Vrijdag 24/05/2019

Kinderen

De draagdoek: ooit voor geitenwollensokken, nu alomtegenwoordig

Anneke Eldrigny en dochter Yasmine: 'Ik vind het fantastisch om mijn zoon en dochter zo dicht bij mij te hebben. Dan voel je dat ze je nodig hebben.' Beeld Bas Bogaerts

Was een draagdoek vroeger voor geitenwollensokken, dan zijn ze nu zo mainstream dat crèches erover klagen. Verwennerij of noodzakelijk hulpmiddel? "Zonder doek had ons leven er heel anders uitgezien."

Negen maanden zat Oone in de buik van haar moeder. Nu woont ze al bijna drie maanden óp die buik. Jessica Nobels (28) draagt haar dan ook iedere dag rond in een doek. “Oone is een huilbaby. Die doek is de enige manier om aan dat geluid te ontsnappen. Zodra ze erin zit, is ze gelukkig.” En zo kleven moeder en dochter aan elkaar.

Het is niet alleen maar noodzaak, benadrukt Jessica. Oones zusje, Ellie, bracht ook maanden door in de draagdoek en zij was geen huilbaby. “Ik heb altijd geloofd in een natuurlijke opvoeding. Samen slapen, en borstvoeding geven: dat soort dingen vind ik belangrijk. Volgens mij komt het de ontwikkeling ten goede. Dieren houden hun kind ook dichtbij.” En zo’n draagdoek is ook ­gewoonweg handig. “Op die manier heb ik mijn handen vrij.”

Steeds meer ouders pakken het aan als Jessica. Dat merkten kinderdagverblijven eerder deze week op. In deze krant getuigden begeleiders over een groeiend aantal baby’s met huidhonger. Meer en meer moeders en vaders vragen hen om hun dochter of zoon veel lichamelijke aandacht te geven. Door hen rond te dragen bijvoorbeeld. Want zo hebben ze het maandenlang thuis gedaan. “Maar één begeleider kan geen zes draagdoeken aantrekken”, reageren ze in crèches.

Ook Marlene Reyns, woordvoerster van de Vlaamse vroedvrouwen, vindt het opvallend hoeveel ouders vandaag hun kinderen dragen. Draagdoeken en draagzakken staan tegenwoordig bijna standaard op de geboortelijst, ziet ze. De vragen hierover nemen ook enorm toe. Net als het aantal mensen dat professionele hulp zoekt. Een vereniging als de Vlaamse draagconsulenten, die ouders verschillende technieken aanleert en advies geeft over de verschillende modellen, zag het aantal leden in vijf jaar tijd vervijfvoudigen: van een twintigtal consulenten in 2012 naar een kleine honderd in 2017.

Jessica Nobels en dochter Oone. Beeld Bas Bogaerts

Het aanbod is op zijn zachtst gezegd ook indrukwekkend. Moest je meer dan tien jaar geleden nog vrede nemen met een paar geweven en ergonomische draag­systemen in speciaal­zaken, dan vind je nu ook een exemplaar van 20 euro bij supermarkt­keten Lidl. Evengoed zijn er heel exclusieve merken die met materialen als babykamelenhaar werken en drie nullen op het prijskaartje hebben. Belgische gespecialiseerde bedrijven als Babylonia willen geen verkoopcijfers bekendmaken. “Het enige wat we kwijt kunnen, is dat er elke vijf minuten een doek of zak van ons merk verkocht wordt.” Niet slecht voor een zaak die begon als een eenmansbedrijf. 

“Het is gewoon aanstekelijk”, meent Jessica. Haar schoonouders begrepen in eerste instantie niets van dat dragen. “Maar na een paar keer oppassen zijn ze nu zelf aan het knopen en geven ze mijn zwangere schoonzus ook een doek cadeau.”

Toen ze vijf jaar geleden workshops en lezingen begon te geven, zag draagconsulente Elke Wellens vooral ouders die uit overtuiging wilden dragen. “Ik denk dat ze die geitenwollensokken noemen. (lacht) Nu zie ik vooral mensen die door vroedvrouwen zijn gestuurd omdat ze hulp nodig hebben. ‘Wij krijgen gewoonweg niets gedaan’, hoor ik vaak. Dat zijn dan ouders met een kindje met reflux waarmee ze maandenlang op de zetel hebben gezeten om het recht te houden na de voeding. Ze hopen dat een draagdoek of -zak dat makkelijker kan maken.”

Arno Lievens (26) is zo’n papa. “Zonder draagzak had ons leven er heel anders uitgezien. Moeilijker vooral.” Zijn dochter Pippa had verborgen reflux. “Als je haar neerlegde, begon ze steevast na 10 minuten te huilen.” Een draagzak zorgde voor verlichting, stilte ook. “En vrijheid. Ik kon werk verzetten in huis, we gingen wandelen, maakten uitstapjes.” 

Het meisje is vijf maanden oud nu. De reflux is weg, de draagzak niet. Niet alleen omdat haar ouders het praktisch vinden, maar ook omdat Pippa het zelf leuk vindt. “Eerst hadden we het gevoel alsof we haar in een dwangbuis stopten. Nu wordt Pippa vanzelf enthousiast als ik de draagzak tevoorschijn tover. Een beetje als een hond die zijn leiband ziet.”

Hij vertelt het wat lacherig. Toch heeft de draagzak voor Arno ook een emotionele waarde. “Als vader is de afstand tot een kind toch groter dan bij de moeder. Zij heeft het immers zo lang gedragen en kan het zelf voeden. Door die draagzak is mijn band met mijn dochter hechter geworden. Dat had ik niet verwacht, maar het is wel zo. Telkens als ik haar dicht bij mij droeg, dan voelde ik dat ik voor haar zorgde, dat er tussen ons ook warmte en genegenheid was.”

Arno Lievens en dochter Pippa. Beeld Damon De Backer

Bedorven nestje

Vraag is: is al die lof voor de draagdoek en -zak wel terecht? Want zowat elke ouder die draagt, weet: er volgen gegarandeerd opmerkingen à la ‘Ge verwent het te veel. Het gaat een pakkenkindje worden, nooit zelfstandig. Ga je het ook nog dragen als het twaalf jaar is?’

Hebben de mensen die zulke opmerkingen maken het dan helemaal bij het verkeerde eind? Of schuilt er waarheid in het risico op een bedorven nestje? De kinderdagverblijven lieten in elk geval wel optekenen dat het niet evident is, die eerste weken en maanden met een kindje dat voortdurend op het lijf gedragen is. “Wij moeten soms een hele tijd overbruggen eer het in een bedje kan slapen.”

“De angst om te verwennen zit diep geworteld in onze maatschappij”, herkent gezinspsychologe Nina Mouton. Ze begrijpt niet goed waar dat precies vandaan komt. “In een land als Afrika, waar kinderen al veel langer gedragen worden, lijken ze daar minder last van te hebben.”

Volgens Mouton hoeven we ons in ieder geval geen zorgen te maken. Zij noemt de huidhonger van kinderen iets heel natuurlijks, een basisbehoefte. “Zeker in die eerste maanden zoekt een kind veel contact. Daar is niets mis mee. Een kind zal, zodra het groter wordt en kan kruipen en stappen, ook zelf weer afstand nemen om op ontdekking te gaan.” Als dat moment aanbreekt, is het volgens de psychologe net van belang dat zo’n kind weet dat het op mama of papa kan terug­vallen als er iets misloopt.

Anneke Eldrigny (28) heeft het in elk geval op die manier ervaren. Toen haar dochter Yasmine zes weken oud was, ging die in een draagdoek mee naar het werk. “Als je zelfstandige bent, is veertien weken thuisblijven geen optie.” Ook vandaag bakt ze wafels en pannenkoeken in de keuken van haar tearoom met de vijf maanden oude zoon Adam rond haar. “Klanten reageren regelmatig: ‘Hangt dat kind nu weer rond u. Dat komt niet goed.’ Maar dat is helemaal niet zo. Mijn dochter gaat sinds september naar school en dat verloopt vlekkeloos.”

Ook Jessica, die straks weer als kleuterjuf aan de slag gaat, zegt dat ze in haar klassen nooit een verschil ziet. “Of een kind jarenlang borstvoeding heeft gekregen, maandenlang gedragen is of nooit een voet in een crèche heeft gezet: dat kun je gewoonweg niet achterhalen.”

Illusie

Ook professor Guy Bosmans, orthopedagoog aan de KU Leuven, gelooft dat je met een draagdoek niets verkeerd doet. “Als dat zo zou zijn, dan zou heel Afrika onveilig gehecht zijn. Dat is niet zo.” Anderzijds is het een illusie om te denken dat gehechtheid alleen maar met fysiek contact te maken heeft. “Er zijn heel veel processen die daar een invloed op hebben.”

Bosmans is een van de weinige mensen in ons land die gehechtheid onderzoekt. Het domein is volgens hem lange tijd onderbelicht geweest. “Het is pas dankzij het werk van de Britse psy­chiater John Bowlby dat de emotionele kant van de zorg onder de aandacht kwam. Bowlby heeft duidelijk gemaakt dat de nabijheid van primaire zorgfiguren voor een kind net zo belangrijk is als de praktische kant, als eten geven en ver­schonen.”

Bosmans verwijst naar beelden die de psy­chiater destijds maakte in ziekenhuizen en velen met verstomming sloegen. “Kinderen mochten toen niet door hun ouders vergezeld worden in een ziekenhuis. Bowlby filmde wat dat met tweejarigen deed. Je zag alleen maar emotionele ontreddering.”

Inzichten als deze hebben er volgens hem mee voor gezorgd dat rooming-in – bij je kind overnachten in het ziekenhuis – vanzelfsprekend is geworden, net als het huid-op-huidcontact tussen ouders en een pasgeborene in het eerste levens­uur, en het kangoeroeën of buidelen met prematuurtjes op de neonatologie. “Die populariteit van draagdoeken kan ook in dit rijtje thuishoren.”

“Ik denk dat het hart van ouders vroeger vaak heeft gebloed”, denkt Jessica. “Want als ouder wil je je kind dicht bij je hebben.” Volgens haar durfde men vroeger de adviezen van artsen of opvoedingsboekjes niet in twijfel te trekken. “Ze hadden ook veel minder mogelijkheden om er meer over te weten te komen. Ik was tijdens mijn zwangerschap dagenlang online op zoek naar opvoedingsmethoden waar ik mij het best bij voel. Op Facebook ben ik dan op zoek gegaan naar gelijkgezinden.”

Dat herkent ook Arno. “Het is opmerkelijk hoe onze ouders adviezen van decennia geleden naar voren blijven schuiven. Er is intussen veel meer kennis over opvoeden. Daar blijf ik dan ook op hameren als ze vertellen dat je een kind beter laat huilen tot het in slaap valt en dat zoiets goed is voor de longen.”

Bosmans merkt op dat niet alleen de wetenschappelijke kennis enorm verruimd is, maar dat ook de maatschappij veranderd is én de functie van een kind. “Vroeger was een kind iets wat je overkwam of het was een noodzaak omdat pakweg de oogst gegarandeerd moest worden. Vandaag is het een bewuste keuze. We willen geen tien kinderen, maar een of twee. En we denken heel goed na waarom we ze willen. Hun relatieve waarde stijgt daardoor. En door de toegenomen welvaart kunnen we ook veel meer met hun behoeftes bezig zijn.”

Stoffen harnas

Anneke: “Mijn mama was net als ik zelfstandige. Zij stond één week na de bevalling al terug in haar winkel. ‘Had ik toen maar van dat dragen geweten’, zegt ze nu als ze mij ziet werken. Op de vraag of zorg dragen voor zowel een kind als een eigen zaak niet al te lastig is, schudt ze van neen. “Of mijn man de zorg soms overneemt? In het weekend draagt hij mijn zoontje rond. In de week is dat geen optie. Hij is ook zelfstandige.” Zelf maalt ze daar niet om. “Echt niet. Ik vind het fantastisch om mijn zoon en dochter zo dicht bij mij te hebben. Dan voel je dat ze je nodig hebben.”

Dát gevoel vinden niet alle dragende mama’s zo fantastisch. Er zijn er ook die over de keerzijde van de medaille praten, die ons vertellen hoe ze initieel heel blij waren om te ontdekken dat hun kind in een doek of zak rustig was, maar ook hoe dat stoffen harnas na verloop van tijd steeds zwaarder begon door te wegen. Niet zozeer fysiek, wel emotioneel. “Ik voelde mij meer en meer met haar vergroeien. Het kwam tot een punt dat ik dacht: dit is te beklemmend, te verstikkend. Ik heb haar verslaafd gemaakt en nu kan ik niet meer terug.”

Herkenbaar, vindt gezinspsychologe Mouton. Het heeft volgens haar ook te maken met ons netwerk, dat zoveel kleiner is geworden als het over kinderen gaat. “Vroeger had je tantes en nonkels en nichtjes en neefjes die om de hoek woonden en even binnenwipten om op te passen. Nu wonen die, net als de grootouders, vaak veraf.” De papa of meemoeder, daar kun je als moeder ook niet altijd op rekenen. “Want die werken, net als de vrienden.”

Wat zou helpen, is om die papa of meemoeder toch meer in the picture te krijgen en hulp durven vragen aan je netwerk. “Het beeld dat we het als moeder allemaal zelf en alleen moeten ­beredderen, moeten we loslaten”, vindt ze. “Bedenk daarbij dat ouderschap sowieso bij momenten benauwend is, of je nu een kind hebt dat op je kleeft of niet.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.