Donderdag 19/05/2022

De eenzame uren van juffrouw Marcella en juffrouw Katleen

'Het ging allemaal zo rap. Voor elk nieuw begijntje dat binnenkwam, waren er twee die stierven'

ANNEMIE BULTEDE LAATSTE BEGIJNTJES van vlaanderen

'Eens kijken, met hoevelen zijn we nog?' Juffrouw Marcella prevelt wat en steekt ten slotte acht beverige vingers omhoog. Eén vinger gaat terug naar beneden. 'Da's ook waar. In Gent is onlangs de honderdjarige juffrouw Sidonie overleden.' Sinds een week prijken dertien Vlaamse begijnhoven op de lijst van het door de Unesco erkende culturele werelderfgoed, naast de Egyptische piramide van Gizeh en de Griekse tempels van Delphi. Het lot van hun bewoonsters lijkt daarmee definitief bezegeld. De zwanenzang van de Vlaamse begijntjes, en hoe de 33-jarige juffrouw Katleen daar twee jaar geleden een nieuw couplet aan breide.

'Zijt ge klaar voor de rondleiding?', vraagt ze wat ongeduldig. Juffrouw Marcella Pattyn is de allerlaatste begijn in het Sint-Elisabethhof van Kortrijk: een frêle gestalte van 78 jaar, nagenoeg blind en aangewezen op een elektrisch rolwagentje. Botontkalking. Juffrouw Marcella blijft er vrolijk bij. "Ik heb nog altijd mijn werk. Ik doe de hele dag niets anders dan breien, breien, breien. Poppen en witte muisjes met roze snuitjes. Die verkoop ik ten voordele van de Vereniging voor Zieken. Soms brei ik wel acht uur aan een stuk. En voor de rest: bidden natuurlijk, en rijden." Daar is ze handig in. Met een vervaarlijke snelheid dokkert ze over de hobbelige steegjes tussen de witgepleisterde huisjes. De ratelende wielen maken een hels lawaai in het stille begijnhof. Juffrouw Marcella wordt helemaal door elkaar geschud, maar lijkt daar geen last van te ondervinden. Ze neemt de bochten met een verbazingwekkende elegantie. De blindenstok zwiept van links naar rechts. Af en toe houdt ze halt om iets aan te wijzen. "Jongeman", roept ze naar de fotograaf. "Dit trappenhuis is ook mooi." Daarna trekt ze met een stevige por aan het hendeltje van haar rolwagen en rijdt gezwind verder.

Marcella Pattyn was de jongste, toen ze in 1960 in Kortrijk arriveerde. Van de 137 begijntjes die in de bloeiende zeventiende eeuw op het Sint-Elisabethhof hadden geleefd, waren er nog negen over. Daar, op nummer twintig naast de bleekweide waar vroeger het wasgoed lag, hadden Maria, Madeleintje en Marie gewoond. Ze waren onafscheidelijke vriendinnen, tot juffrouw Maria dement werd. Toen de twee anderen op een avond thuiskwamen en Maria honderden kaarsjes had aangestoken om zich te verwarmen, verhuisde het begijntje veiligheidshalve naar een rusthuis. De twee anderen zijn intussen ook alweer twintig jaar dood. De pastoorsmeid van Guido Gezelle is hier ook nog begijntje geweest, maar die heeft Marcella niet meer gekend.

"Het ging allemaal zo rap. Voor elk nieuw begijntje dat binnenkwam, waren er twee die stierven. Was het nu een griep die in het hof binnengekomen was, ik weet het niet, maar uiteindelijk bleven alleen ik en de grootjuffrouw over." Op 18 april 1990 gaf ook grootjuffrouw Laura De Coninck de geest. Toen was Marcella alleen.

Felix Timmermans schreef een boek over 'de zeer schone uren van Juffrouw Symforosa, begijntje'. In Jommeke zijn Begonia en haar geestelijke zussen niet weg te denken. De Brugse begijntjes aan het Minnewater zijn wereldberoemd. Nergens ter wereld is de begijnenbeweging zo aanwezig geweest als in Vlaanderen. Oude kwezeltjes die kantklossen of linnen bleken, werden duizenden keren afgebeeld op prentkaarten, poserend in zwarte flodderkleren en witte kappen voor de schilderachtige gevels van hun huisjes. Het cultuurdepartement van de Verenigde Naties (Unesco) erkende ze vorige week als cultureel werelderfgoed. Dertien Vlaamse begijnhoven prijken nu op dezelfde lijst als de Egyptische piramide van Gizeh en de Griekse tempels van Delphi. De vereeuwiging van de hofjes als toeristische trekpleister lijkt de laatste stuiptrekking van een zevenhonderd jaar oude beschaving die zich had afgespeeld achter de muren van kleine besloten hofjes, binnen of net buiten Vlaamse stadswallen.

Begijnen waren er al in de twaalfde eeuw. De beweging ontstond in steden als Luik en Nijvel. Religieuze vrouwen, aanvankelijk uit adellijke families, gingen in groepjes samenwonen en verzamelden zich in conventen. Sociologen situeren het verschijnsel in de demografische context van die tijd. Er was een vrouwenoverschot, en vele vrome dames die niet voor altijd naar het klooster wilden maar ook het huwelijk afwezen, gingen samenwonen. De hoge clerus wist geen raad met de vrouwen, die een radicale en persoonlijke geloofsbeleving hadden maar toch de kerkelijke regels afwezen.

Een pauselijke bul uit 1311 veroordeelde de begijnen als ketters. De bisschoppen van Luik, Doornik en Cambrai namen het in Rome voor hen op, wat meteen verklaart waarom de beweging in Vlaanderen overeind bleef en in de buurlanden werd uitgeroeid. Een van de begijnen die toen op de brandstapel belandde, was een vriendin van Hadewych, de begijn uit de twaalfde eeuw die de mystiek beoefende en haar minne tot God bezong zoals de middeleeuwse troubadours tot hun geliefde kweelden. Die spirituele hoogten zouden in de latere eeuwen plaatsmaken voor een volkse vroomheid en een zakelijk instinct. Begijnen waren geen kloosterzusters. Een non die in het klooster trad, deed afstand van haar bezittingen en legde eeuwige geloften af. Begijnen legden alleen tijdelijke geloften af en mochten handel drijven. Veel begijnhoven werden kleine economische entiteiten die met handwerk en wasgoed in hun eigen onderhoud voorzagen - vaak tot ongenoegen van de handelaars, aangezien de begijnen dumpingprijzen hanteerden.

Na de zeventiende eeuw was de begijnenbeweging over haar hoogtepunt heen. De Franse bezetter schafte de begijnhoven af en hevelde ze over naar het patrimonium van steden of de openbare onderstand. Later mochten de vrouwen wel terugkeren, maar het elan was gebroken. In het begijnhof van Bilzen werd een slachthuis ondergebracht. Het verminderde aantal roepingen deed de rest. Zelfs de omwenteling in de kerken van Latijnse naar Vlaamse missen kon dat niet verhelpen.

In de zesentwintig begijnhoven die vandaag in ons land nog overeind staan, leven in totaal drie begijntjes. Vier andere zitten in rusthuizen. De Brugse begijntjes zijn misschien het bekendst, maar zij mogen niet worden meegeteld: sinds 1927 wordt het begijnhof aan het Minnewater bevolkt door benedictijnse kloosterzusters die op zon- en feestdagen in begijnenhabijt door hun hofjes schuifelen - voor de toeristen.

Juffrouw Marcella is blij met "de prijs" van de Unesco, hoewel ze stilletjes toegeeft dat ze eigenlijk liever kloosterzuster was geworden. "Dat wist ik al toen ik zestien was." De jonge Marcella had thuis niets gezegd, maar op de blindenschool in Brussel had ze de lerares van het laatste jaar in vertrouwen genomen. Soeur Marie-Jacques had haar een plaatsje in het klooster beloofd. Het was juni 1938. Marcella beëindigde haar studies. "Ik heb slecht nieuws", had soeur Marie-Jacques gezegd.

- Ze hebben bij ons onlangs al een doofstomme zuster aangenomen. Naar 't schijnt geeft dat nogal wat problemen.

- Ik ben niet doofstom, ik ben blind.

- Ik heb dat ook gezegd. Ik heb verteld dat ge erg handig zijt. Maar ze zeggen dat ge niet met de gebeden zult meekunnen.

- Ik ken mijn gebeden, ma Soeur. Het is toch niet omdat ik niks zie, dat ik niet ten dienste van anderen kan staan?

- Ik weet het kind. Ik denk dat ze schrik hebben dat ge niet voor uw eigen kunt zorgen.

Zo ging dat. Juffrouw Marcella wordt er vandaag nog steeds boos om. "Twee jaar lang ben ik overal met mijn neus tegen de muur gelopen. Alle kloosters heb ik gedaan. Ook begijnhoven. 't Was overal nee. Ik vond dat zo onrechtvaardig. Ik ging luisteren in de mis, toen vijftig jonge meisjes in Gent hun kloostergeloften aflegden. Vijftig meisjes, en ik was er niet bij..."

"Marcelleke? Dat jong geraakt aan niks", zeiden ze in Eeklo, toen ze terug bij haar ouders ging wonen. Er kwam een brief van een oude vriendin uit de brailleschool. Zij was binnengeraakt in een slotklooster boven Parijs. Het is fantastisch, schreef ze. Ze aanvaarden hier alles: blinden, doven... zelfs als ge niet kunt lopen. Marcella spoedde zich naar Parijs. "Mijn moeder heeft zich daar toen met hand en tand tegen verzet", weet ze nog. "Ze was bang dat ze mij nooit meer zou zien." Uiteindelijk raakte Marcella binnen in een begijnhof met de hulp van de bisschop. "Ik werd in Kortrijk eerst geweigerd. Maar monseigneur De Smedt van Brugge had gezegd dat ze mij toch moesten binnenlaten." Zo werd Marcella op haar twintigste begijn. Grootjuffrouw Laura De Coninck, die het begijnhof van Kortrijk met ijzeren hand leidde, zou haar de tussenkomst van de bisschop nooit vergeven.

Hoewel de begijnhoven vanaf 1800 onder het diocesane recht vielen en de bisschop een relatieve bevoegdheid kreeg in het tuchtrecht, was grootjuffrouw Laura De Coninck allergisch voor de bemoeizucht van het bisdom. Ze was een begijn van de oude stam: baas in eigen begijnhof. De Kerk had sinds het concordaat van 1801 een reeks begijnhoven erkend als zelfstandige parochiekerk, waardoor de pastoor werd benoemd door de bisschop. Maar wanneer die zich te veel wilde mengen in de interne keuken van de begijnen, leidde dat soms tot conflicten.

Behalve aan kerkelijke betutteling had grootjuffrouw Laura van Kortrijk ook een hekel aan toeristen. Ze had nooit goed kunnen verkroppen dat haar soort tot een nostalgische bezienswaardigheid aan het verworden was. Wanneer er fotografen in de buurt waren, stak ze haar tong uit of hield ze een grote witte zakdoek voor haar gezicht. Ooit dreef ze een stel Engelse toeristen met haar stokje van het begijnhof omdat het "d'ure van te sluiten" was.

Met juffrouw Marcella kwam het nooit meer goed. "Mijn leven lang heeft ze mij dat laten voelen", vertelt Marcella. "Ze mocht mij niet omdat ik blind was, kwam alleen op bezoek als het echt niet anders kon. Als er een huisje op het begijnhof vrijkwam waar ik graag wilde wonen, verzweeg ze dat." Het waren kleine, onderhuidse pesterijen. Maar juffrouw Marcella had trouw gezworen aan de Grote Begijnenregel. Opstandigheid tegen de grootjuffrouw was zo mogelijk nog een grotere zonde dan het binnenbrengen van een man op het begijnhof. "Telkens als ik voelde dat ik kwaad zou worden, zei ik: 'Grootjuffrouw, ik ben een beetje moe, mag ik naar binnen gaan?'", lacht Marcella schalks. Ook toen ze nog maar met z'n tweeën op het begijnhof overbleven, bleef Marcella zich tien jaar lang voor juffrouw Laura uit de voeten maken met de melding dat ze een beetje moe was. "Soms zijt ge beter dat ge zwijgt."

Grootjuffrouw Laura stierf zoals ze geleefd had, met de witte begijnenkap op. Dat zorgde bij haar overlijden in het ziekenhuis voor problemen. De kap van gesteven wit linnen was in de jaren zestig afgeschaft en vervangen door het beter wendbare zwarte sluiertje, zoals de kloosterzusters er een hadden. De meeste begijntjes waren blij met de verandering. De witte kap was niet alleen moeilijk schoon te houden maar belemmerde voortdurend het zicht. Vooral toen steeds meer begijntjes met de auto begonnen te rijden en er een groot aantal paaltjes op de begijnhoven sneuvelde, werd de afschaffing algemeen. Maar juffrouw Laura had er nooit afstand van kunnen doen. "De mensen moeten kunnen zien dat ik een begijntje ben", zei ze. "Ik doe niet mee aan de mode van de nieuwe kloosterzusters."

Dat was dus het probleem, op de dag van haar overlijden. In het ziekenhuis wist niemand van de verpleegsters hoe die witte begijnenkap op het hoofd van de grootjuffrouw moest blijven zitten. De hulp van Marcella werd ingeroepen. "Sapristi, dat was een ingewikkelde bedoening, met al die plooien en speldjes", sakkert ze. "Ik had dat ook al in geen dertig jaar meer gedaan. En dan nog bij een dode, met dat kopje dat altijd scheef hing. Ze lieten mij daar helemaal alleen. 'Zorg dat haar mond niet openvalt', hadden ze nog gezegd." Urenlang bleef juffrouw Marcella in de witte ziekenhuiskamer achter met het lichaam van de grootjuffrouw. Ze voelde zich misselijk worden. Terwijl ze het ene gebed na het andere prevelde, hield ze één vinger onder de kin van de vrouw die haar nooit had kunnen luchten. "Die dag in het ziekenhuis, dat was de ergste dag in mijn leven."

Het geworstel van Marcella met de begijnenkap was symbolisch voor het proces dat zich in alle Vlaamse begijnhoven sinds de eeuwwisseling aan het voltrekken was. De vrome vrouwen en hun huisjes waren pittoresk geworden. "Wij zijn nu definitief een zaak voor toeristen geworden", zegt juffrouw Josephina Goethals berustend. De 83-jarige grootjuffrouw is de enige overblijver in het onmetelijke begijnhof van Sint-Amandsberg bij Gent. Haar hele leven heeft ze doorgebracht met bidden, het naaien van kleertjes voor Onze-Lieve-Vrouwebeelden, en de boekhouding van het begijnhof. Dat wordt nu verhuurd aan rustige echtparen en bejaarden. Monica Lewinsky, de zaak-Dutroux en de genocide in Rwanda zijn hier totaal ongemerkt voorbijgegaan. Maar ook het grote nieuws over het jonge begijntje is nog niet tot hier doorgedrongen. Twee jaar geleden legde in Tienen een nieuw begijntje haar geloften af. Dat was al in geen vijftig jaar meer gebeurd. "Maar zo'n jong ding alleen", haalt juffrouw Josephina de schouders op, "dat kan niet veel meer doen hé... Wat wil die nu nog begijntje spelen, in haar eentje."

Katleen Meyers wordt boos als ze dat hoort. "Het kan wél", zegt ze fel. "Misschien ben ik vandaag nog alleen, maar wie weet zijn de begijnen aan een heropleving toe. Kijk naar Duitsland, daar is enkele jaren geleden ook een groepje begijnen opgestaan."

Juffrouw Katleen, 33 jaar, beseft dat ze binnenkort de allerlaatste zal zijn. Om op een begijnhof te gaan wonen is ze een beetje te laat. "Daar heb ik ook geen zin in", zegt ze. "Ik ga niet wegkwijnen bij een tachtigjarige. Die vrouwen leven nog in het begin van de twintigste eeuw, ik leef in het nu." Daarom woont het jonge begijntje nog bij haar moeder. "De allereerste begijnen uit de twaalfde eeuw woonden ook bij hun familie of alleen in de stad. Ze leidden een leven van soberheid en gebed ten dienste van de armen en zwakken. Die begijnhoven kwamen er pas later aan te pas, toen de kerkelijke hiërarchie controle wilde krijgen over die groep vrouwen.

"Ik was vijftien toen ik de beelden zag van hongerend Ethiopië. Ik weende voor de televisie. Die kinderen met die hongerbuikjes, ik zou zo mijn koffers gepakt hebben om ze te gaan helpen. Ik kon niet tegen onrecht. Als ik bijvoorbeeld zakgeld kreeg om snoep te kopen en ik kwam een bedelaar tegen, dan wrong alles in mij. Die bedelaar had niets en ik had 50 frank voor snoep! Dan werd ik niet rustig voor ik dat geld aan die bedelaar gegeven had. Op school vonden ze mij een rare omdat ik altijd radicaal voor de zwaksten, de zwarten, de gastarbeiders koos. Ze vonden dat ik overdreef. In de godsdienstles was ik gefascineerd door Jezus. Ik voelde dat God meer van mij verlangde door het gebed. En ik begon te zoeken.

"Op mijn achttiende was mijn keuze gemaakt. Ik zou intreden bij de zusters van moeder Teresa, naar Italië trekken en daar de rest van mijn leven als een soort missionaris doorbrengen onder de armen. Ik had al drie jaar lang al mijn vakanties en weekends doorgebracht bij de zusters van moeder Teresa in Gent. Daar heb ik leren bidden. Je moet dat niet onderschatten, hoor: elke ochtend om twintig voor vijf opstaan, en twee uur gebed en meditatie voor het ontbijt. In de namiddag gingen we bij de armen op bezoek. Ik herinner mij die bezoekjes in de krottenwijken van Gent. Daar woonde zo'n luizig mevrouwtje met haar hond in een smerig krot. Ze at met haar handen en er hing een rotte stank. Ik ging er elke zaterdag afstoffen. Het vrouwtje was blij dat ze iemand zag, ze was heel eenzaam. Daar, in die stinkende Gentse krotwoningen, heb ik voor het eerst gevoeld: God is onder ons. Hier is Jezus, onder de minstbedeelden. Dat was een enorme gelukservaring. Ik was fulltime bezig met mijn roeping als zuster. Ik ben toen naar Italië vertrokken om bij de zusters van moeder Teresa te gaan leven. Dat was heel hard. Die zusters daar leefden naast een vuilnisbelt en aten enkel oud brood. Ik werd zwaar ziek en moest terug naar België komen. Ik voelde: ik kan dit leven niet aan. En ik viel in een zwart gat.

"Ik heb toen even getwijfeld of ik toch maar niet zou trouwen en vijf kinderen krijgen... (proest het uit) maar dat heeft niet lang geduurd. Ik wist nog altijd niet wat ik precies zou gaan doen, maar ik had wel mijn geloften van maagdelijkheid afgelegd, en die hernieuwde ik elk jaar. Waarom? Omdat ik mijzelf zag als die ingewijde vrouwen. Ik wou mij helemaal geven aan Christus." Soms is het moeilijk, met die maagdelijkheid. "De mens is een seksueel wezen, hé. Soms, als ik kinderen zie, denk ik: dat ga ik ook missen. Maar het is logisch dat het niet zo gemakkelijk gaat. Anders zou je er geen geloften voor moeten afleggen."

De zoektocht naar een roeping leidde langs een kindercrèche, studies godsdienstwetenschappen, lesgeven en kloosters. "Het waren de mystieke gedichten van Hadewych die mij uiteindelijk over de streep trokken." Katleen Meyers legde haar geloften af op 2 december 1996. Ze was 31 jaar. Een priester schreef, speciaal voor haar, een nieuwe begijnenregel. Een regel met ingrediënten van de rozenkrans, de biecht, nederige handenarbeid. "Kijk, met mijn diploma kon ik ook les gaan geven, goed mijn brood verdienen en alleen gaan wonen. Nu maak ik de bedden op van demente bejaarden en kuis ik rolstoelen. Ik ben daar gelukkig mee."

Hoe ze de rest van haar leven ziet, is minder duidelijk. De grootjuffrouw van weleer is vervangen door een 'geestelijke vader', een priester. "Ik bid veel - een beetje te veel, zegt mijn geestelijke vader. Voor de slachtoffers van de genocide van Rwanda, en voor de ouders en kinderen in de zaak-Dutroux. Daar zit ik mijn hoofd over te breken. Hoe kan het, dat iemand zo slécht is? Maar ik geloof vast in de kracht van het gebed."

Of ze nog wat anders doet, behalve bidden? Breien? Ze haalt een boekje boven: een boekje in het Middelnederlands van Ruusbroec, over een dag contemplatief leven. Ze aarzelt. "Weet je wat ik ook lees? Humo!", bulderlacht ze plots. "Niet elke week hoor. Die reeks 'Armoede in Vlaanderen' bijvoorbeeld. Als ze weer eens kritiek hebben op de Kerk, dan zeg ik: 'Och, ze zijn daar weer'. Ik vind ook niet alles goed wat de Kerk zegt. Het standpunt over condooms bijvoorbeeld. Beter een condoom dan een abortus of aids, vind ik." Ze praat wat zachter, alsof het zondig is. "En de houding tegen homo's en tegen de progressieve priesters in El Salvador keur ik ook niet goed. Maar er wordt veel te veel over de negatieve kanten van de Kerk gesproken. Het is een menselijk instituut, en waar mensen zijn worden natuurlijk fouten gemaakt. Er zijn zoveel positieve dingen!

"Ik ben geen kwezelke", herhaalt ze voor de derde keer. Ze luistert naar de Top-30. Ze mist geen enkele aflevering van Thuis. "Dat vind ik spannend" (enthousiast) "Die moord, en Frank die daarvoor moest opdraaien..."

De erkenning van de begijnhoven door de Unesco bracht geen oplossing voor het geval-Katleen Meyers. Het ging precies zoals grootjuffrouw Laura De Coninck het vijf jaar voor haar dood aan een bezoeker van het begijnhof had voorspeld: "Als ik dood ben, gooien ze mij in een put bij mijn vriendinnen en maken ze er hier allemaal appartementen van." Juffrouw Marcella hoopt dat de drukte snel voorbij is. "Met dat hele gedoe rond de Unesco wilden ze mij verplichten om mijn witte kap nog eens op te zetten", zegt ze. "Ik heb geweigerd."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234