Dinsdag 19/01/2021

De eigen taal van Hagar Peeters & Erik Spinoy

Met Wasdom brengt Hagar Peeters (°1972) een omvangrijke bundel, die de ontwikkeling van de dichter toont. De poëzie is namelijk in verschillende periodes in Hagar Peeters’ leven ontstaan. Sommige gedichten, die opvallen door hun liedjesachtige en sterker rijmende karakter, dateren al van de periode tussen haar zeventiende en negentiende. Andere gedichten ontstonden tijdens de periode toen Hagar Peeters aan de universiteit studeerde en als performer haar gedichten bracht. Je ziet hoe de diversiteit van Peeters’ dichterschap zich ontwikkeld heeft. In sommige gedichten schrijft ze op een directe manier over menselijke verhoudingen, terwijl ze in andere meer op de werking van de taal vertrouwt, waardoor de gedichten raadselachtiger worden.

Peeters’ bundel is niet conceptueel opgebouwd, maar je kunt er wel thematische lijnen in ontdekken. Zo opent de bundel met een aantal gedichten die verwijzen naar Peeters’ grootmoeder, die zich moest handhaven in de armoede en de verknechting: ‘Als de leren riem van de vader/ en de liniaal van de onderwijzer/ op de hand van de ongehoorzame/ op het middeleeuwse ritme van zaaien/ en maaien en oogsten/ sloeg de kerkklok zijn roeping/ waarop de pastoor aan de deur verscheen/ om de dracht van het harnas te keuren/ en zo keurde hij jaarlijks de curve van de buik/ van de met dracht geharnaste horige frontsoldaat/ die mijn grootmoeder was.’ Niet verwonderlijk dat Peeters haar gedicht ‘De gebieder’ laat eindigen met: ‘Behoort hem alles, ik behoor toch niet aan hem.’

In de afdeling ‘Wederkerigheid’ heeft Peeters het over de liefde in allerlei toonaarden en vanuit verschillende invalshoeken, zoals deze mooie: ‘Zo is na vele nachten samen slapen/ het gelijktijdige draaien in bed/ vangnet van het zinken van één.’ In een aantal gedichten bereikt Peeters de zinnelijke lichtheid van liedjes die schrijnend durven te zijn: ‘Scheer je weg tot dit/ ondoorzichtig verschrikkelijk wit/ verwijder je wijd en zijd/ verwijder je nu je me mijdt.’ Niet alle gedichten zijn even beklijvend, maar met ‘Ode aan de kaalheid’ verrast Peeters wel: ‘Tot in lengte van dagen/ wil het worden gedragen/ en liever op handen/ dan op een hals.’ Peeters weet op haar beste momenten te jongleren met ritme en verschillende soorten rijm. De afdeling ‘Wederkeer’ bevat de sterkste poëzie. Hier verwijdert ze zich meer van het alledaagse en laat ze haar verbeelding meer werken, om de vergankelijkheid én de weerbaarheid daartegen, bijvoorbeeld in de vorm van wederopstanding, in taal om te zetten: ‘De hand balt zich tot een vuist/ maar wordt weer hand en streelt/ die een voor een/ nog weten hoe dat was.’ Ook de vijf gedichten over de geboorte van haar kind zijn niet onaardig: ‘Hij dreef zichzelf uit toen het genoeg was./ Hij heeft zichzelf in de schoot geworpen// vol overgave aan alles wat hij is en heeft.’ Maar het boeiendst zijn toch de verzen waarin ze de taal en de poëzie kritisch bekijkt, zoals in ‘Lamento van een gedicht’: ‘was ik de arts die u kon genezen/ of het voedsel voor uw hongerige maag// maar ik ben een gedicht, heel licht en vruchteloos/ uw metgezel vandaag’. Hagar Peeters’ poëzie weet niet altijd de perfecte balans te vinden tussen toegankelijkheid en subtiliteit. Maar met Wasdom toont Peeters zich best wel als aardig gezelschap.

De lectuur van Erik Spinoys gedichten is altijd een desoriënterende en precies daardoor beklijvende ervaring. Deze keer mogen we die desoriëntering ook letterlijk nemen, want Spinoy (°1960) voert ons mee naar zijn Dode kamer. Met de titel en met het motto brengt hij ons bij de ‘dove kamer’, de chambre sourde van de Franse filosoof Jean-François Lyotard. Daarmee bedoelt Lyotard een ruimte die buiten de maatschappelijke werkelijkheid staat en waarin we op onszelf, op onze eigen lichamelijkheid, teruggeworpen worden.

Spinoy vindt in de tweede afdeling van deze bundel aansluiting bij het werk van Ann Veronica Janssens, de beeldend kunstenaar die licht en geluid in ruimtes weet te sculpteren. Haar werk is gebaseerd op de zintuiglijke ervaring en op het samenkomen van lichaam en ruimte. En dat kun je deze keer ook van de poëzie van Erik Spinoy zeggen.

In de eerste afdeling neemt hij ons mee naar een ander continent, dat op zichzelf een afgesloten, zuiderse ruimte is, waar vergankelijkheid en sensualiteit hand in hand gaan: ‘Plots schijnt dit continent een dodelijk net:/ zovele knopen waarin ronder vlees/ verrimpeld gevangen zit// en volle bleke maan na vale maan/ zich aan de nacht onpasselijk overgeeft.’ Spinoy schetst taferelen die je zo naar Zuid-Amerika verplaatsen. Het licht is verblindend hagelwit, tussen leven en dood, aanwezigheid en verbeelding: ‘De clivia weegt op het balkon//en door het raam met waaiende gordijnen/ klinkt van zelfontbranders diep/ hun vette kankerhoest.// Een hagelwitte regendag ontwaakt’.

Erik Spinoy zorgt met de indringende beelden in deze bundel voor visuele bliksemschichten. In zijn La chambre sourde beschrijft Lyotard het schrille geluid (de ‘stridence’) en het tijdelijke karakter ervan. Precies door de schrilheid valt het geluid bijna buiten het hoorbare. Wie het beluistert, wordt van angst en afgrijzen vervuld. Het ongehoorde wordt even hoorbaar. En dat is wat Erik Spinoy vermoedelijk ook wil, maar dan op een visuele manier, in wat hij beschrijft. Hij wil komen tot datgene wat het beschrijfbare overstijgt. En net daarvoor gebruikt hij veel beschrijvingen die ons ontwrichten wanneer we ons met onze verbeelding voorstellen wat hij ons voorspiegelt. En die beschrijvingen hebben een vertragend effect. Spinoy alludeert hierop door het citaat van Ann Veronica Janssens waarmee hij de tweede afdeling opent en waarin Janssens het heeft over de ‘vertraging’, de ‘opschorting’. We ervaren het bijna aan den lijve wanneer hij de ervaring van de dode kamer beschrijft die Ann Veronica Janssens creëerde: ‘Iets raakt het aambeeld, wroet in het slakkenhuis/ knijpt hard een circulatie af// iets draait in kringen rond// iets tast daar voet voor voet/ door deze rode dan weer blauwe gele mauve mist// van deze mist.’ Het wordt een lege huls die we met betekenis willen vullen, ‘volmaakte kom// die altijd op vervulling wacht.’ Die schrijnende ervaring wordt door Spinoy vergeleken met de bedenker van de bewegingssynthese, Joseph Plateau, die wou zoeken naar de limieten van het netvlies en daarbij een catastrofale vergissing beging: ‘verbrandde starend in de zon voorgoed/ de beide oogappels.’ De derde afdeling bevat taferelen uit de kindertijd van de dichter, maar ze zijn al evenmin idyllisch als de rest van de bundel. Want ze situeren zich tussen werkelijkheidsgetrouwe reconstructie en verbeelding, twee essentiële elementen van de herinnering. En ze lijken van over de dood heen te komen: ‘In zomernachten blaft de dode zwarte hond/ die door elk open raam onhoudbaar// ieders oren binnendringt.’

Met Dode kamer heeft Erik Spinoy weer voor een bundel gezorgd om wakker van te liggen. En dat is een zeer grote kwaliteit.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234