Dinsdag 18/02/2020

De dwaalwegen van dada

Grootste gemene deler was de deconstructie en de provocatie, de bewuste incoherentie en het feilloze instinct voor wat de goegemeente als tegennatuurlijk afdeed

Paradoxaal genoeg hebben de beeldenstormers van dada voldoende materiaal nagelaten om in Parijs een reusachtige tentoonstelling te bouwen, die straks naar Washington en het New Yorkse MoMA trekt. Alles moest weg, maar zelf hebben ze elke krabbel netjes opgespaard - het oogt als het familiearchief van een oude man die niets wilde weggooien. Bovendien heeft het Centre Pompidou een wonder verricht. De scenografie rijmt perfect met het chaotische universum van de beweging die de kunst op haar kop zette. Over de grote galerie op de zesde verdieping werd een raster gelegd dat de ruimte verdeelt in veertig vierkante zaaltjes, als vlakken op een schaakbord. Er is geen hiërarchie, geen verplicht parcours. Elke zaal heeft zijn eigen thema: een kunstenaar (Ernst, Tzara, Hausmann), een plek met dadaïstische allure (het Cabaret Voltaire, Keulen, de metropool) of een discipline (de readymade, typografie, optische kunst, film). De hoeken van de kamers zijn open, zodat er kruisverbanden ontstaan en de toeschouwer gretig van de ene zaal naar de andere kan kijken en wandelen.

Aan de ene kant herinnert een gang met druk- en schrijfwerk in een vitrine over de hele breedte van de galerie ons eraan dat dada vooral een literair verschijnsel was. Aan de overkant zijn intieme kabinetten ingericht waar klankgedichten, kreten en gefluister gemixt worden met de Musique d'ameublement van Erik Satie en Duchamps pianostukje. In een helle, lege ruimte gulpt het simultaangedicht L'Amiral cherche une maison à louer uit vijftig luidsprekertjes. De film Entr'acte van René Clair wordt geprojecteerd over het sublieme panorama van Parijs aan het andere eind van de tentoonstelling. Het begrip 'multimedia' lijkt wel een dadaïstische vondst.

Tussen veel ongein zijn er onvermoede ontdekkingen te doen: Schwitters' assemblages, de montages van Hannah Höch of Metropolis van Paul Citroen. In het poppentheater van Sophie Taeuber-Arp uit 1918 ontmoeten we marionetten als Truffaldino en een uit het Peulengaleis ontsnapt hert, maar evengoed het personage Freud Analyticus. België kreeg een eigen kamer, met een lading collages en objecten van Paul Joostens, een exemplaar van Paul van Ostaijens Bezette stad en de manuscripten van onze volbloed dada Clément Pansaers, die hier uitstekend tot zijn recht komt. Kroon op het dadaïstische (sloop-)werk is de catalogus: een echte valse telefoongids van meer dan duizend dunne bladzijden, met een schat aan informatie en illustraties. Heerlijk. (EM)

Tot 9 januari 2006 in het Centre Pompidou, Parijs (metro Rambuteau of Hôtel de Ville). Elke dag behalve dinsdag, van 11 tot 21 uur (donderdag tot 23 uur). Toegang 9 euro. De catalogus kost 39,90 euro, de bezoekersgids 8 euro.

DADA: het Centre Pompidou laat de jonge honden los

Een slopend 'nee' tegen de gang der dingen

Hoe ironisch kan de geschiedenis zijn: de gepatenteerde onnozelaars van dada die tussen 1916 en 1923 het kunstbedrijf te kijk zetten, zijn zelf een respectabel isme geworden. Het Centre Pompidou stouwde een verdieping vol met 1.576 knutselwerkjes, pamfletten en films. Dada doute de tout! Iedereen zijn eigen voetbal! Fümms bö wö tää zää Uu! U zee tee wee bee!

Parijs

Van onze medewerker

Eric Min

Nooit eerder werden de categorieën van het schone, het ware en het goede zo grondig geschoffeerd als door de tafelspringers van dada. Omstreeks 1916 gingen ze op pad, en nauwelijks zes jaar later was het voorbij; hun roemruchte uitvalsbasis in Zürich, het Cabaret Voltaire, sloot al na vijf maanden de deuren. Het sloopwerk dat de horde onderweg aanrichtte, was een artistiek keerpunt. Betekenissen werden overboord gegooid, zinnen onderuitgehaald. Tot aan de vooravond van de Groote Oorlog was kunst vooral versiering geweest: een nobele versie van de zichtbare werkelijkheid, gemaakt door een vakman of een geniaal, tegendraads individu. Toch kwam dada niet uit de lucht vallen. Misschien waren het wel de oude impressionisten die de eerste schuchtere passen hebben gezet op weg naar de ontbinding van het beeld in vlakken van kleur en klank. Maar geen storm was zo verwoestend als wat Duchamp, Tzara of Schwitters hebben aangericht, en uit geen enkel ander glas water kunnen we een eeuw later nog altijd drinken. Dada heeft zijn plaats verdiend, ergens tussen het grof huisvuil en het Klein Gevaarlijk Afval van de geschiedenis.

Wat moest er gebeuren om een radicale avant-garde van jong, gestudeerd volk niets minder dan de dood van de kunst te laten verkondigen? Eén: niemand had het ooit gedaan en zoiets komt van pas als je een plekje in de handboeken wilt veroveren. Twee: enkele rare tiepen begrepen vrijwel gelijktijdig dat het klassieke af- en uitbeelden op een dood spoor was beland. Alles was al geschilderd of opgeschreven, in alle denkbare talen en stijlen. Iedere generatie wilde wel haar eigen Salon des Refusés vol nieuwe vormen en gedachten, met een vlag en een programma; het dwarse dada zou niet één maar wel honderd manifesten schrijven. Drie: de oorlog had het gezond verstand op nul gezet, de taal doen vastlopen in slogans en leugens. Aan de Somme en de IJzer werden duizenden soldaten als kanonnenvlees vermalen - dada was niet alleen het tijdverdrijf van een handvol literaire snobs maar een kreet van woede en onmacht, een snijdend, slopend 'nee' tegen de gang der dingen.

Als niets nog waarde had, moest je de beker tot de bodem leegdrinken. De keizer had geen kleren aan en de dadaïstische hofnarren wilden het schip wel even overnemen. Edele materialen als verf, canvas of brons werden ingeruild voor krantenpapier, lompen, touwtjes en spuug. Met kreten en autistisch gebrabbel, klankgedichten en door elkaar gebrulde nonsens gingen de nieuwlichters de syntaxis van volzinnen en muzikale frases te lijf. Het klassieke concert en het literaire avondje met de schrijver die voorlas uit eigen werk hadden afgedaan; chaotische performances kwamen ervoor in de plaats.

Het Cabaret Voltaire en de andere achterkamertjes van de geest presenteerden bonte avonden vol anarchistische onzin. In Zürich dreef de dichter Hugo Ball de harde kern naar het podium: Emmy Hennings, mijnheer en mevrouw Arp, de Roemenen Tzara en Janco, Richard Huelsenbeck. Kunstterrorist Marcel Duchamp had in 1912 zijn ironisch-kubistische doek Nu descendant un escalier geschilderd, maar trok naar Amerika en vond er nog voor de oorlog de readymade uit: een fietswiel op een kruk, een urinoir, een sneeuwschop. Later zou Man Ray het stof op Duchamps grote glasraam fotograferen als een weids landschap: waarom mochten vuil en afval geen kunst zijn? Duchamp en Man Ray, samen zowat de New Yorkse tak van dada, belandden na de oorlog in Parijs. Maar ook in de Berlijnse cafés woedde de revolte, terwijl Francis Picabia Barcelona voor zijn rekening nam en Kurt Schwitters de norse neef uit Hannover mocht spelen.

Wat de wereld nodig had, was een artistiek tabula rasa. Tristan Tzara, die later beweerde dat hij de beweging haar naam gegeven had door zijn woordenboek op een willekeurige bladzijde open te slaan, wilde zelfs niet weten dat er voor hem andere mensen, laat staan kunstenaars, hadden bestaan. De dadaïsten erkenden geen enkele invloed; in hun ogen vonden hooguit geniale gekken als Rimbaud of Jarry genade. Iedereen deed wat hem of haar beliefde. Dada was immers geen stijl maar een methode, geen academische vorm maar een open wonde, geen programma maar een attitude.

"Vivent les concubines et les concubistes. Tous les membres du Mouvement DADA sont présidents" Naast tegendraadse estheten en dandy's met een monocle maakten ook sociaal bewogen kunstenaars als Georg Grosz of John Heartfield deel uit van de coterie. Grosz portretteerde de oorlogsinvaliden, de hoeren en de dikke kapitalisten van de Weimarrepubliek en schreef dat de kunst zijn zwaard en geweer zou zijn. Andere dada's dolden met abstracte vormen of willekeurig geschikte krantenknipsels. Grootste gemene deler was de deconstructie en de provocatie, de bewuste incoherentie en het feilloze instinct voor wat de goegemeente als tegennatuurlijk afdeed. Niet het afgewerkte, uitgebalanceerde kunstwerk was de norm, maar de splinterbom van collage, assemblage en fotomontage. Een gedicht kon evengoed bestaan uit de door elkaar gehusselde woorden van een advertentie voor scheerschuim.

In 1919 presenteerde de Berlijnse Club Dada een duel tussen een schrijfmachine en een singernaaimasjien. De grote stad was altijd al de geliefde biotoop van de avant-garde, maar dada ging nog een stapje verder dan de futuristen: niet de heroïek van de snelheid was hun centrale thema, maar de banaliteit van industriële artefacten en afval. Kunst als afbeelding of allegorie had afgedaan; toeval en bricolage mochten hun ding doen. Het bewustzijn van de scheppende artiest diende verschalkt te worden. Toen de surrealisten later de psychoanalyse en het automatische schrijven inpikten, borduurden ze eigenlijk voort op een vondst van dada. Een idee hoefde zelfs niet meer gerealiseerd te worden om als 'kunstwerk' erkend te worden: ook de conceptuele neefjes uit de jaren zestig en zeventig hebben van de dadaïstische mosterd geproefd. Na een happening in 1920 wilde Raoul Hausmann, veruit de interessantste van de kliek, alle tentoongestelde assemblages stukslaan om de burgerlijke kunsthandel een neus te zetten.

Dada was zeker geen massafenomeen, maar de beweging is evenmin een marginaal verschijnsel gebleven. Van het tijdschrift Cabaret Voltaire, dat het slechts één nummer uitzong, werden 500 exemplaren gedrukt; het vond zijn weg naar een ruim publiek. Hausmanns scheldtirades tegen de Duitse cultuur en de burgerlijke keuken zorgden voor heisa in de zaal; toeschouwers bestormden het podium. Het blad Club dada werd verboden. Dronken dadaïsten scholden het publiek uit. Met dit zootje nihilisten, antiklerikalen en cryptocommunisten kon je alles verwachten. De Reichswehr spande een proces aan tegen de internationale Dada-Messe, die beledigend zou zijn voor het Duitse leger. Als professionele reclamejongens bespeelden de dadaïsten hun achterban. De typografie van hun affiches en tijdschriften was raadselachtig genoeg om te verleiden en vervolgens des te harder uit te halen. Het kijkvee werd in de gordijnen gejaagd: schop de mensen tot ze een geweten krijgen, of minstens in lachen uitbarsten.

Dada was de grimmige, wanhopige pose van lieden die maar al te goed begrepen dat er erg weinig te begrijpen viel. Enkele jaren na hun kwajongensstreken waren ze al een cliché geworden en als een curiosum bijgezet in het collectieve geheugen. Toen de fotograaf August Sander voor zijn beeldenencyclopedie van Duitse types en beroepen de categorie 'kunstenaar' wilde illustreren, liet hij Raoul Hausmann in de studio poseren. Eerst in zondags pak onder de titel Dadaist, Berlin, 1929, en daarna met bloot bovenlijf tussen twee vrouwen, als 'kunstenaarsechtpaar'. Fümms bö wö tää zää Uu! Dieu nous aide et fait pousser le caca. Alles is dada, en dada is alles. Uitkijken is de boodschap.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234