Maandag 19/04/2021

De eeuwigheid bestaat niet

'Ik zeg dus niet meer dan dat / wat ik zeg, dat / wat ik niet zeg / inbegrepen -.' Gerrit Kouwenaar heeft altijd een grote economie nagestreefd in zijn werk. Werk dat moeilijk wordt gevonden - wat het is, maar de laatste jaren tegelijk een groeiende belangstelling en waardering ontmoet - wat het verdient. Naar aanleiding van zijn 75ste verjaardag verschenen dit najaar zijn verzamelde gedichten sinds 1978, en bovendien een nieuwe bundel, erg dun (hij telt acht gedichten) maar erg mooi en bijzonder fraai uitgegeven: een glas om te breken. Een gesprek met de éminence grise van de Nederlandse poëzie.

Herman Jacobs / Foto's Filip Claus

Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd als een klok die zich spiegelt in ijs het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft in een klok die niet loopt, in het vlees dat bestaat als sneeuw voor de zon en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog gelenigd in vlees en keek achterom in het oog van vandaag, en lees wat hier staat de zon op de sneeuw, het kind in de slee het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood -

('de winter staat stil', uit een glas om te breken)

Een late wintermiddag in Amsterdam-Zuid. Het is een heldere dag geweest, maar allengs wordt de wereld donker, het licht is bezig te sterven. Filip Claus heeft er heel wat mee te stellen. Terwijl hij de poserende dichter zijn meticuleuze regieaanwijzingen geeft, gaat de telefoon. Gerrit Kouwenaar heft de handen ten hemel, excuseert zich voor de onderbreking en loopt naar het toestel.

"Een nichtje gestorven," verklaart hij als hij weer heeft opgehangen. Toeval bestaat niet - niet zo onleesbaar dicht Kouwenaar de dood of de werkelijkheid revancheert zich. "Ja, het wordt stil om ons heen. Dat zei mijn moeder altijd als er weer eens iemand overleden was: 'Het wordt stil om ons heen.' Zeiden mijn broer en ik: 'Dan zet je toch de radio aan?' Groffe jongens waren we hè?"

Want de dood mag een ernstige zaak zijn, men hoeft daarom nog niet in gesomber te vervallen. "(S)teek dus het licht aan / dat de toekomst nog uitspaart, spreek / het brood aan dat nog niet doof is, maak / de taal waar achter zijn tekens, spel / het vlees, stil de tijd, leef nog even -," zoals het luidt in het gedicht 'rebuut', uit Kouwenaars zeven jaar geleden met ontzag en enthousiasme ontvangen bundel een geur van verbrande veren. Even tevoren heeft de dichter nog vrolijk zitten vertellen over de twee Surinamers die zijn woning hebben geschilderd: "Leuke jongens. 'Wij werken ook in het zwart,' zeiden ze - ze waren ook zwart, moet je weten. 'Nou ja, we schilderen het hier wel wit.' En toen ik vroeg of ze een glas wijn wilden, zei die ene: 'Ja ik wel, maar hij niet. Hij is islamiet, maar ik ben boeddhist.' Dat vond ik zó geweldig."

Dat niet alleen - het vermoeden dringt zich onweerstaanbaar op dat déze schildersploeg niet toevallig over de vloer kan zijn gekomen bij iemand als Kouwenaar, in wiens werk de primairste kleurentegenstelling al zo lang een vast motief is (één voorbeeld uit vele: "in de winter op wit gewed, gestaard / in een gat, daarin een lijf gepast / zwart gekeken, ingeslapen" - 'de datum', uit de bundel het ogenblik: terwijl, 1987).

Niettemin, hoe onverdroten en manmoedig Kouwenaar zich in zijn gedichten ook te weer blijft stellen tegen de tijd en het verdwijnen, het wòrdt onmiskenbaar stiller om hem heen. De éminence grise van de Nederlandse poëzie heeft al een aantal van zijn generatiegenoten en mede-Vijftigers het tijdelijke met het eeuwige zien verwisselen: Jan Elburg, Lucebert, Bert Schierbeek zijn wijlen, en ook een geestverwant als de tien jaar jongere Hans Faverey is niet meer. Niet te verbazen dat met de jaren steeds uitgesprokener dit besef in zijn poëzie is geslopen: "men voelt zijn tijd koud worden naarmate / verte meer indikt achter de voorruit -," zoals hij schreef in het derde gedicht van de reeks 'tijden', uit de bundel het blindst van de vlek (1982).

Kouwenaar: "Dat is gewoon realistisch. Als je ouder wordt en dat moment nadert, menselijkerwijs, dan komt de verbazing dat het ook jou overkomt. Natuurlijk, je hele leven weet je dat je een keer zult doodgaan, maar op een bepaald moment word je er toch met je neus op gedrukt. Vrienden gaan om je heen dood, je generatie begint uit te sterven - dat is toch een raar iets. En ik zit daar niet de hele dag bij te janken, maar ik denk er wel vaak aan.

"Dat is geen kwestie van masochisme, lijkt me helemaal niet, en het is ook niet geschreven als troost voor jezelf, maar, ja, 't is iets wat je interesseert. Verliefd worden, ook zoiets, dat vervult je. En nu is dit stadium in je leven aanstaande en in verbazing kijk je daarnaar. Ook omdat je gewoon jezelf blijft, ik ben helemaal niet iemand anders dan dertig of veertig jaar geleden. Ik kijk soms in de spiegel, denk ik: Jezus Christus wat een ouwe kop, ik lijk me vader ondertussen wel, weet je? Maar binnenin ben je gewoon nog die jongen. Terwijl, voor de wereld begin je natuurlijk een stokoude man te worden die ook maar eens moet opsodemieteren. Ze schrijven weleens: 'Je zeurt altijd over de dood.' Ik zeg: 'Ja sorry, 't interesseert me eventjes. Straks doe ik dat ook niet meer.'" Hij lacht, even - een grapje dat mag.

Misschien is die, laten we zeggen, beschouwelijk-emotionele inslag die zeker vanaf een geur van verbrande veren duidelijker in zijn werk merkbaar is de reden waarom Kouwenaar zich op zijn oude dag in een zekere populariteit mag verheugen. De moeilijke, 'koude', 'hermetische' modernist lijkt langzamerhand de status van klassiek dichter te hebben gekregen.

Al is het nog de vraag of dat niet - gedeeltelijk - op een misverstand berust. Zoals A.L. Sötemann schrijft in zijn recent verschenen essaybundel Verzen als leeftocht. Over Gerrit Kouwenaar: "(H)et is een misvatting te denken dat zijn gedichten er eenvoudiger op zijn geworden in de loop van de jaren, zoals wel is beweerd. Voorzover sommigen er misschien minder moeite mee hebben dan in het verleden, is dat te danken aan het feit dat ze met zijn idioom en zijn wijze van dichten geleidelijk meer vertrouwd zijn geraakt, en niet doordat de verzen zelf simpeler zouden zijn geworden."

Kouwenaar zelf blijft er laconiek onder. "Ik een klassiek dichter? Ja, daar kan ik ook niks aan doen. Dat gaat vanzelf."

"Wat curieus is," gaat hij verder, "is dat mijn generatie toch vrij veel goede dichters heeft opgeleverd: Claus, Lucebert, Campert, noem ze maar op. Dat er veel talent bij zat en dat ze het lang hebben volgehouden - voorzover ze niet voortijdig naar de eeuwige jachtvelden werden weggeroepen dan. Dat is toch frappant, dat stelletje enthousiaste jongelui dat niet maar iets begint en het later laat afweten omdat ze verdwijnen in de journalistiek, zeg ik nu maar, of in de reclame of weet ik wat - nee, ze blijven aanwezig. En ze maken toch allemaal een oeuvretje. Als je maar lang genoeg volhoudt, dan word je klassiek blijkbaar."

Ook de aanvallen van die andere Gerrit, Komrij, hebben Kouwenaars zelfbewustheid, zeg maar trots op 'zijn' generatie niet vermogen aan te tasten. Het is toch maar mooi die generatie die de Nederlandstalige poëzie destijds uit haar wurgende conventies heeft bevrijd.

"Hoe nieuw dat nou precies was, ja, misschien geldt dat voor Nederland wat meer dan voor Vlaanderen. Jullie hebben na de Eerste Wereldoorlog het modernisme toch sneller omhelsd - iemand als Van Ostaijen hebben wij nooit gehad. Hier is het wat trager gegaan, er was hier toch wel wat verzet tegen. Men meende dat het twintig jaar na de Eerste Wereldoorlog alweer uit was met al die rare modernistische onzin. Hier is toen een hoop gemist.

"Waarmee ik niet wil zeggen dat wat er dan wel was, voor de oorlog, slechte poëzie was, helemaal niet. Nijhoff, Bloem, Roland Holst, dat zijn natuurlijk toch wel interessante, goede dichters. Men heeft hier de traditie wat verder uitgesponnen. Alleen, na de oorlog was het echt wel op hè. Toen moesten we toch wel, ook met de oorlog die nog in je rug duwde, iets nieuws doen - wat wij dan voor nieuw aanzagen, zeg ik heel voorzichtig erbij."

Kouwenaars strenge, immanente, op de taal zelf gerichte poetica mag dan niet ieders voorstelling van poëzie zijn, unaniem is de waardering die hij oogst voor het consciëntieuze, allesbehalve gemakzuchtige werk dat hij binnen de normen die hij zichzelf heeft gesteld aflevert, en voor de manier waarop hij zich tegelijk blijft vernieuwen. Het was dan ook geen grote verrassing toen hij vorig jaar de VSB-poëzieprijs kreeg, voor zijn bundel de tijd staat open (1996).

"Vond ik erg leuk, dat ik die kreeg," zegt hij. "Speciaal omdat het voor een recente bundel was, en niet een oeuvreprijs. Die zijn natuurlijk ook aardig, maar - ik heb weleens gezegd, zo'n oeuvreprijs, hoe aardig ook, vooral als er wat meer centjes mee gemoeid zijn natuurlijk, is eigenlijk toch het gouden horloge voor de jubilaris na jarenlange trouwe dienst hè. Nou, dat mag ook, maar het is natuurlijk leuk als je iets krijgt voor wat je recent gedaan hebt op je ouwe dag.

"Alleen, de poëzie is wel een beetje een stiefkindje geworden van de literatuur. Als je vergelijkt met de tijd toen ik begon, dan zie je dat de oplagen kleiner zijn geworden, de belangstelling geringer is geworden. Er is toch een trend om de commerciële kant van de zaak naar voren te halen. Dat wordt dan weer gekoppeld aan 'publieksvriendelijke' literatuur" - je hoort hem de aanhalingstekens uitspreken - "die mensen begrijpen... Poëzie wordt een eliteliteratuur genoemd hè. In Nederland althans heeft dat zeker ook te maken met het onderwijs, dat is ontzettend ingekrompen als het om literatuur gaat.

"Dat wil niet zeggen dat er geen dichters zijn die succes hebben, en daar zijn ook echt hele goede bij. Maar vaak ben ik heel verbaasd dat sommigen wèl veel succes hebben, of veel méér succes hebben, verhoudingsgewijze, dan anderen. Aan de kwaliteit ligt dat dan niet, maar, ja, aan iets anders, zij hebben een soort surplus erbij, een humane kant zogezegd, of een therapeutische... Het zegt niets tegen die poëzie, maar het zegt er voor mij ook niet iets extra's vóór."

Maar, zou je kunnen opperen, misschien ligt die verminderde belangstelling ook wel hieraan dat nogal wat dichters knap moeilijk werk maken, Kouwenaar zelf niet in de laatste plaats. Hij gaat er eens goed voor zitten:

"Maar poëzie is altijd moeilijk geweest. Je moet er altijd een beetje moeite voor doen. Ik denk dat men die moeite er vroeger eerder voor over had. Het heeft ook iets met de verlegging van het publiek te maken, èn met de grote trend van (staccato): 'Cultuur is voor ons, wij moeten er iets aan hebben, wij moeten het begrijpen en-als-wij-het-niet-begrijpen-dan-is-het-niet-interessant.' Dan is het elitèèr of weet ik wat.

"Terwijl, men maakt zich nooit erg druk om de moderne schilderkunst, dat vindt men allemaal wel goed. Maar niet iedereen schildert, dat is het punt natuurlijk. Want iedereen gebruikt wel taal, en daarom heeft iedereen ook het idee dat-ie dat dan ook kan beoordelen. Ik zeg dan altijd, nou ja, oké, mijn poëzie is een beetje moeilijk, het zal best, - hoewel, het geldt ook weer niet voor mijn hele werk, maar goed. Maar iets dat je niet in vijf minuten uit je mouw hebt geschud, waarom moet dan een lezer in vijf minuten kunnen zien: 'O, zo zit het', en vindt-ie het zo vervelend om er nog eens naar te kijken? Is Roland Holst eenvoudig? Van de Woestijne? Is Van Ostaijen zo eenvoudig? Nee toch? Het is natuurlijk niet verboden, iets dat in vijf minuten begrijpelijk is, maar het is ook geen voorwaarde."

Een obstakel voor veel lezers is vermoedelijk ook het onpersoonlijke, althans het onpersoonlijke oppervlak, van Kouwenaars poëzie - al was het alleen maar doordat de dichter als persona zeer vaak 'men' gebruikt, en zelden 'ik'.

"Dat vind ik toch een groot woord, 'onpersoonlijk'," repliceert hij. "Zoals ik weleens heb gezegd, uit mijn gedichten heb ik de persoonlijke tarra gehaald. Niet om het daarmee ingewikkeld te maken, maar om het toegankelijker te maken juist, om de gevoelens en ideeën algemener te maken. Het is eerder een handreiking dan een poging de zaak te verduisteren.

"Maar goed, ik ken die kritiek wel van: het is allemaal zo ontdaan van gevoelens, het is zo koud, we hebben er geen feeling mee - nou, die mensen moeten het dan maar niet lezen, dat vind ik dan. Want het barst van het gevoel, en als je dat er niet uithaalt, ja, dan spijt me dat. Ik vind niet dat schrijvers of kunstenaars zich totaal naar het publiek moeten richten en de wensen van het publiek moeten vervullen. Wat is 'het publiek' trouwens hè? Ik ben heel tevreden met de mensen die mij lezen en mij blijkbaar appreciëren."

Het barst van het gevoel - menig Kouwenaar-niet-lezer zal die mededeling waarschijnlijk met ongeloof begroeten. En toch, wie lezen kan, hij leze in de tijd staat open bijvoorbeeld '10 mei 1994', het gedicht dat Kouwenaar schreef voor zijn vriend Lucebert, die op die datum overleed:

Vanavond gehoord van je dood op een uur dat de dag haast stilstond van vrede maar onder een andere hemel verstreek een andere tijd ontplofte het licht en je was verdwenen hier in mijn schemer vonkt nog het oude volledige leven en bekvecht het uitgesteld vlees met de geest een verwonderde muze wacht op het donker en vlecht nog een kraai en een nachtegaal tussen de regels niets is voor niets geweest nu niets meer beweegt voorgoed lig je vast in je taal en je tekens in wat je steeds luider totaler verzwijgt -

De poeta faber, de dichter als maker, die Kouwenaar altijd geweest is, de secure ambachtsman, stuit natuurlijk op onbegrip in een literair klimaat waar een vloed van autobio, biecht en bekentenis vol nauwelijks verteerd gevoel de boekhandel overspoelt. En vooroordelen zijn hardnekkig. Heeft Kouwenaar niet zelf dingen geschreven als "(h)et enerverende tikken van een verfijnd mechaniek boeit mij uiteindelijk meer dan een ontploffing"?

Maar moet dan niet alles gemaakt worden voor het bruikbaar is, voor je er wat mee kunt? Zijn niet tot onze diepste emoties toe ten slotte maaksels, bewerkingen van reflexen en instincten? Om iets zeer vergelijkbaars is het Kouwenaar begonnen:

"Niet dat ik de wereld kond moet doen van wat mij allemaal beroert, maar ik vind wel dat het er om gaat iets persoonlijks te maken. En je hoopt dan wel dat mensen dat ook mooi zullen vinden, maar dat is toch niet het eerste wat in je opkomt als je iets wil schrijven. Nee, iets maken, iets maken dat er gisteren nog niet was, iets achterlaten, iets uit de tijd trekken en het even stilleggen, dat is wat ik begeer te doen. En het object dat dan ontstaat, een schilderij of een beeld of een gedicht, dat blijft dan achter. Al die verloren, verleden ogenblikken zijn er allemaal nog in te traceren, bestaan nog. Het waren toch momenten van een soort doorzicht of inzicht die je belangrijk achtte en waarvan je dan hoopt dat ze enige algemene strekking hebben, dat andere mensen ze ook ongeveer herkennen.

"Alle geslaagde kunstwerken zijn stilzettingen van de tijd geweest. En natuurlijk kan je de tijd niet echt stilzetten, natuurlijk niet. Maar je ziet dan toch dat Griekse beeld dat een keer is gemaakt en een inzicht geeft in wat de mensen toen dachten en konden en deden. Dat is een gestold stukje vroeger. Dat is dan toch kunst, en daar heb ik het dan een beetje over.

"Maar tegelijk is het natuurlijk niet zo dat ik mijn eigen leven kan ophouden, of dat ik onsterfelijk word, of zelfs maar via dat versje de onsterfelijkheid zou willen bereiken. Het blijft iets langer, dat is alles. Zoals een boom die je plant, die staat er ook nog als je dood bent. Maar eeuwig is die boom ook niet. De eeuwigheid bestaat niet.

"Nou ja, je kunt de tijd overwinnen natuurlijk. Door dood te gaan. Lijkt me alleen niet praktisch" - weer is er even dat lachje.

"Een gedeelte van het jaar breng ik Frankrijk door. Een jaar of twintig al wel. Door een klein erfenisje kon ik daar een huisje op de kop tikken. Waar ik zelf alles heb moeten doen en metselen, maar nu is 't heel fraai en aardig. En is het ook alweer bijna afgelopen, denk ik weleens. Ja, nog een paar jaartjes.

"Door dat huisje, dat is heel raar - dat verlaat ik telkens, aan het eind van de zomer, en driekwart jaar later kom ik daar dan terug. En dan staat mijn theekopje nog precies zo bij het fonteintje als ik binnenkom - driekwart jaar ouder inmiddels. En dan ga je beseffen dat dat, hopelijk niet vandaag en ook nog niet morgen, maar overmorgen ophoudt. Dat er een punt komt dat dat niet meer van jou is, dat het weg is, verdwijnt. Niet eens doordat je dan de pijp uitgaat, maar doordat je er niet meer heen kan, omdat je weet ik het wat krijgt. Dat is - raar. Dat zijn natuurlijk heel gewone, eenvoudige constateringen die ieder mens kan hebben, maar die ik dan toch oppak."

Vooral als er dan een dode uil blijkt te liggen, zoals beschreven in het prachtige titelgedicht van een geur van verbrande veren (- zie het gedicht op pagina 32).

"Ja, nou, dat is ook een evenement ja. Nu is het natuurlijk een betrekkelijk normaal verschijnsel in huizen waar je een hele tijd niet komt dat er weleens zo'n beest klem komt te zitten - je hebt er een uil voor nodig en een grote schoorsteen, eigenlijk, en een huis dat is afgesloten. Wij hebben nu de schoorsteen met kippegaas omrasterd om te voorkomen dat ze erinlazeren. Ik dacht eerst dat zo'n uil dat deed omdat-ie een muisje wilde vangen of iets dergelijks, maar dat is het niet. Ze nestelen heel vroeg, al in het eind van de winter, en zoeken daar een aardig plekje voor uit. Veel van die Franse schoorstenen hebben zo'n dakje erboven, vooral als het voor een open vuur is. Daar kruipen ze dan onder, en dan gaan ze een takje over dat gat leggen, en nog een takje, en nog een takje, en soms gaan ze er te vroeg op zitten, en dan sodemieteren ze er doorheen.

"Zo'n jongen was het, een oehoe, zó'n jongen," - hij spreidt zijn armen en houdt zijn handen zo'n anderhalve meter uit elkaar - "een enorme uil, in vlucht dan hè. Die lag inderdaad zo, half op bed, alsof-ie neergestreken was.

"Dit is nou eens een anekdotisch gedicht, je gaat uit van een anekdote, iets buitengewoon aangrijpends, maar hoe maak je dat dan aangrijpend, wat doe je daar dan mee, met zo'n ervarinkje. Dan is het toch leuk om dat in een gedicht te maken, om het vast te houden. Het kleine drama dat zich daar heeft afgespeeld. Ik weet niet hoelang-ie daar gelegen heeft, maar wel vrij lang en ik vond 't een beetje eng om te verwijderen, ik dacht, die zit natuurlijk vol troep en wormen en rotzooi, maar het was allemaal al gebeurd. Hij was licht als een veertje, helemaal leeggevreten. Zijn schedeltje zat er ook op met wat veren, en dan die enorme haakbek.

"Het merkwaardige als je binnenkomt is de kleine chaos die in zo'n huisje dan aanwezig is. Overal kak dat er ligt - eigenlijk meer een soort kalk; spierwitte plekken. Is-ie ook nog het badkamertje ingegaan en daar is-ie dan tegen een muur gevlogen, daar zit een bloedvlek, en een soort deukje in het kalk. Je kan helemaal traceren hoe zo'n dier daar treurig aan z'n end is gekomen. Ja."

Zulke dingen gebeuren.

"Zulke dingen gebeuren, ja."

Herman Jacobs

Gerrit Kouwenaar, Helder maar grijzer. Gedichten 1978-1996, Querido, Amsterdam, 152 p., 690 frank. Gerrit Kouwenaar, een glas om te breken, Querido, Amsterdam, z.p., 599 frank. A.L. Sötemann, Verzen als leeftocht. Over Gerrit Kouwenaar, Historische Uitgeverij, Groningen, 160 p., 790 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234