Dinsdag 10/12/2019

De erfenis van een dichter

Jotie 't Hooft had iets met mij te maken, zijn po�zie heeft me mede gevormd

Zestien was ik en ik schreef gedichten. Zoals bijna iedereen op die leeftijd, ben ik nu geneigd te schrijven, maar in die tijd vond ik mezelf en mijn 'dichterschap' van het unieke soort. In plaats van braaf te studeren, probeerde ik uit allerlei zwelgend puberleed en andere onmacht poëzie te scheppen. Het resultaat dagtekende ik, in de veronderstelling dat het zo hoorde. Later kon ik dan zien dat ik in de avond van 5 oktober 1977 een gedicht gepleegd had dat ik destijds mijn beste ooit vond.

Die nacht van 5 op 6 oktober stierf Jotie 't Hooft, eenentwintig jaar, ten gevolge van een overdosis cocaïne. Aan die coïncidentie wijdde ik later als symboolgevoelige puber nog een pathetisch gedicht, met veel pose, tering-romantiek en niet eens geslaagde imitatie. Daarin verzweeg ik wijselijk dat ik pas voor het eerst van de 'gedoemde dichter' hoorde toen hij al dood was. En dan nog op een manier die helemaal meteen strookte met mijn gecultiveerde imago van vrijgevochten en onafhankelijk denkende rebel. Opkijkend van zijn burgerlijke krant, had mijn vader terloops gevraagd of ik die in Brugge gestorven dichter kende, en hij had me vervolgens een artikel in Het Nieuwsblad laten zien van Gaston Durnez.

Enkele maanden later wilde ik per se Junkieverdriet als kerstcadeau. Toen ik in plaats daarvan het Groot gezinsverzenboek kreeg, gooide ik dat lijvige, mooi gebonden boek driftig op de grond (nu ik eraan denk, voel ik daarover dan weer een pijnscheut). Toen wilde ik Jotie, zoals ik hem was gaan noemen, en niet een burgerlijke, bij Lannoo uitgegeven bloemlezing van Jozef Deleu, - gezinsverzenboek, de titel alleen al, wat dachten ze wel? "Maar er staat ook een gedicht in van hem", reageerde mijn zus nog, "en het boek kostte veel meer dan onze cadeautjes." Bleek dat zij alle boekhandels in de streek had afgelopen, maar geen één bleek Junkieverdriet in voorraad te hebben, en dan was er maar beslist dat ik een duurder poëziegeschenk mocht krijgen.

In die jaren was ik dus een would-be adept van de gitzwarte Jotie-romantiek, inclusief zijn uitzichtloze doemdenken. Op schoolkaften schreef ik, naast popmuziekcitaten, hele gedichten van hem, bijvoorbeeld 'los van de wereld', waarvan de envoi luidt: "Prins, u die ik altijd diende, Dood,/ Ook toen ik mij met blikvoer voedde/ Of heroïne in mijn aders spoot:/ Gij wordt mij vreemd te moede." Ik beschouwde hem als een zielsverwant, een oudere spitsbroeder, een ingewijde tot de laatste consequentie.

Zelfs al deemsterde naderhand mijn fascinatie voor zijn poëzie zienderogen weg (gelijklopend met de mening dat Deleus bloemlezing ondanks de titel een mooie kennismaking met vele goede dichters was), vond ik zijn faam intussen overroepen, en zelfs al slaag ik er nu alleen nog in om diepe deernis te voelen voor zijn beleden 'doodsverlangen', ik schrijf dit alles vanuit een gevoel van solidariteit: Jotie 't Hooft had iets met mij te maken, zijn poëzie heeft me mede gevormd, en mede dankzij hem kwam ik tot de literatuur.

De dichter is inmiddels al enkele jaren langer dood dan hij ooit geleefd heeft, en intussen worden manuscripten en memorabilia van hem aangeboden, tegen prijzen die niet meteen voor de doelgroep van de jonge bewonderaar bedoeld zijn. In de recente, verzorgd uitgegeven catalogus van Antiquariaat Demian staat een unieke collectie archivalia voorgesteld, met handschriften, tekeningen, boeken, foto's en personalia uit de nalatenschap. "Belangrijk materiaal, zoveel is zeker. Niet alleen voor mythezoeker en liefhebbers van parafernalia, maar ook voor wie ooit 'T Hoofts leven en werk wil bestuderen", schreef Jean Paul-Mulders, auteur van een biografie over Jotie 't Hooft, enkele weken geleden in Knack. In dat artikel meldde Mulders correct dat er intussen omtrent het aangeboden materiaal een discussie was gerezen tussen de rechthebbenden. Alleen deed hij dat zo vrijelijk insinuerend dat antiquaar René Franzen - een integere boekhandelaar met een groot hart voor literatuur - wel móést reageren met een lange ingezonden brief, die dan ook in Knack werd gepubliceerd.

Waarover gaat het? De archivalia-collectie was al langer dan een kwarteeuw in het bezit van Julien Weverbergh, destijds de uitgever én de schoonvader van de dichter. Hij wilde ze via Demian verkopen, maar stuitte daarbij op verzet van zijn dochter Ingrid, de weduwe van Jotie 't Hooft. Gevolg: een familieruzie, waarin de antiquaar geen rol wenste te spelen. Hij nam dan maar meteen het besluit alle spullen terug te bezorgen. Tot de familie tot een vergelijk gekomen is, of tot er duidelijkheid is over het eigendomsrecht.

Het eerste gedicht in Jotie 't Hoofts debuutbundel Schreeuwlandschap uit 1975 begint met: "Op een dag zal ik weg zijn en/ wat dan? (...)" De dichter zal vast nooit vermoed hebben dat zijn versregels ooit nog zouden worden geciteerd in de context van een familieruzie over archief- en erfeniskwesties.

Waar ik echter écht nieuwsgierig naar ben, is niet naar foto's, liefdes- en andere briefjes of zelfs kladjes van de dichter, maar naar de op papier gestelde herinneringen aan hem, zoals Weverbergh die aangekondigde in zijn boek De voorwerpen (Houtekiet/de Prom, 1994), toen hij schreef: "Toch kantelt hier alweer mijn opzet en het levensverhaal van Jotie moet opgetekend worden in een ander boek, wanneer zijn schim mij een kroon van steen zal aanreiken."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234