Maandag 27/06/2022

De erfenis van de Chinese keizers woont in taiwan

Aanvankelijk werden de kostbaarheden in grotten bewaard. In de jaren vijftig was een Chinese invasie van Taiwan immers waarschijnlijk

Schatten van

de Verboden Stad

Jaarlijks bezoeken zo'n zes tot acht miljoen toeristen de Verboden Stad in Peking, maar de grootste schatten van dat paleizencomplex hebben al een halve eeuw een nieuw onderkomen: het National Palace Museum in de Taiwanese hoofdstad Taipei. Dat museum, elk jaar goed voor twee à drie miljoen bezoekers, herbergt de grootste collectie Chinese kunst ter wereld. Maar moet het niet teruggegeven worden aan Peking? De Taiwanese museumdirecteur vindt alvast van niet.

Taipei

Van onze verslaggeefster ter plaatse

Catherine Vuylsteke

De haast zeshonderd jaar oude Verboden Stad in Peking is het grootste paleizencomplex ter wereld. Ming-keizer Yongle bouwde het en tegen het einde van het keizerrijk (1911) en de verdrijving van de laatste keizer Pu Yi, in 1924, zou het meer dan een miljoen artefacten tellen: jaden en bronzen voorwerpen uit de pre-imperiale tijd, kalligrafie- en schilderrollen uit de latere dynastieën en de snuisterijen van de jongste eeuwen. In de twintigste eeuw legden die een onvoorstelbaar parcours af, vooraleer zo'n vijfde ervan eind jaren veertig werd verscheept naar Taiwan, waar Chiang Kai-shek een onderkomen zocht nadat hij de door Mao Zedong en zijn leger verslagen was.

De odyssee van de keizerlijke collectie begint in 1933, twee jaar nadat Japan Mantsjoerije, in het Noordoosten van China, is binnengevallen. In de nacht van 4 februari worden in twee treinen 19.557 kisten van Peking getransporteerd naar Pukou, op de linkeroever van de Jangtse, nabij Nanjing, de hoofdstad van de Chinese republiek. Vijf maanden later verhuizen ze naar Shanghai, naar een speciaal gebouwde opslagruimte met zeven etages. Die loods blijkt echter niet geschikt voor de conservering van kunstwerken: in december 1936 keren ze naar Nanjing terug, waar ze een onderkomen met een constante temperatuur wacht.

De reis had hier kunnen eindigen. Verschillende experts bereidden zelfs al een tentoonstelling voor. Maar dan is er het beroemde incident bij de Marco Polo-brug, waarbij Japanse soldaten onder vuur werden genomen. Het verschaft Tokio een gedroomd voorwendsel voor een totale oorlog tegen China. Nanjing, zo wordt gevreesd, zal algauw het doelwit van bombardementen worden. De artefacten moeten naar veiliger oorden in het westen en zuidwesten van het land.

Drie mannen krijgen de leiding over de hele expeditie: Han Liwu, Na Zhiliang en Wu Yezhang, die elk voor een deel van de collectie verantwoordelijk worden. Op 14 augustus 1937 vertrekt Na met de waardevolste stukken per boot over de Yangzi naar Wuhan. Een trein zal ze dan overbrengen naar de bibliotheek van Hunan in Changsha. Het station van Changsha wordt evenwel in de as gelegd, de bewuste bibliotheek gaat een dag later in vlammen op. Dus worden de grotten van Anshun de nieuwe bestemming. Begin 1938 wordt die bereikt.

Han weet zijn 7.000 kisten te evacueren, daags voor Nanjing op 13 december 1937 in Japanse handen valt. Per trein wordt de lading naar Xi'an getransporteerd, maar bij aankomst blijkt die stad onveilig. Via Baoji, waar men ook geen goede opslagruimte vindt, wordt naar Hanzhong uitgeweken. Het is een calvarietocht. De wegen zijn in erbarmelijke staat, doordat er weinig vrachtwagens beschikbaar zijn, zijn 300 ritten noodzakelijk, die herhaaldelijk in sneeuwstormen op meer dan 2.000 meter hoogte stranden.

Tegen de tijd dat Hanzhong wordt bereikt, is de stad met de grond gelijkgemaakt. Dan maar doorreizen naar Chengdu, 525 kilometer naar het westen, over vijf rivieren waarvan de bruggen zijn opgeblazen. Maar ook daar is geen veilig onderkomen te vinden. De 7.000 kisten wachten uiteindelijk aan de voet van de Emei-berg op vrediger tijden, na een expeditie van bijna 600 dagen.

Het laatste deel van de collectie zal in Leshan, Sichuan, worden ondergebracht. Het verlaat Nanjing als de stad al is gevallen, dagen voor het beruchte bloedbad waarin minstens 200.000 burgers het leven laten. "Er heerste absolute paniek en terreur", zou Na achteraf vertellen. "We stonden voor een verscheurende keuze: de mensen aan boord laten die de stad wilden ontvluchten of de kunstwerken redden."

In 1947 worden de kunstschatten in Chongqing verzameld en naar Nanjing overgebracht. Daar worden ze in de lente van 1948 voor het eerst weer geëxposeerd, zij het niet voor lang. De burgeroorlog tussen het Guomindang-regime van Chiang Kai-shek en de communisten escaleert. Langzamerhand wordt duidelijk dat Chiang op een verpletterende nederlaag afstevent.

In november 1948 gelast Chiang daarom dat de keizerlijke collectie naar Taiwan wordt overgebracht. Han Liwu, door de latere Chinese premier Zhou Enlai "een der grootste misdadigers uit de Chinese geschiedenis" genoemd, vordert drie schepen voor het transport. Het laatste vertrekt op 28 januari 1949. Op de kade blijven 700 kisten achter. Hun plaats in het ruim is ingenomen door een grote groep burgers die China, acht maanden voor de communistische machtsovername, koste wat het kost willen ontvluchten.

Onderaardse grotten

Aanvankelijk zullen de kostbaarheden in onderaardse grotten in Taiwan worden bewaard. Gedurende de hele jaren vijftig is een Chinese invasie van Taiwan immers waarschijnlijk. In 1958 lanceert Mao's leger ook een aanval op Jinmen (Quemoy), het Taiwanese eiland dat slechts vier kilometer van de Chinese kust ligt. 470.000 artilleriegranaten monden op 23 augustus uit in de dood van tienduizend burgers.

Chiang Kai-shek gelooft aanvankelijk dat Taiwan maar een tijdelijk onderkomen zal zijn, maar met de jaren wordt de herovering van het Chinese vasteland almaar onwaarschijnlijker. Begin jaren zestig geeft hij dan toch opdracht tot de bouw van een permanent museum voor de kostbaarheden uit de Verboden Stad. Het National Palace Museum, dat tegenwoordig een collectie van 650.000 stukken heeft, opent in 1965 zijn deuren.

In tientallen zalen worden kalligrafie, schilderkunst en keramiek uit de Song (960-1279) tentoongesteld, bronzen ritueel vaatwerk uit de feodale periode, boeddhistische kunst en snuisterijen uit de Ming- (1368-1644) en de Qing-periode (1644-1911).

Als je al dat fraais aanschouwt, vraagt een mens zich af hoe deze collectie door de eeuwen heen is gevormd. China's keizers waren in tegenstelling tot veel heersers uit andere culturen grote kunstverzamelaars. Maar - en ook hierin verschillen ze van hun westerse ambtsgenoten - ze etaleerden en exposeerden die artefacten niet. Ze lieten af en toe enkele schilderrollen of snuisterijen uit hun archieven aanrukken. Ze genoten vervolgens enige uren van die pracht, en de kostbaarheden gingen terug naar hun bewaarplaats.

"Dat keizerlijke collectioneurschap", legt museumdirecteur Chien Shih-chou uit, "was geen louter esthetisch-artistieke aangelegenheid. Het symboliseerde en legitimiseerde tevens de keizerlijke macht. Vandaar dat de keizers zo gretig hun zegels op schilderijen zetten, een praktijk die in het Westen ondenkbaar zou zijn. Die legitimatie van de macht gold in het bijzonder voor een aantal stukken, dingen als de drieduizend jaar oude Mao Gong Ding, een driepotig stuk ritueel bronzen vaatwerk. De heerser was verantwoordelijk voor het contact met de goden. Door zijn offers in dat rituele vaatwerk moest hij de goddelijke goodwill afdwingen. Dat betekende dat als je dat stuk bezat je eigenlijk de macht had. Vandaar dat de Mao Gong Ding van bij de opening van het museum ook hier een belangrijke plaats kreeg."

Op de website van de Verboden Stad staat te lezen dat het Pekingse paleis zo'n 1 miljoen artefacten bezit, waarvan 2 procent wordt tentoongesteld. In Taipeise museum ligt dat percentage niet veel hoger, omdat fragiele duizend jaar oude papierrollen niet meer dan drie maanden na elkaar aan de lucht mogen worden blootgesteld.

Maar hoe beslisten de heldhaftige verhuizers van Chiang Kai-shek wat ze meenamen en wat ze in de Verboden Stad achterlieten? Chien: "Ze namen in eerste instantie die stukken mee die de keizers als kunstwerken hadden verzameld. Dat zie je aan onze grote collectie ritueel bronzen vaatwerk, maar evengoed aan de fantastische collecties van Song-porselein, -kalligrafie en -schilderkunst. De Song (960-1279) was de klassieke periode voor zowel keramiek als schilderkunst. In dat tijdsgewricht zijn de principes vastgelegd die de volgende eeuwen zouden gelden.

"Wat de verhuizers achterlieten, waren gebruiksvoorwerpen, koppen en schalen waar de hofhouding dagelijks uit at en dronk, zelfs al waren die vaak honderden jaren oud. Waarom denk je dat de Verboden Stad zo'n gigantische collectie klokken en uurwerken uit de voorbije eeuwen heeft? Dat waren allemaal cadeaus van westerse functionarissen met geen artistieke waarde, louter een praktische."

Sinds de jaren zestig heeft China er niet meer op aangedrongen dat de schatten uit Taipei naar de Verboden Stad zouden terugkeren, al stelt de website van dat Pekingse monument wel dat "alle stukken uit de keizerlijke collectie zich op een dag wellicht weer onder één dak zullen bevinden".

Dat Peking niet om restitutie vraagt, is volgens Taiwanese functionarissen makkelijk te verklaren: die stukken terugclaimen zou een erkenning inhouden van het feit dat Taiwan niet tot China behoort, wat voor de leiders in Peking onaanvaardbaar is. Als je er, zoals China's leiders, van uitgaat dat Taiwan een deel van China is, dan heeft de schat van de keizers nooit het land verlaten en hoef je die niet terug te claimen.

Maar aangezien al die rollen, jade en snuisterijen zich aanvankelijk in de Verboden Stad bevonden, horen ze daar dan niet opnieuw thuis? Museumdirecteur Chien vindt van niet. "De Verboden Stad is een formidabel monument, dat lijdt niet de minste twijfel. Maar het is niet geschikt als museum. Deze artefacten hebben een constante temperatuur en vochtigheidsgraad nodig, die je in het paleis niet kunt garanderen. Je zou het dus helemaal moeten verbouwen, en dat zou zonde zijn."

De Chinese directeur van de Verboden Stad houdt er schijnbaar een andere mening op na: twee jaar geleden al werden plannen gemaakt om in de Verboden Stad een ondergronds museum te bouwen, naar het voorbeeld van de pyramide aan het Parijse Louvre. Maar of dat plan wordt uitgevoerd, valt nog af te wachten.

Buitenlandse expo's

Hoewel Peking de voorbije decennia niet meer actief heeft gestreefd naar zo'n restitutie, neemt de Taiwanese regering geen enkel risico. De voorwerpen uit het National Palace Museum worden niet zomaar aan buitenlandse musea uitgeleend. Sterker nog, sinds Chiang Kai-shek in 1971 met slaande deuren vertrok omdat Taiwan niet langer de VN-zetel voor China kon houden - die nam de Volksrepubliek voortaan in - zijn er nog maar een handvol buitenlandse tentoonstellingen geweest: in het New Yorkse Metropolitan (1996), het Parijse Grand Palis (1998) en vorig jaar in twee musea in Bonn en Berlijn. Chien: "We kunnen geen risico's nemen. Daarom moeten de nationale parlementen van landen die een deel van onze collectie willen exposeren, eerst een wetsvoorstel aannemen met concrete garanties dat de stukken na expositie naar Taiwan terugkeren. Een dergelijke wettekst is vorig jaar door het Japanse en het Oostenrijkse parlement aangenomen, en dus zijn we volop een volgende tentoonstelling voor Wenen aan het voorbereiden, en eentje voor Osaka. Maar die zullen wellicht pas volgend jaar plaatsvinden: een tentoonstelling organiseer je niet in een handomdraai."

Het National Palace Museum in Taipei is dagelijks open van 9 tot 17 uur, tickets kosten 2,5 euro, www.npm.gov.tw. Er zijn gratis geleide bezoeken in het Engels, Japans en Chinees. Momenteel wordt een deel van het museum gerestaureerd. De definitieve heropening is voor de zomer van 2006.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234