van dat keerpunt, “dat van die boerenfilms begon zo op mijn zenuwen te werken dat ik het eens opgezocht heb. Sinds begin vorige eeuw zijn in België misschien 300 films gedraaid, hooguit zeven daarvan waren ‘boerenfilms’. En dan werd die term eigenlijk vooral gebruikt door mensen die je nooit in de cinema zag. Mensen die wel open stonden voor exotiek op het festival van Cannes, maar steigerden van zodra iets van eigen bodem kwam.”

De synopsis van Michaël R. Roskams film zegt het zo: “Rundskop is een misdaaddrama over boeren en gangsters tegen de achtergrond van de Belgische hormonenmaffia”. Gefilmd in Velm ook nog, vlak bij Sint-Truiden. “Maar ik zou huiveren mocht iemand het etiket ‘boerenfilm’ in pejoratieve betekenis op deze film kleven”, zegt regisseur Jan Verheyen. “Zoals ik vind dat dat sowieso niet zo moet gebruikt worden. Je mag niet vergeten dat in de jaren ’70, toen die films gedraaid werden, alle macht bij de Vlaamse Filmcommissie zat. Een commissie die, net als de BRT toen, bezig was met cultuur als volksverheffing. De sleutel om subsidies te krijgen lag in de verfilming van het grote Vlaamse literatuurverleden. Als je met Stijn Streuvels of Gerard Walschap aankwam, was de kans gewoon heel groot dat je geld kreeg. Dat werd aangemoedigd.”

De verfilming van wat Marc Didden de ‘literaire evergreens’ noemt, werd in die periode de specialiteit van de vorig jaar overleden producent Jan Van Raemdonck. Op zijn palmares vind je ze allemaal terug: Mira, De loteling, Pallieter, De vlaschaard, Het gezin Van Paemel. “Bij de Filmcommissie was het klimaat inderdaad goed voor die films”, zegt Didden. “Maar we waren daar geen uitzondering in. Elk volk doet aan het verfilmen van z’n eigen patrimonium, je vindt dat van Zweden tot in Portugal. Ik ga niet mee in het verhaal dat het allemaal goed is omdat het van bij ons komt. Maar het geheugen van mensen is soms kort en men vergeet hoe kwaliteitsvol het werk van mensen als Roland Verhavert, Harry Kümel, Stijn Coninx of Frank Van Passel is.”

“Waarom we dat vergeten? Omdat het absoluut niet hip was om een Vlaamse film goed te vinden”, zegt Jan Verheyen. “Als vijftienjarige werd je nog liever dood aangetroffen in een duister junkhol dan dat je werd opgemerkt in een zaal waar Het gezin Van Paemel werd gedraaid. De pers keek erop neer, dat was bon ton, de schotten tussen theater en film waren zeer hoog. Natuurlijk is de filmwereld in ons land nu rijker en diverser dan toen en heerst er binnen de media een heel andere sfeer, maar ik neem het nog altijd graag op voor de films van toen.”

Van John Wayne tot de Coen-broers

Vraag is: in hoeverre is Rundskop een erfgenaam van die cinematraditie. Of nog beter: in hoeverre wil de nu al veel geprezen film van Roskam dat zijn? Bij co-producent Eyeworks zit iemand die daarover een droom had. “Vijf jaar geleden waren we al bij Michaëls project betrokken, toen heette het nog The Fields”, zegt Peter Bouckaert van Eyeworks. “Eén van mijn dromen was altijd om ooit een boerenfilm te produceren, maar dan een film die voor de boerenfilm bij ons zou zijn wat Unforgiven voor de western is geweest. Western was in Amerika lange tijd ook vieux jeu, iets waar niemand zich nog wilde aan wagen. Tot Clint Eastwood met een eigentijds verhaal kwam, van een gehavend personage, iemand die met een drankprobleem worstelde, in geen geval een type John Wayne.

“Rundskop is dat voor mij in elk opzicht geworden. Tegelijk een oer-Vlaamse film en tegelijk ook niet.” Verheyen kan daarin volgen. “Western is inderdaad een gevaarlijk genre, maar de Coen-broers hebben zich er toch aan gewaagd en daar is nu True Grit uit gekomen. Het kan dus: een goed verhaal is een goed verhaal.”

Oer-Vlaams, zegt Bouckaert, ongetwijfeld door die boerderij in een klein Limburgs dorp, maar zeker door het scenario. Roskam zelf, opnieuw in de synopsis: “Wie de zaak Van Noppen kent, zal in de film een aantal herkenbare elementen vinden, maar Rundskop is absoluut geen dramatisering van deze moordzaak. “Het is geen verfilming van de moord op Karel Van Noppen, maar Michaël heeft zich er wel door laten inspireren”, zegt Jan Verheyen. “In Vlaanderen is zo'n verhaal torn from today’s headlines vrij uitzonderlijk, je vindt eigenlijk alleen Willem Wallyns Film 1 als precedent.”

Volgens Peter Bouckaert gaat het om nog iets meer. “Sinds Brussels by Night, nog altijd onze eerste stadsfilm, is er een andere tone of voice ontstaan en in het spoor daarvan zijn veel jonge filmmakers in Brusselse of Antwerpse artistieke kringen blijven hangen. Waar helemaal niks mis mee is, laat dat duidelijk zijn. Michaël is net zo goed een man van de wereld. Maar hij is 38, heeft een boel maturiteit en is voor zijn film vooral gaan putten uit zijn eigen leefwereld. Een wereld die voor veel stedelingen niet representatief is, maar die diep in West-Vlaanderen of in Limburg wel nog altijd de realiteit en herkenbaar is. Dat zit allemaal nog in onze genen. Die authenticiteit van uit de klei getrokken personages, met een overlevingskracht waarin de poëzie van de rauwheid schuilt, vind je in Rundskop. Waardoor de film inderdaad aansluit bij de traditie van de boerenfilm en toch vernieuwt. Zoals Unforgiven dus deed.”

Authenticiteit: schrijver Dimitri Verhulst nam er een patent op en De helaasheid der dingen, in boek en film, werd er een bijzonder succes mee. “Al las ik vandaag nog in een Franstalige krant dat in La Merditude des Choses (de Franse vertaling van zijn boek en film, RVP) acteurs met een ‘sappig Antwerps accent’ praatten”, vertelt Verhulst. Waarmee meteen het exotische karakter geïllustreerd is. Maar boek en film speelden zich dus af in het Aalst van Verhulsts jeugd, wat niet belette dat ze ook voorbij de grenzen scoorden. “Het is heel nuttig om te denken dat je totaal niet origineel zal zijn”, zegt Verhulst. “Want alleen dan, als je in eer en geweten zo dicht bij jezelf blijft, kun je een universeel verhaal brengen. Het zou totaal ongeloofwaardig zijn mocht ik een verhaal situeren in het kosmopolitische New York. En dat moet ook niet. Deze zomer verschijnt De helaasheid der dingen in Japan en de uitgever daar zei: ‘Ik voel Japan in het boek’. Ik weet niet waar hij dat voelt, maar het bewijst voor mij dat iets moois kan ontstaan als je iets maakt wat des mensen is. Waarom zou ik een personage uitvinden als ik zelf als personage geloofwaardiger ben?”

Dat geldt, zegt Verhulst, niet alleen voor je persoon maar dus ook voor je geschiedenis. “Je kont keren naar je geschiedenis is niet goed. “Je kan een boek van Stijn Streuvels nu eenmaal niet laten spelen in Rotterdam, er moeten strohalmen bij, er moet al eens een korset afgetrokken worden en er moet een goede vogelscène in. Alleen was het in de jaren ’80 bon ton om dat allemaal af te breken. Literatuur van onder de kerktoren werd dat genoemd en als de kunstpausen die term beu waren, zeiden ze over boeken van bij ons: ‘Er hangt een kelderluchtje aan’. Toen ik later meer begon te lezen, merkte ik echter een grote discrepantie tussen wat over de eigen literatuur werd gezegd en hoe die van anderen werd geprezen. Met boeken als Angela’s Ashes zette zich een kentering in.”

Verhulst deed daar bewust niet aan mee, zegt hij. “Als kind ben ik opgegroeid met de Made in Vlaanderen-reeks op tv. Misschien waren sommige afleveringen een pastiche van zichzelf, maar ik herinner mij wel dat ik een jaar of twaalf was en boer Speeltie (de rol van Jo De Meyere in ‘Hard labeur’, RVP) zag. Ik vond dat zo schoon dat ik zelfs het boek gehaald heb. Het decor was mij vreemd, ik wist bij wijze van spreken niet wat een boerderij was. Maar de huiselijke onvrede waarbij een kind geprangd zat in de ruzies van die koleirige gast die zijn vader was en zijn moeder, dat was wel herkenbaar. En dat maakte het universeel. Vandaag zou je Hard labeur perfect kunnen vertalen naar een gezin van hardwerkende tweeverdieners van wie de relatie naar knoppen is gegaan. Het decor is bijkomstig.”

Stadsintellectueel vs. de boeren

Met wie je ook spreekt over ‘de Vlaamse film’, bijna altijd komt Brussels by Night om de hoek kijken, de film uit 1983 van Marc Didden, die zich trouwens ergert aan dat constant toegevoegde Vlaamse. “Als het over schilders van bij ons gaat, lees ik nooit dat ze Vlaamse schilderijen maken”, zegt hij. “Maar in een recensie over Rundskop las ik dat iemand ‘redelijk geëmotioneerd was, en dat door een Vlaamse film’. Tja, dat is al meteen de genadeslag natuurlijk. Voor mij maakt het niks uit of je nu afkomstig bent uit een buitenwijk van Leuven of uit de suburbs van Chicago.” Daarmee geeft Didden meteen aan dat de sterkte van een film juist in dat overstijgende karakter zit. “Na Brussels by Night, die de eerste stadsfilm werd genoemd, verwachtte men dat ik de volgende keer hetzelfde zou doen. Maar in de periode nadien was ik nogal met schilderkunst bezig en had onder meer het Permekehuis in Jabbeke bezocht. Die lourdeur en schoonheid zag ik ook mogelijk in een film.

“Waarom zouden films over landbouwers trouwens slecht moeten zijn? Als kind had ik Het gezin Van Paemel op toneel bij het NTG gezien en later als tv-spel op de BRT. Ik vond het een sterk verhaal. Met het idee om dat te verfilmen, ben ik naar Erwin Provoost gestapt. Ook hij zag het zitten, maar toen bleek dat net voor ons Paul Cammermans ermee aan de slag was gegaan. Dat is dus niet doorgegaan, maar ik blijf het een ijzersterk verhaal vinden, met mooie rollen. Ik mag dan misschien voor een Brusselse stadsintellectueel doorgaan, ik heb veel respect voor de boeren.”

Wie op de Internet Movie Database-site De vlaschaard intikt, vindt dat “In a part of Flanders where flax is the main crop, farmer Vermeulen rules his estate like an ‘old school’ patriarch”. Net als Robbe de Herts De Witte van Zichem draaide de film in Parijse zalen (“de Fransen vielen ervoor”, zegt Didden) en als Flaxfield/Der Flachsacker sloot hij in 1983 dus het festival van Berlijn af. Op het programma van datzelfde festival, dat op 10 februari begint, staat nu Rundskop/Bullhead. “De helft van het publiek in Berlijn bestaat uit programmatoren”, zegt Verheyen, die er zeker van is dat Rundskop een festivalcarrière kan maken. “Dit is een ambitieuze auteursfilm die toch een groot publiek wil bereiken. Alleen zijn we een klein filmland en zodra je de grens overstapt, ben je even exotisch als een film uit Burkina Faso. En dan bestaat de kans dat je sneller in de Studio Skoop dan in de Kinepolis van Lissabon terechtkomt.”

“Berlijn wordt de grote test”, denkt Marc Didden. “Daar weten de mensen niet wie Michaël Roskam en Matthias Schoenaerts zijn en ze hebben de recensies van bij ons niet gelezen. Maar hij kan de test doorstaan. Dialect is geen bezwaar, het Iers in de films van Ken Loach moet ook ondertiteld worden. Ook los van de inhoud is Rundskop grote cinema. Michaël is een groot talent en Nicolas Karakatsanis heeft niet alleen oog voor compositie, hij kan als cameraman zeer goed een scenario lezen. Dat is niet uniek, maar wel zeldzaam.”

Peter Bouckaert: “Tien jaar werken voor het Filmfestival van Gent heeft me geleerd dat films het kunnen maken om twee redenen. Eén: het thema moet universeel zijn. Jacky Vanmarsenille (Matthias Schoenaerts’ hoofdrol in Rundskop, RVP) is iemand die door het lot is getroffen, die daardoor getransformeerd is tot een soort monster, maar waarin diep vanbinnen nog altijd een kwetsbare jongen zit. En twee: een film moet iets exotisch hebben. Wij zouden New York nooit kunnen portretteren zoals Woody Allen dat doet. Antonia(Oscarwinnende film uit 1995 met Willeke Van Ammelrooy en Jan Decleir, RVP) had dat ook: het vertelde iets authentieks over een andere wereld. Dat is de kracht van cinema.”

Nog één keer terug naar Dimitri Verhulst. Bij de voorstelling van de Italiaanse vertaling van De helaasheid der dingen in Rome, kwam een dame naar hem toe die het allemaal “degoutant” vond. “Dat doen wij niet in Italië, zei ze”, vertelt de schrijver. “Ik moet er wel bij zeggen dat ze een bontmantel droeg.” Maar zijn boeken vinden dus wel een publiek in het buitenland. “Vooral Duitsland is mijn succesland, dat zie ik aan de herdrukken en aan de pocketversies die er verschijnen. Mijn grote succesboek in het buitenland is Problemski Hotel, dat komt ongetwijfeld door de problematiek van de asielzoekers. Manu Riche gaat dat boek trouwens verfilmen. Maar ook Godverdomse dagen op een godverdomse bol heeft vanuit Zweden een ondergrondse Perzische vertaling gekregen die op vijfhonderd exemplaren verspreid is in Iran. Dat vind ik toch bijzonder, dat je een boek schrijft en dat mensen het op risico van een celstraf toch willen lezen.”

Misschien dat het Rundskop lukt, de exotiek van wat voor ons bekend is, overstijgen en overbrengen. Verhulst doet nog een suggestie. “Groenten uit Balen, naar het boek van Walter Van den Broeck, is nog zo’n verhaal waarmee dat moet lukken. Een gezin dat in zijn onderhoud moet voorzien, stakingen en ratten die die willen breken... dat is van overal en van elke dag.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234