Zondag 24/01/2021

de driedaagse van de ijzer

In Frankrijk vinden ze het een beek als een ander, maar in België klinkt zijn naam als een klok. De IJzer, de enige Belgische waterloop die de titel van stroom mag voeren. Eerst liepen de Noormannen zich vast in het slijk, later beet den Duits er zijn tanden op stuk. Reportage over de vele streken van een rivier.

Erik Raspoet

Foto's Stephan Vanfleteren

Dit is ons plan: we volgen de loop van de IJzer, van de bron tot de monding, op zoek naar schoonheid, romantiek en uiteraard ook gezonde lucht en vertier. We zullen beurtelings wandelen en varen, andere vormen van mobiliteit komen bij deze onderneming niet in aanmerking. Met de vinger op de kaart is het een fluitje van een cent. Van bron tot monding, dat is een boogscheut van achtenzeventig kilometer. Uitermate bescheiden, en toch klinkt de naam van de IJzer als een klok. Noem de drie voornaamste rivieren van ons land, luidde op de lagere school een klassieke examenvraag. Met de Leie, de Rupel of de Samber moest je niet komen aandraven, alleen de IJzer mocht zich met de Schelde en de Maas meten. Er zijn argumenten voor die merkwaardige voorkeursbehandeling. Dat de IJzer de enige waterloop is die aan de Belgische kust in zee uitmondt en dientengevolge de enige die de titel van stroom mag voeren. Maar die verklaring kregen we in de klas niet te horen. "Den IJzer", sprak de meester op gewichtige toon. "Daar hebben onze soldaten in de Eerste Wereldoorlog den Duits tegengehouden."

Van bron tot monding, het is gemakkelijk gezegd. Maar waar ligt precies de bron van de IJzer? De kaart biedt daaromtrent geen uitsluitsel. De IJzer maakt zijn debuut in Frans-Vlaanderen als een perfecte V, wier benen respectievelijk naar Lederzeele en Buysscheure wijzen. We kiezen voor het rechterbeen en verzeilen in een onooglijk dorp op tien kilometer van Saint-Omer. Buysscheure, zijn kerk, zijn twee cafés en zijn vijf boerderijen. Het omwaaien van de dikke lindeboom op het kerkplein moet zowat de grootste calamiteit zijn die het dorp de voorbije vijfhonderd jaar heeft getroffen. Een godvergeten gat? De vroede vaderen van Buysscheure hebben goede hoop hun dorp eens en voorgoed op de wereldkaart te plaatsen. Source de l'Yser, bron van de IJzer, met dat epitheton zullen de toeristen, inzonderheid de Vlaamse toeristen, toestromen. En de claim van Lederzeele? De vraagt ontlokt de bejaarde Buysscheurenaar een brede grijns. Centen, du fric, zijn duim en wijsvinger maken het bekende gebaar, daar draait het allemaal om. Weten we dan niet dat de overheid geld in de IJzerstreek wil pompen om het toerisme te stimuleren? "Daarom eisen die van Lederzeele nu de bron op, ze willen hun deel van de koek. Maar laat je niet foppen, iedereen weet dat de IJzer hier bij ons ontspringt."

We hebben in deze heikele kwestie niet willekeurig partij gekozen. Kritisch bronnenonderzoek, nooit was de journalistieke term meer op zijn plaats. Onze tipgevers waren formeel: Buysscheure was the place to be. Er was ook wel 'iets' in Lederzeele, zo werd node toegegeven, maar dat 'iets' stelde bitter weinig voor. En dus stappen we in Buysscheure over een drassige akker, in de richting aanbevolen door een gloednieuwe wegwijzer die de ambitie van het dorp gestalte geeft. Idyllisch kun je de omgeving niet noemen. Hoogspanningsmasten domineren de horizon, voor onze neus razen de Eurostars voorbij, ze overstemmen zelfs de tractor die een witte nevel over de akker verspreidt. Meststoffen? Pesticiden? Toch even nadenken voor we ons straks aan de IJzerbron laven. Met iedere meter neemt de scepsis over onze keuze toe. Niet dat we de Victoria Falls hadden verwacht, maar iets meer spektakel had toch gekund. Niks geen klaterende fontein, vergeet het opborrelende, kristalheldere grondwater. We volgen een door onkruid overwoekerde greppel van nog geen halve meter diep. Kaarsrecht, door mensenhanden gegraven, er valt nauwelijks water te bespeuren. Halverwege de akker loopt de gracht abrupt dood. Een forse spadensteek, dat is dus het begin van de enige stroom die België rijk is. De boer legt zijn tractor stil en luistert met stijgende verbazing. Zijn akker zou de wieg zijn van de IJzer? Het ongeloof staat op zijn gezicht te lezen. "Vraiment", antwoordt hij, "ik heb altijd gedacht dat de IJzer in Lederzeele ontsprong."

Het begin is hard labeur. We strompelen als dronkaards over omgeploegde akkers, klauteren over afsluitingen, trappen in koeienvlaaien. De IJzer gedraagt zich in dit prille stadium als de voetveeg van de landbouw. Verkavelingen afbakenen, weilanden draineren, mestoverschotten opslorpen, als het moet laat hij zich in rechte hoeken plooien of wurmt hij zich door smalle buizen. Die slaafse houding wordt rijkelijk beloond: met ieder perceel stijgt het debiet en na een kilometer of twee hebben we te maken met een bescheiden beek die helaas veel weg heeft van een open riool. En zeggen dat de naam is afgeleid van isera, uit het Keltisch vrij te vertalen als zuiver water. De hindernis van de D26 Cassel-Watten wordt geruisloos genomen. Hoeveel automobilisten zouden letten op het bordje bij de allereerste brug over de IJzer?

Zelf bijten we even later de tanden stuk op een tweede kunstwerk. De doorsteek onder de berm van de tgv blijkt ondoordringbaar, we zien ons verplicht naar de D26 terug te lopen en krijgsberaad te houden. In dit tempo bereiken we tegen vanavond nooit de Frans-Belgische grens, een herziening van de spelregels dringt zich dus op. We springen in de auto en jagen op de rivier die gretig verstoppertje speelt. In Ruubroeck, de hoofdplaats van de Yser Houck in Frans-Vlaanderen, krijgen we onze leidraad opnieuw te pakken. Michèle Blaevoet heeft weinig lof voor de waterloop die achter haar boerderij passeert. Ze leunt in haar deur met haar gebloemde schort en geruite pantoffels, ik schat haar zeventig plus. Hoe vaak ze de IJzer niet weten overstromen heeft, ze is allang de tel kwijt. "Het ergste zijn de baggerwerken", klaagt ze. "Ieder jaar scheppen ze de IJzer leeg. En wie mag het slib op de oever gaan opruimen? De boeren, alsof we niets beters te doen hebben." Eigen schuld dikke bult, bedenk ik. Want de baggerwerken worden genoodzaakt door het enthousiast woekeren van onkruid en struikgewas, wat op zijn beurt wordt verklaard door de intensieve bemesting. De boerin blijkt geen adept van het 'vervuiler betaalt'-principe. "Waarom sturen ze geen werklozen om dat slib op te ruimen?", moppert ze. "Er zijn er genoeg in deze streek." Ysère-misère, niet iedereen loopt zo hard van stapel als deze boerin. Toch valt het niet te ontkennen: de IJzer is bij onze zuiderburen geen populaire rivier, het is geen Seine, Rhône of Loire die schilders en chansonniers inspireert. Onverschilligheid, dat is het gevoel dat de IJzer de meeste Fransen inboezemt. Met welwillende belangstelling luisteren ze wanneer we de zaak bepleiten. Dat er in de Groote Oorlog verwoed werd gevochten aan de IJzer, dat de IJzer voor Belgen is wat de Somme voor de Fransen betekent. Ze willen het best geloven, maar aan hun oordeel verandert het geen zier. L'Ysère, dat is een van de vele beken in Noord-Frankrijk. Goed voor de afwatering, dat wel, en net belangrijk genoeg om op de markt van Esquelbecq een café van een passende naam te voorzien. We laten er definitief onze auto achter en trekken opnieuw het veld in. Muggen dansen in de late herfstzon, we hebben een schitterende dag getroffen. Een man hurkt in een pas gerooid aardappelveld. We groeten monter, maar hij gebaart dat hij ons niet ziet. Betrapt bij het rapen van piepers die tijdens het volautomatisch rooien naast de machine zijn gevallen. Met zakken tegelijk liggen ze in de velden te rotten, het zou in '14-'18 niet waar geweest zijn. Prikkeldraad, distels of brandnetels, we laten ons niet afschrikken, want er valt nog een belangrijke kwestie uit te klaren. Het was ons haast toevallig ter ore gekomen: niet alleen de bron is omstreden, ook de naamgeving is voor discussie vatbaar. Het schemert al wanneer we eindelijk het punt van de waarheid bereiken, het punt waar de IJzer en de Peene samenvloeien. Op het eerste gezicht zijn beide rivieren perfect aan elkaar gewaagd. Maar feiten zijn feiten: de Peene is niet alleen langer maar heeft op dit punt ook een groter debiet dan de IJzer, waaraan hij niettemin zijn water en zijn naam moet afstaan. Ten onrechte, want volgens de regels van de hydrografie moeten we onze vaderlandse geschiedenis herschrijven. De slag om de Peene, het klinkt niet eens zo gek.

Dag twee begint onder een dreigende hemel. In Oost-Cappel gooien we de kano in het water. Dit is nog Frankrijk, maar al na vijf minuten peddelen we het Belgische grensplaatsje Roesbrugge binnen. Wellicht is onze kano het enige vaartuig dat hier vandaag zal passeren. Ooit, dat wil zeggen tot in de jaren vijftig, was het anders. Roesbrugge gold als een welvarende binnenhaven, het eindstation van de IJzervaart. De bloei was mede te danken aan het zweet en het labeur van honderden boottrekkers, een beroep dat in deze streek slechts twee generaties geleden is uitgestorven. Na de Tweede Wereldoorlog begon het verval. De te geringe tonnage van de schepen en de concurrentie van het wegvervoer hebben het stadje de genadeslag gegeven. Roesbrugge ligt er wat slaperig bij, verzonken in de herinnering aan het glorieuze verleden. We laten de bewoonde wereld achter ons. Dit is de IJzer op zijn best, hij kronkelt zich wellustig door het zompige grasland, gevangen tussen oevers die met riet en wilgen zijn begroeid. Echte dijken zijn er niet, de IJzer krijgt hier de vrije teugel om zijn roeping als regenrivier waar te maken. Bij hevige neerslag treedt de waterloop schaamteloos buiten zijn oevers, het overstroomgebied kan vele duizenden hectaren beslaan. Onze passage blijft niet onopgemerkt. Eenden van diverse pluimage stuiven op uit het riet, een reiger klapwiekt op zijn dooie gemakje weg. Waardig, als een overstekende voetganger die niet wil springen voor het aanstormende verkeer. We worden verwend: om de haverklap duikt een aalscholver in het water. Hun gezelschap is niet alleen een lust voor het oog, het is tevens een hoopgevend teken. De inspanningen om de waterkwaliteit van het IJzerbekken te verbeteren beginnen te renderen. Er zit weer volop vis op de stroom.

Of ze ook bijten? De hengelaar bij de brug van Stavele geeft geen kik. Vanuit zijn auto houdt hij zijn twee dobbers in de gaten, zichtbaar verstoord door ons omslachtig aanlegmanoeuvre. Het zit ons niet mee, afspanning In 't hof van commerce blijkt potdicht. Dan maar zonder versnapering de benen gestrekt. Een boer rijdt voorbij in een zware Mercedes. Hij lurkt aan een sigaar en werpt ons een wantrouwige blik toe. Ik heb het van mensen die het kunnen weten: achterdocht is in deze streek een diepgeworteld sentiment, meer nog dan elders in Vlaanderen. Inwijkelingen genieten het nadeel van de twijfel, tot het ijs breekt en ze door het dorp aan de warme boezem worden gedrukt. Misschien valt die mentaliteit door de geschiedenis te verklaren. Het is in dit stuk van de Westhoek altijd een komen en gaan geweest. Als het de Noormannen niet waren, dan waren het wel de geuzen, de Fransen, de Spanjaarden of de Duitsers. Zelden kwamen de bezoekers met goede bedoelingen. De bevolking reageerde niet alleen met norse blikken en stiekem gebalde vuisten, meer dan eens werd naar het ultieme wapen gegrepen: de inundatie. Want inderdaad, de onderwaterzetting van de IJzervlakte in 1914 was hoegenaamd geen primeur. Ook de Noormannen liepen zich hier vast in de modder, de voorlaatste inundatie dateert uit de Frans-Spaanse oorlog in de achttiende eeuw. Militair was het telkens een voltreffer, maar deze beproefde tactiek heeft het aanzien en het ecologisch evenwicht van de Westhoek grondig verstoord. Heel wat planten en diersoorten overleefden de langdurige overstroming niet. Het typische, lege landschap ontstond pas nadat alle hoogstammen aan het water kapot waren gegaan. Na de Eerste Wereldoorlog werd zelfs geen poging ondernomen om de schade te herstellen. Het verdwijnen van heggen en bomen kwam velen goed uit: meer plaats voor de landbouw, die steeds intensiever werd.

Ook vandaag schreeuwen de boeren om meer ruimte. Ze zijn allerminst gelukkig met de vrijheid die de IJzer wordt gegund. Er moeten hoge dijken komen, zodat de broeken droog vallen en beschikbaar worden voor de akkerbouw. "Maar dat is nonsens", zegt Gerard, de sluiswachter van Fintele. "Als het water niet meer in de broeken kan lopen, zal het wel ergens anders overstromen. De IJzer heeft immers een heel klein verval. Als het hard regent, krijgen we het water nooit op tijd versast." Gerard, klein van stuk, donker krulhaar, zit al vijfentwintig jaar in het vak. Sinds kort mag hij zich technisch assistent scheepvaartbediende noemen, want de Vlaamse Gemeenschap kleedt haar personeel graag in dure titels. "Maar ik voel me nog altijd sluiswachter", stelt hij ons met een knipoog gerust. Fintele is een oase van rust. Hoop en al dertig inwoners, het was hier een ware leegloop toen Gerard drie jaar geleden met zijn vrouw en vijf kinderen naar een ander gehucht verhuisde. Hij was net het gras aan het maaien bij de sluis die de Lo-vaart met de IJzer verbindt. De kans dat hij vandaag een boot moet versassen, is erg klein. "Maar in de zomer is het druk", haast hij zich het vermoeden van een luizenleven te nuanceren. "Op sommige dagen passeren hier wel twintig jachten. Dan is het hollen geblazen, want behalve Fintele moet ik nog drie IJzersluizen bedienen."

Ook in Fintele laat de horeca het afweten, we zien ons verplicht de noodrantsoenen aan te spreken. Gesterkt door een forse plak chocolade vatten we de volgende etappe aan. We slagen er onderhand in een rechte lijn aan te houden, de koeien op de oever kijken wezenloos van bewondering toe. In voorbeeldige harmonie stomen we op naar de Knokkebrug, het knooppunt van de IJzer met de Ieperlee. Tot dusver hebben we het wapengekletter ver van ons kunnen houden, maar de oorlogsdreiging komt snel dichterbij. De Ieperlee wordt aan weerszijden met overhangende struiken afgezoomd, het lijkt meer op een dreef dan op een kanaal. In dit feeërieke kader heeft zich volgend, schokkend tafereel afgespeeld. We schrijven oktober 1914, het hoogtepunt van het Duitse offensief aan de IJzer. Bij een van hun oversteekpogingen hadden de Duitsers een peloton Fransen krijgsgevangen genomen. Het ging om zoeaven, soldaten die in kolonies van de Maghreb werden gerekruteerd. Ze genoten aan het front een fantastische reputatie. Zoeaven, dat waren de mannen die met het mes tussen hun tanden de IJzer opzwommen om de vijand te bespieden. Als ze niet in de voorste linies aan het vechten waren, liepen ze gekleed in kleurrijke rokken en dansten ze bij het kampvuur of rookten hun waterpijp. Warheit of Dichtung, het is de vraag die ik me ook stel wanneer ik op een herdenkingsplaat het relaas van hun exploot aan de Ieperlee lees. De Duitsers ondernamen een nieuwe poging om het kanaal over te steken, de krijgsgevangenen als levende schilden voor zich uit duwend. De zoeaven aan de overkant aarzelden, en de Duitsers naderden snel hun doel. Tot een van de krijgsgevangenen uitriep: 'Mais tirez donc, ce sont des boches, nom de Dieu'. Waarop de zoeaven met de dood in het hart het vuur openden, eerst op hun strijdmakkers, vervolgens op de belagers, die met zware verliezen werden teruggeslagen. Het herdenkingsbord is in de gevel van een voormalige herberg gemetst. Nom de dieu werd als 'N. de D.' afgekort. Preutsheid of plaatsgebrek, wie zal het zeggen?

Ook dag drie begint onder een loodzwaar uitspansel. Aan de kust staat een noordwester van 70 kilometer per uur, de voorbode van een najaarsstorm die gelukkig pas morgen zal toeslaan. We starten in Diksmuide, de hoofdstad van de IJzer die door Vlaamse leeuwen en kruisbeelden wordt gedomineerd. Vanuit ons kikvorsperspectief kijken we door de poort van het IJzermonument tegen de beroemde toren aan. Door de enen verguisd, door de anderen aanbeden, als proeve van architectuur is het alleszins een miskleun van jewelste. De fallus van Vlaanderen, wordt er vaak gespot. Toch blijft het een verkillende versregel die de bezoekers als een steen op de maag valt. 'Hier liggen hun lijken, als zaden in het zand', het overbekende vervolg wordt aan ons blikveld onttrokken. De wind speelt ons lelijk parten, we zwalpen van links naar rechts. Worstelend met het water leggen we aan bij de steiger van Kaaskerke. Er wappert een nationale driekleur, een opvallend verschijnsel na het geel-zwarte orkest van Diksmuide. Überall auf der Welt, kweelt Peter Maffai als we de Dodengang betreden. De specialiteit is huisgemaakte sangria, maar we bestellen toch maar een soep van de dag. Het café is een haard van patriottisme, volgestouwd met opgeblonken obussen, Albert I-portretten en andere memorabilia van de Groote Oorlog. En toch gek op van Duitse schlagers, de cafébazin kan het ook niet helpen.

Het eigenlijke bedevaartsoord ligt aan de overkant van de straat, verscholen in de linkeroever van de IJzer, die hier een langzame bocht maakt. Na de inundatie bleef dit stuk van de IJzerdijk als een eiland boven de waterzee uitsteken. Een strategische plek, dat besefte niet alleen de Belgische legerleiding. Beide kampen begonnen verwoed gangen en pijpen te graven, steeds dichter naar elkaar toe. Mettertijd benaderden de stellingen elkaar tot op enkele meters en konden de soldaten elkaar naar believen uitschelden. Zoals die keer toen ze een dode rat heen en weer keilden. Louter voor de gein, want verveling was de gemeenschappelijke vijand van Belg en Duits. Het was lachen geblazen, tot iemand de rat verving door een handgranaat en aan weerskanten tientallen soldaten sneuvelden.

We lopen door een labyrint van zandzakken. Oud-strijders zouden de plek niet meer herkennen. Waar is de modder? Waar zijn de ratten? Waar de stank van halfvergane lijken? Niets schiet ervan over. De gangen zijn met kiezelstenen bezaaid, de vaderlandertjes komen recht uit de fabriek, zelfs het gras op het dak van de bunkers is gemaaid. Aan de kop van de Dodengang wordt het plaatje helemaal duidelijk. Militairen zijn druk in de weer met het opstapelen van zandzakjes, een onderdeel van een grootscheepse restauratie door het ministerie van Landsverdediging. De piotten van de 11de genie van Burcht hebben er schik in. Niet alleen de zandzakjes, ook kwinkslagen en vette praat vliegen door de lucht. Of ze zich een beetje kunnen inleven in het beklagenswaardige lot van hun voorgangers? Ik verwacht in de gegeven omstandigheden geen sereen antwoord, maar Rudy De Maezeneer neemt me terzijde. Hij vertelt op gedempte toon, alsof hij beducht is de spotlust van zijn makkers nodeloos te provoceren. Over Seraphin Vermoezen, grootvader van moeders kant, die in deze eigenste loopgangen wacht heeft gelopen. "Hij heeft hier zelfs met koning Albert gesproken", zegt Rudy. "De Dodengang, dat was de rotste plek van de hele IJzer. Vooral de aflossing en de bevoorrading waren aartsgevaarlijk. Alles stond onder water, om de Dodengang te bereiken moesten de Belgische soldaten drie kilometer ver over een smalle plank lopen, onder het vuur van de Duitsers. Bij volle maan was het onmogelijk om de Dodengang te bevoorraden, soms zaten ze hier achtenveertig uur zonder eten. Mijn grootvader is gestorven toen ik drie jaar was. Piepjong, maar ik herinner me wel dat zijn graf vol eretekens lag."

Het is altijd hetzelfde met de oorlog. Winnaars worden geëerd, verliezers wacht de vergetelheid. Hetzelfde geldt voor de oorlogsmonumenten, zo blijkt in Kaaskerke. De Duitse bunker ligt erbij als een vuilnisbelt. Er zitten niet alleen schietgaten in, het ijzer priemt door het wegrottende beton. Toch is het een bezoek meer dan waard. Nauwelijks zeventig meter verwijderd van de Dodengang, het is me een raadsel hoe de Duitsers dit bolwerk onder de neus van de Belgen hebben kunnen optrekken.

De wind wakkert aan, maar we moeten verder. We schuiven onder de brug van Tervate door, vanaf hier beschrijft de IJzer een bocht die de krijgsverrichtingen in de Groote Oorlog diepgaand heeft beïnvloed. Het heeft weinig gescheeld of Tervate werd het Waterloo van het reeds zwaar geteisterde Belgische leger. De Duitse bezetter had de uitstulping in IJzer dankbaar gebruikt om massaal de stroom over te steken. Er braken verschrikkelijke gevechten uit die later door een van de deelnemers plastisch werden beschreven. "Zo daagde de morgen van 23 oktober", noteerde oud-strijder Marcel Senesael in zijn journaal. "De nevelen waren na de gruwelijke nacht opgeklaard. De zon verscheen en legde als het ware een martelaarskroon over al die jongens hier bezweken op de laatste morzel grond van hun landeke. Gekwetsten riepen om hulp, om water tegen de brandende koorts, om verzachting op hun snerpende wonden, en niemand hoorde die bange klacht; hopeloos lagen ze daar te zieltogen op het gruwelijke sterfbed."

Het uitgeputte Belgische leger was geen partij voor de Duitse overmacht. Het moreel stond op nul, de munitie raakte op, Franse versterkingen lieten op zich wachten. In die rampzalige omstandigheden rijpte het inundatieplan. Het was Emeric Feys, onderzoeksrechter te Veurne en liefhebber van krijgsgeschiedenis, die de legerleiding het idee influisterde. De uitvoering was dan weer het werk van twee onvervalste helden uit de vaderlandse geschiedenis: sluiswachter Karel Cogge en schipper Hendrik Geraerts. Ze werden na de oorlog met decoraties behangen en moesten op café nooit zelf hun pint betalen. Een makkie was het allerminst. In Nieuwpoort werd de sluis van de Noordvaart opengezet om het wassende zeewater binnen te laten, verder op de Noordvaart werden alle schotbalken opgetrokken. Daarmee was de klus niet geklaard. Om te beletten dat ook de Belgische linies overstroomden, werd op de spoorlijn Diksmuide-Nieuwpoort een nieuwe dijk geïmproviseerd. De gevaarlijke operatie moest verscheidene keren worden herhaald. Bij vloed gingen de sluizen open, bij eb werden ze gesloten, en het duurde drie nachten voor de IJzervlakte onder water stond. De Duitsers waren compleet verrast door het manoeuvre, dat een streep trok door hun pogingen om de IJzer over te steken en naar Duinkerke op te rukken. Voortaan zouden ze hun offensief toespitsen op Ieper, dat vooral door Britten werd verdedigd. Niet dat het Belgische leger na de inundatie kon picknicken aan het IJzerfront. De stroom werd een schakel in de ketting van loopgraven die van Nieuwpoort tot de Zwitserse grens reikte.

We voelen ons nietig in ons bootje. Waar is het beekje van Buysscheure gebleven? Ter hoogte van Sint-Joris heeft de IJzer zijn volle allure bereikt. Een echte stroom, de automobilisten op de brug van de E40 zullen het niet tegenspreken. De kleinere Uniebrug is een obligate halte, de geschiedenis wenkt onder de vorm van twee uit de kluiten gewassen monumenten. 'Hier verdedigde het 14de linieregiment op 22, 23 en 24 oktober 1914 het laatste plekje vaderlandse bodem. 900 helden vergoten er hun bloed.' Het staat er tweetalig in marmer gebeiteld, door de Vlaamse versie loopt een lelijke barst. Veel indrukwekkender nog is de soldaat aan de overkant van de baan Gistel-Nieuwpoort. Hij leunt op een joekel van een geweer, aan zijn ransel hangen een schop en een patronentas. 'Van de 7de Linie aan zijne Helden', luidt het bijschrift. De onbekende soldaat staat met zijn gezicht naar de IJzer, maar zijn blik is naar beneden gericht. Er spreekt onverzettelijkheid uit, maar ook smart. Helden, schijnt hij te denken, we zijn er vet mee.

De monding halen we niet, daar hebben we ons al bij neergelegd. Het spaarbekken van Nieuwpoort zou al heel flink zijn. Die laatste rechte lijn wordt een gevecht in regel met de elementen. De wind duwt ons haast achteruit, en tot overmaat van ramp begint het te stortregenen. Amper zijn we het spaarbekken opgevaren, of een golf klotst over de rand van onze kano. We kruipen haastig aan wal, druipnat maar tevreden. Het is wreed schoon aan de IJzer.

Met dank aan de vzw De Boot, organisator van eco-toerisme in de Westhoek. Info: www.deboot.be, tel: 058/28.70.56.

'De Duitse bunker ligt erbij als een vuilnisbelt. Er zitten niet alleen schietgaten in, het ijzer priemt door het wegrottende beton. Nauwelijks zeventig meter verwijderd van de Dodengang, het is me een raadsel hoe de Duitsers dit bolwerk onder de neus van de Belgen hebben kunnen optrekken'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234