Maandag 03/10/2022

DE DUIVELSE GODHEID JERRY LEE LEWIS

Op 29 september jongstleden werd Jerry Lee Lewis 75 jaren oud, en ondanks alles wat hij in de loop van al die tijd heeft meegemaakt en uitgespookt, reist hij nog steeds de wereld rond met zijn Greatest Rock ’n Roll Show on Earth. Vanavond staat hij in de Antwerpse Elisabethzaal. Christophe Vekeman, op zijn beurt, staat al bij voorbaat in vuur en vlam.

‘Hello, you good lookin’ thing you... Yeah... Huh? This is the Killer speakin’... Do I like what? I sure do like it, baby...’ Zo begint Jerry Lee Lewis’ versie van ‘Chantilly Lace’ uit 1972, en wie het nummer ooit gehoord heeft, al was het maar een enkele keer, zal bij het lezen van de woorden alleen al de spanning en adrenaline door zijn lichaam voelen jagen. Jerry Lee Lewis klinkt hier zoals enkel Jerry Lee Lewis kan klinken: uitgelaten op een manier alsof hij is vervuld van wilde, dronken duisternis, zelfbewust over de grenzen van de arrogantie heen, breed grijnzend van wanhoop, cool en bezeten tegelijk, en bovenal afschuwelijk geil. ‘The Killer’ in kwestie is niet zomaar een personage in de song, maar wel degelijk de bijnaam die Lewis zelf door derden kreeg toebedeeld toen hij op veertienjarige leeftijd de honky tonks in zijn geboortestaat Louisiana van achter de piano op stelten zette. Hij bespeelde het instrument sinds zijn achtste, zonder ooit van iemand lessen te hebben ontvangen. “These fingers of mine,” zei hij er later over, “they got brains in ’em. You don’t tell them what to do - they do it. God given talent.” De verwijzing naar God maakt dat het voor zijn doen een nog vrij bescheiden uitspraak is.

Al voor hij hem verwierf had de jonge, toen twaalfjarige Jerry Lee zijn latere bijnaam op een andere, meer letterlijke wijze eer aangedaan: op wandel met zijn vier jaar oude, in een buggy gezeten zusje Frankie Jean, kwam op een gegeven ogenblik het redelijk sinistere idee in hem op - want opgeruimd staat netjes - om het kind met wagentje en al een godverlaten afgrond in te duwen. Thuisgekomen stak hij tegen zijn moeder een prachtig verhaal af over een even reusachtige als roofzuchtige havik, die zich van hoog in de lucht eensklaps op zijn prooi gestort had en er vervolgens mee aan de haal was gegaan. “Die zien we wel nooit meer terug” - iets dergelijks schijnt hij berustend te hebben gezucht vlak voordat de kleuter alsnog, geschramd en gekneusd, op eigen houtje de weg naar huis bleek te hebben teruggevonden en in de deuropening verscheen.

Excessief

Het voorval zou in het leven van de Killer de opmaat betekenen van een haast eindeloze reeks gewelddadige uitspattingen: hij is nooit het type rockster geweest dat een televisietoestel uit het raam pleurde, nee, hij schoot liever met een handmachinegeweer eerst het plafond en dan de vloer van zijn hotelkamer aan flarden. Op zijn eenenveertigste verjaardag mikte hij twee kogels in de borst van Norman ‘Butch’ Owens, de bassist van zijn band, en het was niet de schuld van Jerry Lee dat de man het als bij wonder overleefde. In datzelfde jaar, 1976, werd hij gearresteerd toen hij op een vroege ochtend laveloos tegen zijn Lincoln Continental geleund met een revolver stond te zwaaien aan de poort van Graceland, schreeuwend dat hij koste wat het kost Elvis wilde spreken. In een reactie op diens overlijden een paar maanden later gaf hij te kennen met het nieuws dolblij te zijn, en hij vroeg zich in één ruk door af wat de zogeheten King eigenlijk méér gedaan had dan de pillen slikken die Jerry Lee Lewis in zijn onmetelijke goedheid voor hem had overgelaten. Wenste de heer Lewis, zo wilde de interviewer weten, voorts nog iets kwijt aan zijn fans? Ja hoor, antwoordde de heer Lewis: dat ze zijn reet konden likken.

In 1971 trouwde hij voor de vierde (van de in totaal zes) keer, ditmaal met ene Jaren Pate. Drie jaar later vraagt zij de scheiding aan, maar voor de Killer kan daar geen sprake van zijn. Weer acht jaar later wordt zij onder nooit opgehelderde omstandigheden dood aangetroffen in het kleine zwembad van de buren. De 48-jarige weduwnaar verspilt maar weinig tijd aan rouwen en trouwt vrijwel meteen met genaamde Shawn Michelle Stevens, een barmeid van vijfentwintig. Geen drie maanden na de plechtigheid ligt haar bont en blauwe, onder het bloed zittende lichaam levenloos in het huwelijksbed. De zanger geeft ruimhartig toe dat er inderdaad wat onenigheid tussen hen beiden is geweest, maar de politie houdt het bij een overdosis methadon als doodsoorzaak. De volgende dag belt Stevens’ zus met de vraag wat er nu eigenlijk écht is gebeurd. ‘Your sister’s dead,’ dient Jerry Lee haar van repliek, ‘and she was a bad girl.’

Myra Gail op haar beurt was verre van een slecht meisje, zeker niet toen zij in 1957 met Jerry Lee in het huwelijk trad. Ze bezat de onschuld van de jeugd: het lieve kind, een volle nicht van de bruidegom trouwens, was amper dertien.

Jerry Lee Lewis kan worden beschouwd als het weliswaar extreem sterk uitvergrote prototype van de Amerikaanse zuiderling: voortdurend slingerend tussen zaterdagavond en zondagmorgen, tussen kroeg en kerk, duivel en God, zonde en schuldgevoel. Zijn leven lang zou hij periodes kennen waarin hij zich voornam om te kappen met zijn excessieve levensstijl en de muziek de rug toe te keren teneinde zich toe te leggen op een bestaan van ouderwets fatsoen en godsvrucht. Regelmatig gaf hij te kennen, sigaar in de ene, fles bourbon in de andere hand, zichzelf een zwak mens te vinden - even zwak, al met al, als zijn neef en beste jeugdvriend Jimmy Lee Swaggart, de befaamde televisie-evangelist die eind jaren tachtig van de vorige eeuw door een prostituee zo smadelijk ten val zou worden gebracht.

Het mag er dan de schijn van hebben dat Lewis veel van het ongeluk waarvan zijn bestaan doordrenkt is geweest al dan niet bewust over zichzelf afgeroepen heeft, hij dronk zichzelf meermaals op een haar na de hoek om, en wie een lege whiskyfles aan scherven slaat in het gezicht van een bewonderaar heeft weinig recht te klagen als hij vervolgens voor de rechtbank moet verschijnen - toch moet ook gezegd dat wie zijn levensloop onder de loep neemt moeilijk aan de indruk kan ontkomen dat bijwijlen de - echte - duivel ermee gemoeid was: zijn driejarige zoontje verdronk in 1962, een andere zoon, Jerry Lee Junior, was amper negentien (en zwaar verslaafd) toen hij in 1973 omkwam bij een auto-ongeluk. Bij zo veel turbulentie zou je haast vergeten dat de levende legende ook onvervalst glorieuze jaren gekend heeft.

Hij was eenentwintig toen hij bij de legendarische platenmaatschappij Sun, die ook Elvis, Johnny Cash en Carl Perkins onder haar hoede had, zijn eerste hit scoorde met ‘Crazy Arms’. Daarna, in 1957, volgden in snel tempo de twee muzikale seksbommen die iedereen tussen de zeven en de zevenenzeventig vandaag nog steeds van bij de allereerste noten herkent: ‘Whole Lotta Shakin’ Goin’ on’ en ‘Great Balls of Fire’. De nieuwe, de betere, de scherpere, vuilere Elvis leek te zijn opgestaan om zich te tooien met de kroon van levensgevaarlijk meisjesidool. In weerwil van zijn eis om elke show waaraan hij deelnam af te sluiten, werd hij op een avond door een organisator gedwongen als voorlaatste op te treden: Chuck Berry kreeg het laatste woord. Het zinde Lewis niet, maar hij speelde als vanouds een set waar de vonken van af sprongen, en het bleef zelfs niet bij vonken alleen: tijdens zijn uitsmijter ‘Whole Lotta Shakin’ Goin’ on’ haalde hij een flesje uit zijn jaszak, goot de inhoud ervan uit over de klankkast van zijn piano, streek een lucifer af en bracht vervolgens, in het aangezicht van het tot leven gebrachte heilige vuur dat hem altijd zou blijven bezielen, rechtstaand rammend op de toetsen, zijn song tot een einde dat zonder enige twijfel voor veel van de toeschouwers het begin van een heel nieuwe toekomst inluidde. Ten slotte keerde Jerry Lee de vlammende piano en het uitzinnige publiek de rug toe, liep het podium af en sprak vanuit zijn mondhoek tot de wachtende Chuck Berry: ‘Follow that, nigger.’

In lichterlaaie

Maar nadat in 1958 zijn echtverbintenis met Myra Gail - ondanks Jerry Lees geruststellend bedoelde woorden als zou zijn nicht, let wel, “eigenlijk bijna veertien” zijn - internationaal nieuws was geworden en tot gevolg had dat zijn zegevolle toer door Engeland na amper drie optredens werd onderbroken en hij het land werd uitgezet, leek het met zijn carrière voor altijd te zijn afgelopen: Presley zou van de kroonprins bij uitstek niets meer te vrezen hebben. Lewis’ plaatverkoop kelderde drastisch, en al bleef hij zijn maniakale show avond na avond op de planken brengen, op de grote podia kwam hij niet langer aan bod en hij belandde in dezelfde kroegen en zaaltjes als waarin hij als veertienjarige voor de eerste keren het publiek in lichterlaaie had gezet. Pas toen hij het in 1968 met ‘Another Place, Another Time’ over de countryboeg gooide, verscheen hij opnieuw in de hitparade, als het ware opgestaan uit de doden. Countryhits als ‘What’s Made Milwaukee Famous (Has Made a Loser out of Me)’ bestendigden zijn nieuw verworven wereldroem, die van dan af weliswaar bij momenten weer zou tanen, maar toch nooit meer het bodemloze dieptepunt van begin jaren zestig zou kennen. Zo zorgde bijvoorbeeld in 1989 de biopic Great Balls of Fire voor hernieuwde belangstelling voor - dixit biograaf Nick Tosches - “de laatste woeste zoon”, ook wel de “god of glissando” genoemd, en werden Last Man Standing en zeker Mean Old Man, zijn jongste twee cd’s, met dankbare medewerking van onder vele anderen Mick Jagger, Keith Richards, Willie Nelson, Neil Young, George Jones en Bruce Springsteen, laaiend onthaald door pers en publiek.

De kans dat hij vanavond daar in Antwerpen, op zijn vijfenzeventigste, nog steeds de toetsen zal beroeren met zijn voeten, moet als zeer klein worden ingeschat, en ook voor brandgevaar zal men in de Elisabethzaal wel niet dienen te vrezen. En toch, je weet het nooit met hem, natuurlijk. Waylon Jennings, zelf toch ook geen doetje, zei ooit: “Just don’t get too close to him and you won’t get hurt.” De mensen op de eerste rijen zijn er bijgevolg twee waard.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234