Maandag 30/01/2023

De eeuw van pik en teer

In het Nederlandse poldermodel zijn twee kenmerken van de Nederlanders en hun natuurlijke omgeving verenigd: de naar overleg en consensus neigende geaardheid en de structuur van het landschap. Beide karakteristieken hebben, elk op hun eigen wijze en in samenhang met andere factoren, bijgedragen tot een korte maar hevige bloeiperiode in de Nederlandse geschiedenis, de zeventiende eeuw. Onlangs verscheen de schitterend geïllustreerde zevende editie van Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw, waarin Johan Huizinga zes zonnige schetsen maakt van het 'wonder' van de Republiek.

Annick Schreuder

Tegen de benaming 'Gouden Eeuw' heeft Johan Huizinga (1872-1945), historicus bij uitstek, zich altijd verzet. "Het is de naam die niet deugt. Als ons bloeitijdperk een naam moet hebben, laat het dan zijn naar hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantasie. Gouden Eeuw zou beter passen bij de achttiende eeuw, toen het goud gemunt in de geldkisten lag." Maar de hoge mate van beschaving van de Nederlanders ten tijde van de Republiek heeft hem altijd geïntrigeerd.

Over dat thema hield Huizinga begin jaren dertig een aantal lezingen voor buitenlandse universiteiten. Het succes van Herfsttij der Middeleeuwen (1919) had zijn faam als historicus ver buiten de Nederlandse grenzen verspreid en na de vertalingen in het Engels en Duits (in 1924) en in het Frans (1932) werd hij internationaal een veelgevraagd gastspreker. In zijn lezingen concentreerde Huizinga zich op de bloeiperiode van de Nederlandse geschiedenis, waarin hij steeds meer de Nederlandse cultuur als een op zichzelf staande grootheid voorstelde, ook al had hij daar op dat moment nog nauwelijks oorspronkelijke publicaties aan gewijd.

Het verschil met zijn eigen tijd was schrijnend groot. De economische en politieke crises van de jaren dertig stemden Huizinga somber en noopten hem tot het schrijven van cultuurkritische traktaten. Tegelijkertijd voedde zijn pessimisme ten aanzien van het heden, zijn liefde, om niet te zeggen zijn verering voor het verleden. Zijn schets van de Nederlandse beschaving in de zeventiende eeuw is gebaseerd op voordrachten die hij begin jaren dertig hield in Parijs en Keulen. Hij noemde het zelf met nadruk "een schets", waarmee hij een aantal noodzakelijke beperkingen rechtvaardigde. Hoewel hij aanvankelijk niets zag in een Nederlandse uitgave, deden de oorlogsomstandigheden hem van mening veranderen. In 1941 verscheen Nederlands beschaving voor het eerst.

Buiten alle lof die hem ten deel is gevallen, voor dit werk maar ook meer in het algemeen, heeft Huizinga ook het verwijt gekregen dat hij het verleden te zonnig voorstelde. Door vakgenoten is hem eenzijdigheid verweten: hij zou te weinig oog hebben voor sociale verschuivingen; hij zou het ethische aspect in de geschiedenis overwaarderen zodat hij soms meer op een dominee leek dan op een historicus. Veelal terechte kritiek. (Op geschiedtheoretisch vlak heeft onder anderen Jo Tollenbeek in zijn twee bundels over geschiedschrijving in Nederland en België hierover interessante opmerkingen gemaakt.) Maar dat laat onverlet dat de grote cultuurkennis, eruditie, gedrevenheid en het voorname taalgebruik waarmee Huizinga zijn visie op de Nederlandse beschaving in de zeventiende eeuw weergeeft, onvolprezen blijven.

Ten grondslag aan Huizinga's betoog ligt de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (in 1588), die in korte tijd tot volledige bloei kwam om vervolgens weer snel te verwelken. Hoewel ook in andere landen duidelijk hoogtepunten van beschaving waarneembaar zijn, is de Nederlandse Republiek het enige land dat in die tijd op alle gebieden tegelijk zijn hoogtepunt bereikte: als staat, als handels-, zeevaart- en nijverheidsmacht, als middelpunt van kunst en letteren. Wat heeft daartoe bijgedragen? Huizinga tracht bij de beantwoording van die vraag "zowel de eenzijdig esthetische kijk van nu als de eenzijdig politieke kijk van vroeger te vermijden". Zijn betoog bestaat uit zes essays die elk een aspect van de beschaving in de ruimste zin van het woord beslaan.

Volgens Huizinga spruit de Republiek voort uit de Middeleeuwen. De Republiek, in oorlog geboren, had vrede als doel en ideaal. In economisch, staatkundig en cultureel opzicht was zij daarom eerder gericht op het behouden dan op het verwerpen van oude waarden, normen en stelsels. "Alles neemt immers zo natuurlijk uit de Middeleeuwse strekkingen zijn loop," zegt Huizinga.

De term 'barok', die gemeenlijk wordt gebruikt om de zeventiende-eeuwse beschaving in Europa te karakteriseren, is met zijn hang naar "ongebonden weligheid van vormen en gedachten en bonte levensvolheid" slechts beperkt van toepassing op de Nederlandse situatie. Eigenlijk passen alleen Vondel en Rembrandt in dat beeld, waarbij de laatste in al zijn genialiteit, juist "in de uitdrukking van de stijl des tijds zijn grenzen vond". In de barok ligt voor Huizinga dan ook niet de verklaringsgrond voor "de kracht en de impuls van onze beschaving."

Het calvinisme dan, hoe zit het daarmee? Is het calvinisme de motor achter de korte maar hevige bloei van de Republiek geweest - en zo ja, in hoeverre? Huizinga wijst erop dat, behalve in de wetenschap, het Nederlandse (volks)leven doordesemd was van de leer en geest van Calvijn. Hij waagt zich niet aan een inhoudelijke bespiegeling van de vroomheid en innigheid van het godsdienstig leven ("men meet het besef van het Eeuwige niet met historische termen") maar ziet in de aan het calvinisme toegeschreven deugden als "geloofskracht, moed, vertrouwen en standvastigheid", naast matigheid en soberheid, eigenschappen die de Nederlandse geest gehard en "tot hun vruchtbare daden geschikt gemaakt hebben". Toch, zegt Huizinga, herkent hij noch in de grootste kunstenaars noch bij de vermaardste politici of eminentste geleerden der zeventiende eeuw een "ijverig calvinist". Zijn conclusie is dan ook dat de invloed van het calvinisme als stuwende kracht achter de Republiek van beperkte omvang geweest moet zijn, een mening die een aantal andere prominente historici met hem deelt.

De grootsheid van de Republiek laat zich voor Huizinga niet slechts verklaren uit geografische, sociale, economische en geestelijke factoren (om over "hypothetische begrippen als kapitalistische geest of calvinistische bedrijfslust" maar te zwijgen) en hij spreekt dan ook van het 'wonder' der Republiek. Het behoeft geen betoog dat historici na hem deze even charmante als ontoereikende verklaring verder uitgewerkt hebben.

Huizinga heeft zijn colleges altijd gelardeerd met zijn grote kennis van de schilderkunst, maar de vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn eruditie op zijn studenten overdroeg, heeft niet bij iedereen even inspirerend gewerkt, zoals te lezen valt in Annie Romein-Verschoors Omzien in verwondering, weinig eerbiedig ook wel eens 'Omzien in wrok' genoemd. In zijn bespreking van de zeventiende-eeuwse schilderkunst beperkt Huizinga zich (met een sneer naar "alle kunsthistorische diepzinnigheid" daaromheen) tot enkele "voor de hand liggende feitelijkheden" die erop neerkomen dat de schilder meestal de gewone dingen van het dagelijkse, burgerlijke leven afbeeldde. Ook op die visie is nogal wat kritiek gekomen, onder meer omdat zijn vooronderstelling dat er in de Republiek weinig belangstelling was voor bijbelse en mythologische schilderkunst, onhoudbaar is gebleken.

Hoewel Huizinga een lans breekt om het verleden empathisch te benaderen ("om dat alles te verstaan in het verband waarin wij het hier beschouwen: als uitingen der beschaving van ons voorgeslacht, moet men zich in de onbevangenheid en grofheid van zijn geest en smaak kunnen verplaatsen"), ontkomt hij zelf toch ook niet helemaal aan een eigentijds en al te persoonlijk oordeel. Ook al zijn de Vlamingen geen onderdeel van zijn essays ("enkel omdat de taak het Zuiden mede in zijn schets te begrijpen, de auteur te zwaar zou zijn gevallen"), kan Huizinga er niet omheen Frans Hals tegenover Van Dyck te plaatsen: "aan Van Dijcks zijde de voornaamheid, die bij ons niet thuis was, de gratie, de virtuositeit, het raffinement en de distinctie, die na drie eeuwen wel iets van hun bekoring verloren hebben, terwijl de forse natuurlijkheid en oprechte eenvoud van Hals zelfs de vreemdeling, die ons land en ons volk niet ten volle kan verstaan, als het hogere blijven treffen."

Dat er het nodige af te dingen valt op Huizinga's visie van de Nederlandse samenleving, erkent Anton van der Lem, Huizinga-kenner en bezorger van deze met veel zorg samengestelde editie, in zijn nawoord. "Op drie manieren heeft Huizinga de Nederlandse samenleving geïdealiseerd: naar de geest, naar het beeld en met het woord." Zonder hier al te diep op in te gaan ("een heruitgave is niet de plaats voor polemiek") maakt Van der Lem duidelijk dat Huizinga's opvatting om de Opstand alleen als onafhankelijkheidsstrijd te benaderen te beperkt is. De Republiek die als gevolg van de Opstand ontstaat, was gekenmerkt door een vrijheid van geweten die de hele wereld tot voorbeeld diende. Ook Huizinga's invalshoek met betrekking tot de schilderkunst is eenzijdig, of juister, gekleurd, want door woorden als 'echt', 'oprecht' en 'onopgesmukt' te gebruiken om het realisme in de Nederlandse schilderkunst weer te geven, geeft hij zijn woorden tevens een ethische strekking. En hierin, zegt Van der Lem, ligt de derde idealisering: "De geschreven voorstelling is zo mooi dat met het woord een geïdealiseerd beeld voor ogen geroepen is, een beeld van louter zonneschijn, herstel, van blijde zonneschijn."

Enfin, een zonniger voorstelling van het verleden of niet, Huizinga blijft in stijl, want ook het klimaat heeft bijgedragen tot de bloei van de Republiek. Immers, zonder de overheersende westenwind zou Nederland niet het land van de windmolens en (drooggemalen) polders geworden zijn.

Johan Huizinga (bezorgd door Anton van der Lem), Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw, een schets, Contact, Amsterdam, 188 p.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234