Zondag 16/02/2020

De echte vader

van Dada

Walter Serner: De tijgerin. Een vreemde liefdesgeschiedenis. Vertaald door Ernst van Altena. Uitgegeven bij Goossens. (oorspronkelijk gepubliceerd in 1925).

Je moet jezelf goed verkopen, anders kom je nergens. Walter Serner, pseudoniem van Walter Eduard Seligmann (1889-1942?), was een van de roergangers van het dadaïsme. Hij had een grote invloed op het Cabaret Voltaire, dat door Hugo Ball en een aantal kompanen in 1916 in Zürich werd opgericht, en zijn manifest Letzte Lockerung ('Laatste remmen los') is een van de belangijkste Dada-teksten.

Toch is Serner zowat volledig vergeten. Niet alleen zal je zijn naam vruchteloos in encyclopedieën zoeken, ook gespecialiseerde Dada-overzichten besteden amper een paragraafje aan de man. Dat is onterecht. Zoals Ernst van Altena, de vertaler van De tijgerin, in zijn nawoord schrijft, heeft Tristan Tzara de ideeën van Serner eenvoudigweg gestolen. Tzara is wél erkend als "vader van Dada", onder meer voor zijn manifesten die onlangs opnieuw in het Nederlands werden uitgegeven. Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog werden in Frankrijk alle Duitstalige teksten geweerd en daar heeft Tzara, volgens Van Altena, handig gebruik van gemaakt. De Roemeen schreef een manifest in het Frans, maar geheel gebaseerd op de bon mots van Serner, en stuurde het naar de toonaangevende criticus André Breton. Het manifest sloeg in als een bom, en Tzara's naam was gevestigd. Wanneer Serner in 1920 naar Parijs trekt wordt hij door Tzara en de mede-dadaïsten nogal koel ontvangen. Serner voelt zich verraden en wanneer Letzte Lockerung eindelijk gedrukt wordt, heeft hij het woord 'Dada' overal vervangen door 'Rasta' ('zwendelaar'). Dat Breton Serner later rehabiliteert en Tzara als rasta ontmaskert, heeft Serner niet van de vergetelheid kunnen redden. In de reeks literaire experimenten die hier om de twee weken aan bod komt, leek het dus een goed idee om deze "incarnatie van de revolte" (de woorden zijn van Dada-kenner Hans Richter) op te vissen, eerder dan Tzara, Francis Picabia of Kurt Schwitters nog eens op te voeren. Niet alleen zijn die laatsten sowieso voldoende zichtbaar op de cultuurmarkt (via heruitgaven en toneelopvoeringen allerhande), maar Serner zélf is een bijzonder intrigerend figuur, wiens betekenis niet zomaar met het woord Dada samengevat kan worden.

De Tsjech, die het op een blauwe maandag ooit tot "doctor in de rechtsfilosofie" had geschopt, leidde een bijzonder onstuimig, bij wijlen wervelend, maar ook zeer obscuur zwerversbestaan. Voor hij onmiddellijk bij Dada betrokken raakte, had hij al een tijdschrift (Sirius) opgericht. Het tijdschrift was nihilistisch van inslag, en bracht werk van onder anderen Else Lasker-Schüler en Pablo Picasso. Het hield het acht nummers vol, wat lang niet slecht was voor een avant-gardetijdschrift (van het tijdschrift Cabaret Voltaire, niet te verwarren met het eerder vermelde kabaret, verscheen bijvoorbeeld maar één nummer, en dat was eerder regel dan uitzondering).

Na een aantal andere literaire schermutselingen, begint Serner aan zijn Europese zwerftochten. In de vroege jaren twintig woont Serner onder andere in Barcelona, Bern, Wenen, Karlsbad en Praag. Vanaf de late jaren twintig is hij spoorloos. De wildste geruchten doen de ronde: sommigen beweren dat hij zich in de criminaliteit zou hebben gestort, maar de Serner-editeur Thomas Milch houdt het erop dat hij is teruggekeerd naar zijn Tsjechische geboortedorp om daar te trouwen met een jeugdliefde en een middle-class bestaan te leiden. Ook over zijn dood is niet veel bekend. De laatste hypothesen wijzen allemaal in de richting van een deportatie. Dezelfde Milch heeft aanwijzingen gevonden dat hij in 1942 naar Theresienstadt zou zijn weggevoerd.

Serner was niet echt een optimist, maar zijn geestdrift spreekt uit elke bladzijde van De tijgerin. Het boekje, veelal omschreven als een "erotische detective", speelt zich af in een volslagen decadent decor, in groezelige cafés op Montmartre, of juist in de schitterdende balzalen van Nice, met vechtpartijen zonder reden, met altijd veel te veel alcohol en drugs. Serner viert het feest van het mondiale bankroet met verve. En dat is wat Dada ook zo'n zeventig jaar later nog sexy maakt: eerder dan door de hoop aforismen die nu nog leuk of aardig kunnen genoemd worden, maar verder toch vooral museale waarde hebben, is Dada nu nog interessant door de intensiteit waarmee die onzin (letterlijk) werd uitgekraamd. Een boekje als De tijgerin kan ook vandaag nog boeien, niet wegens de perverse wijsheden zelf, maar vooral wegens de autoritaire zwier waarmee ze in je gezicht geslingerd worden en het gewelddadige, van oorsprong gitzwarte, plezier dat eruit spreekt. De aantrekkingskracht van het werk van Walter Serner ligt vooral in de wrange spanning tussen, enerzijds een verwoeste wereld en anderzijds de wens om dat werelddebacle eindeloos vaak vurig te gaan prediken.

De plot van De tijgerin is snel naverteld. Fec, zwervende boef en gentleman-oplichter, maakt een onuitwisbare indruk op de ongenaakbare Bichette, een prostituée met streken. In een café houdt Fec een lange monoloog die het begin zal zijn van een apocalyptisch avontuur, zijn laatste: "Luister, Bichette, ik hou ook niet van jou (...) Maar je hebt gelijk, Bichette, ook ik hou het zo gewoon niet meer uit." Na de maakbaarheid van de mens, meteen ook de maakbaarheid van de liefde: "Ja, we gaan onszélf maken. (...). Luister, Bichette, wij moeten ... van elkaar houden. We moeten die liefde ... maken". De sentimentaliteit komt, zoals u ziet, binnen langs de achterdeur, maar toch is het ook niet helemaal weekendfilm-materiaal: beide protagonisten zijn overtuigd van de onmogelijkheid of dan toch minstens van de complete stompzinnigheid van de liefde. Geen ridders op het witte paard, dus. Niettemin besluiten ze uiteindelijk toch samen op reis te gaan, om elkaar verliefd te maken en om ondertussen de beau monde geld af te troggelen. Bichette geilt wat rijkelui op, Fec doet zich voor als baron Punschoff en ondertussen zijn ze allebei af en toe uitzinnig zonder echt gelukkig te zijn, of toch zonder dat aan elkaar toe te geven.

De roman bereikt zijn hoogtepunt wanneer Bichette wegvlucht naar Parijs, zonder Fec te verwittigen. Hij gaat haar achterna en in een hilarische, maar ook zeer ontluisterende scène discussiëren de twee over de vraag wie er nu verliefd was op wie. Omdat ze allebei even onaantastbaar willen zijn, leggen ze hun eigen blijken van liefde uit als listen om de ander verliefd te maken. Vooral Fec ontpopt zich als een Sherlock Holmes van het liefdesspel door met behulp van Bichettes tegenstrijdige verklaringen haar verliefdheid aan te tonen, als had ze een moord gepleegd. Het boek eindigt, niet echt verrassend, in een complete desillusie. Als je jezelf tè goed verkoopt, kom je nergens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234