Dinsdag 02/06/2020

De dozen van Pandora

Kunstenaars en knutselaars gestrikt en onder de kerstboom geschikt

Geen boekjaar werd besloten met een weelderiger oogst aan kunstgenot. Tussen het engelenhaar en de mistletoe kraken de boekenplanken onder monografieën, overzichtswerken en hebbedingen voor wie (bijna) alles heeft. Wij trokken naar ateliers uit het hitsige fin de siècle en naar modernistische bouwdozen, naar de studio's van contemporaine knutselaars en naar donkere kamers waar oud en jong geweld woedt. Aan één doos heeft Pandora niet genoeg: een stuwmeer vol kunstboeken ligt op ons te wachten, en de sluizen staan open.

Door Eric Min

Een monument in huiskamerformaat om mee te beginnen: Les Fleurs du Mal, illustrées par la peinture symboliste et décadente is meer een schrijn dan een boek - zwaar papier, stofomslag, vuurrode cassette. Wie Charles Baudelaire wil lezen, heeft natuurlijk genoeg aan een goedkope pocketuitgave; de onbeschaamd luxueuze editie van Les Fleurs du Mal die onlangs op de markt kwam, puurt haar meerwaarde uit een stoet decadente kunstenaars die al dan niet rechtstreeks door de dichter werden beïnvloed. Heel wat iconen uit de schutskring van het symbolisme (Munch, Toulouse-Lautrec, Rodin of Redon) komen aan bod, naast interessante kleine meesters die de echte rijkdom van deze epoque uitmaken: Alfred Kubin, von Stuck, Guys, Maignan, Schönberg... In dit boek spelen de Belgen de glansrol die hen toekomt, met het onvermijdelijke duo Rops en Rassenfosse naast Spilliaert, Stevens, Delville, Mellery, Wiertz en Ensor. De blauwgroene geur van absint woekert over de bladzijden, aftakeling geeft de toon aan. Weinig van wat we hier te zien krijgen, werd niet eerder vertoond, maar de pavane van schimmen en zinnen die Baudelaire in 1857 heeft ingezet, lijkt na anderhalve eeuw nog niet voorbij. Misschien toch even overwegen om het spaarvarken stuk te slaan en een bibliofiele folie te bedrijven. O ja: de uitgever verzocht ons vriendelijk het dure recensie-exemplaar na inzage netjes terug te sturen. Ook dat is nooit eerder vertoond.

Met een fraaie monografie over Félicien Rops blijft het fin de siècle nog even aan zet. Naar aanleiding van de renovatie van het museum in Namen bracht de wetenschappelijke staf een tiental essays samen in een kijkboek dat een vrij volledig beeld van Rops' leven en werk schetst. Zorgvuldig gedocumenteerd, vlot geschreven en aardig vertaald is het een essentiële inleiding voor wie geen genoegen neemt met de clichés die deze duivelskunstenaar in het rond heeft gestrooid. Rops was niet alleen een begenadigde etser die vrouwen en andere demonen liet opdraven in allegorische, lichtjes pornografische taferelen; hij heeft ook uitstekende landschappen en stadsgezichten geborsteld. Als geen ander incarneerde hij de moderniteit: Rops liet zich door de literatuur van zijn tijd inspireren en dweepte met wat rauw en realistisch in beeld kon worden gebracht, gedroeg zich soms irritant zelfverzekerd maar bleef altijd een kwetsbare, melancholische man. Met dit boek krijgt hij ook aan onze kant van de taalgrens een gepaste hommage.

Dat is eindelijk ook het geval voor zijn spitsbroeder en jongere tijdgenoot Armand Rassenfosse, die ooit samen met Rops een etsprocedé ontwikkelde dat 'Ropsenfosse' werd gedoopt. Zijn carrière speelde zich af in de schaduw van de Naamse veelvraat, en voor wie achteloos door dit boek huppelt, lijkt dat misschien terecht. Toch is Rassenfosse niet alleen de man die elegant voortborduurde op Rops' motieven; in enkele van zijn etsen en schilderijen citeert hij nadrukkelijk Pornokratès of hun gemeenschappelijke inspiratiebron Baudelaire. De autodidactische tekenaar, graficus en schilder uit Luik was echter een milde, bescheiden vakman die zijn leven heeft gewijd aan de afbeelding van de vrouw in al haar staten - als courtisane, mijmerend model of moeder met kind. Kunst was lust en gratie; zelfs zijn mijnwerksters kregen een raadselachtige glimlach mee.

De overzichtstentoonstelling in het Academiënpaleis die dit jaar was gepland, werd als gevolg van een juridisch dispuut tussen de erfgenamen geschrapt, maar gelukkig zag deze monografie tijdig het licht. Net voor de goede Armand Rassenfosse - geheel onterecht vergeten zou zijn.

* Charles Baudelaire, Les Fleurs du Mal, Editions Diane de Selliers, 190 euro (na 31 januari 230 euro).

* Bernadette Bonnier e.a., Het provinciaal museum Félicien Rops, Dexia/Mercatorfonds, 35 euro.

* Joost De Geest e.a., Armand Rassenfosse, Lannoo/Racine, 49,50 euro.

Ook de krullen van architect Victor Horta hebben volop hun wortels in het fin de siècle. Toch herinnert het weelderige kijkboek dat conservator Françoise Aubry voor Ludion samenstelde, ons eraan dat de meester van de art nouveau de beruchte zweepslaglijnen die hij in de stadspaleizen van de haute bourgeoisie had ontwikkeld, later zou inruilen voor een sobere vormentaal. Wie wil nalezen hoe Horta's stijl evolueerde, krijgt hier - na een korte, krachtige biografie - het hele chronologische verhaal opgediend, van het paviljoen voor het bas-reliëf De menselijke driften van Jef Lambeaux tot Brussel Centraal dat na Horta's dood in 1947 door Maxime Brunfaut werd voltooid. De teksten zijn snedig en verhelderend, maar het beeldmateriaal fungeert duidelijk als pièce de résistance en verkoopargument. Horta's interieurs die als geen andere "een indruk van overweldigende en intieme luxe" oproepen (dixit de schrijver Sander Pierron), zijn altijd wel een dankbare aanleiding voor briljante foto's. Dit boek is dan ook onmisbaar voor nieuwsgierige estheten die eerder nog geen Horta in huis haalden, maar wie vertrouwd is met het onderwerp, kan hier niet veel nieuws rapen.

Als de vierkante architectuurboekjes van de Archives d'Architecture Moderne niet bestonden, moest iemand ze dringend uitvinden. Elk deel uit de reeks is een kleinood, een geschenk van de goden voor wie fijne doch interessante kerstboomcadeaus zoekt: dertien bij dertien centimeter, zestig uitbundig geïllustreerde bladzijden, een consequent aangepaste typografie en een zachte prijs. Enkele boekjes fungeren als tastbare herinnering aan tentoonstellingen in La Loge of verwante oorden. Thema's zijn uiteraard architectuur (van de Parijse belle epoque tot Expo 58) en architecten (Dumont en Lacoste). De recentste uitgaven belichten de art-nouveaugevel en het 'Glazen Huis' dat de Brusselaar Pierre-Amaury Michel in 1935 onder invloed van Le Corbusier liet bouwen. Het onlangs gerenoveerde pand sleepte een architectuurprijs in de wacht. Geveltoerisme of snode inbraakplannen zijn echt geen optie: dankzij dit gedrukte pareltje kunnen we rustig naar binnen gluren.

2005 was ook een beetje het jaar van Robert Mallet-Stevens, de Franse architect en dandy die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw enkele opmerkelijke huizen en filmdecors heeft ontworpen. Zijn retrospectief in het Parijse Centre Pompidou was niet alleen inhoudelijk maar ook expositietechnisch een revelatie, en in de slipstream van dat evenement zagen enkele studies het licht. Richard Klein ging de villa Cavrois nabij Lille te lijf en belicht niet alleen de bewogen geschiedenis van dit slagschip van het burgerlijke modernisme, maar ook de aftakeling en de redding van het complex. Zijn gedegen onderzoek wordt helaas niet gediend door de lay-out, die ongeïnspireerd en zelfs oubollig oogt. Mallet-Stevens verdiende veel beter.

Het kleine album in zwart-wit dat de fotografe Jacqueline Salmon wijdde aan de reusachtige villa Noailles in Hyères, een realisatie van Mallet-Stevens waar Man Ray ooit nog een film draaide, is een verademing. Samen lopen we door de verlaten en leeggeroofde kamers waar de tijd danig heeft huisgehouden, tot alleen het licht en zuivere vormen overblijven. Als kers op de taart is er een slim essay van Hubert Damisch. Alleen in het Frans, maar zeer de moeite waard.

Met Architecten in Nederland van Cuypers tot Koolhaas hebben samensteller Hans Ibelings en een team van tien auteurs een turf afgeleverd die als referentie- en naslagwerk een ruim publiek zal bekoren. Anders dan de titel laat vermoeden, is er geen sprake van chronologie; honderdvijftig architecten en architectenbureaus van 1800 tot eergisteren passeren in alfabetische volgorde de revue, elk op twee pagina's, ruim geïllustreerd met uitstekend fotomateriaal en een enkel plan. Je moet al Berlage, Oud of OMA (Koolhaas' Office for Metropolitan Architecture) heten om uit het strakke format te breken en twee bladzijden extra in de wacht te slepen. Verwantschappen worden subtiel aangegeven, zodat elk rondje grasduinen wel ontdekkingen oplevert. De teksten werden noodgedwongen kort gehouden, maar bevatten essentiële en toegankelijke no-nonsense informatie, naast een beknopte bibliografie. Maar het zijn eigenlijk de bladvullende foto's op de rechterpagina die ervoor zorgen dat je in deze gids blijft ploegen. Er is een namenregister, maar een tijdsband en een lijst met locaties waar al deze belangrijke lieden hun beste werk hebben neergezet, zouden geen overbodige luxe zijn.

* Françoise Aubry, Horta, architect van de art nouveau, Ludion, 39,50 euro.

* De art nouveau gevel, ambacht en sierkunst, Het glazen huis - Paul-Amaury Michel en veertien andere titels, A.A.M., 12 euro per stuk.

* Richard Klein, Robert Mallet-Stevens. La villa Cavrois, Picard, 38 euro.

* Jacqueline Salmon & Hubert Damisch, Robert Mallet-Stevens et la villa Noailles à Hyères, Marval, 10 euro.

* Architecten in Nederland, van Cuypers tot Koolhaas, Ludion, 34,90 euro.

Af en toe moet iemand er ons aan herinneren dat het kijken naar oude schilderijen geen vrijblijvende activiteit is. Wie zich laat betoveren door een doek en uitsluitend de oppervlakkige categorie 'bewondering' hanteert, mist de helft van het verhaal: er moet ook aan close reading gedaan worden, ontcijferd. Met De kunst van het kijken van Patrick De Rynck presenteert uitgeverij Ludion een opulent en handzaam naslagwerk waarin bijna tweehonderd werken chronologisch paraderen, van panelen uit het trecento tot Goya's oorlogsgruwel. Elk schilderij krijgt twee bladzijden vol details, weetjes en deskundig commentaar dat af en toe wat te evident lijkt, maar allicht didactisch verantwoord is. Mythologische of literaire verwijzingen worden kort geduid, en ook de maatschappelijke context komt aan bod. Wie een handvol doeken uit dit imaginaire museum bestudeert, gaat vanzelf trager en aandachtiger kijken. Met wat we hier bijvoorbeeld over de Hollandse Gouden Eeuw opsteken, kunnen we rustig een museum als Boijmans Van Beuningen aan.

De natuur en haar symbolen, het recentste deel uit de reeks Kunstbibliotheek, die met een foto van Jan Hoet en de frase 'Eindelijk snap ik iets van kunst' aan de man wordt gebracht, volgt hetzelfde procedé. Bloemen, bomen, echte beesten en fabeldieren worden hier efficiënt (maar soms met een iets te grote stelligheid) verklaard aan de hand van schilderijen uit musea voor oude kunst. In tijden van dreigend analfabetisme moet iemand dit doen, fluistert het cultuurpessimistische uiltje discreet in ons rechteroor. Al mag het voor ons ook een geile patrijs zijn.

Meer dan twee eeuwen na dit allegorische geweld heeft de kunst een nieuwe vlucht genomen. Ontbinding en twijfel sijpelden naar binnen, en de collage werd een embleem voor het mechanische paradijs van de techniek. Van de raadselachtige Karl Waldmann, over wie we niet veel meer weten dan dat hij samen met zijn Russische vrouw omstreeks 1958 in een sovjetwerkkamp verdween, doken na de val van de Muur honderden al even enigmatische collages op waarin de kunstenaar zowel met Hitler als Stalin afrekende. In de traditie van Heartfield of het dadaïstische koppel Hausmann-Höch knipte en plakte de man (?) een fascinerend universum bijeen dat blijkbaar niemand ooit eerder gezien had. De onderzoekers van het voorlopig nog virtuele Waldmann Museum steigeren wanneer er aan de authenticiteit van deze met vaart en betekenis opgeladen werken wordt getwijfeld; vandaag hebben ze de mooiste exemplaren in boekvorm verzameld.

De ook al in mythes en stadslegenden gehulde Panamarenko ging wel tot ons collectieve onderbewustzijn behoren. Naar aanleiding van het retrospectief in de Brusselse Koninklijke Musea voor Schone Kunsten (dat nog tot 29 januari loopt), verscheen een catalogus die recht doet aan zijn kunst- en vliegwerk. Het personage Panamarenko, provocateur, professor in de vrolijke traditie van de collega's Gobelijn en Zonnebloem, intelligente zot, geliefde van Eveline en eerstaanwezend suppoost van onze jongensdromen, is al lang bijgezet in de buffetkast met Belgische legenden. In dit boek kunnen we het allemaal nalezen en nakijken.

Vitamin D. New Perspectives in Drawing is misschien wel het mooiste object uit dit overzicht. Op meer dan driehonderd zorgvuldig samengestelde bladzijden met rafelige randen treffen we een panorama van hedendaagse tekenkunst aan. Gelukkig kreeg het thema geen strakke definitie mee, zodat allerlei mengvormen voor diepte en volume zorgen. Naast het zuivere tekenen, dat duidelijk aan een publieke herwaardering toe is, mogen ook graffiti, fotografie, sjablonen en zelfs post-it's opdraven. De alfabetisch geordende selectie omvat beroemde namen als Marlene Dumas of William Kentridge (en Michaël Borremans, de enige landgenoot in dit internationale gezelschap), maar vooral de ontelbare ontdekkingen die we in dit album kunnen doen, maken het tot een verplicht nummertje voor al wie het genre een warm hart toedraagt.

Contemporary Art in Belgium 2006 ten slotte, is het drietalige jaarboek waarin MuHKA-directeur Bart De Baere en kunstenmens Henry Bounameaux ons - tussen dure advertenties voor handtassen en parfum door - het landschap van de hedendaagse artistieke activiteit willen laten zien, langs al dan niet vakkundig gesloopte galeries, mensen en krijtlijnen, en gevat in lichtjes overspannen volzinnen. Kunst als speler in een wereld van markt en strijd: het blijft een fascinerend universum voor interessante mensen die willen weten wat er zoal te koop is - letterlijk, maar gelukkig ook figuurlijk.

* Patrick De Rynck, De kunst van het kijken. Iconografie van de Europese schilderkunst, Ludion, 29,90 euro.

* Lucia Impelluso, De natuur en haar symbolen, Ludion, 19,90 euro.

* Karl Waldmann, Karl Waldmann Museum, 35 euro.

* Frederik Leen & Francisca Vandepitte, Panamarenko, de retrospectieve!, Ludion, 33 euro.

* Vitamin D. New Perspectives in Drawing, Phaidon, 69,95 euro (tijdelijk 55,95 euro).

* Bart De Baere & Henry Bounameaux, Contemporary Art in Belgium 2006, Stichting voor de Kunsten, 30 euro.

Willy Ronis werd dit jaar 95; dat leverde hem een verdiend retrospectief in het Parijse stadhuis op, met duizenden bezoekers die zijn zwartwitfoto's uit de humanistische traditie nog een keer rustig wilden bekijken. Voor wie niet naar Parijs kon of er op de vlucht sloeg voor de eindeloze rij wachtenden, heeft uitgeverij Taschen een overzicht van Ronis' carrière samengesteld waarin alle iconen uit zowat vijfenzeventig jaar fotograferen een plaatsje kregen. Dit boek is dan ook gedrenkt in het vriendelijke parfum van bistro's, het Front Populaire en ongecompliceerde gezelligheid. Vandaag mag het weer, maar het kunstbedrijf beschouwde dit soort van nostalgie jarenlang als not done; dertig jaar geleden was Ronis bijna vergeten - alleen zijn Nu provençal en een handvol toeristische clichés hadden de orkaan doorstaan. Nu worden albums als Belleville-Ménilmontant, in 1954 hooguit door ingewijden gewaardeerd, volop herdrukt. Het boek van Taschen, losweg chronologisch en thematisch opgebouwd, is een uitstekende inleiding tot een leven in dienst van de camera, met vroeg werk uit de jaren dertig naast recente portretten (Isabelle Huppert, Doisneau) en zeldzame naakten die het sluitstuk van een meanderend oeuvre zijn geworden. Ronis is een schat van een mens, zijn testament in beelden een gedroomd cadeau voor al wie houdt van stevig gecomponeerde beelden met grote straatwaarde.

De Antwerpse fotograaf Marc Steculorum reisde naar Borgo Sansepolcro, het Italiaanse stadje waar renaissanceschilder Piero della Francesca opgroeide, en bracht een mooi boekje mee. In Sansepolcro vertelt hij zijn eigen verhaal, in "discrete beelden van de alledaagse werkelijkheid" die door Leen Huet worden ingeleid. Wat we te zien krijgen is bijna niets - schijnbaar toevallige details, inkijkjes, gewoon wat een uitstekende fotograaf opmerkt die tussen de mensen staat en door het landschap wandelt dat bij hen hoort. Hoe graag kun je deze gedichtenbundel zonder woorden zien, dit pareltje van efficiënte eenvoud ?

Al even apart is The Way to the Centre van de Tsjech Miro Svolík, die al jaren aan de weg timmert met geënsceneerde opnamen op het breukvlak tussen collage, tekening en foto. Svolíks eigenzinnige oeuvre is ongetwijfeld schatplichtig aan een moeilijk te definiëren 'Praagsheid' - iets als 'Belgitude' maar dan in het land van Kafka en Vaclav Havel: raadselachtig, provocerend en verfrissend ironisch. De zwartwitfoto's die Svolíks carrière illustreren, werden gevat in een geïnspireerde en uiterst gesoigneerde lay-out. Een staaltje van grensoverschrijdende samenwerking.

Het is niet gemakkelijk om mislukte foto's te maken. Met de hulpstukken die vandaag op de markt zijn, kan een kind goed uitgelichte, haarscherpe opnamen maken of het beeld manipuleren tot het aan onze verwachtingen beantwoordt: evenwichtig, leesbaar, afgelikt. Het oog wil gerustgesteld worden, ook al zijn er de voorbije jaren enkele trashy kunstgrepen in de fotografie naar binnen geslopen. Beelden mogen bewogen of overbelicht zijn. De zesentwintigjarige Jean-François Spricigo uit Doornik, fotograaf maar ook cineast en acteur, tast in zijn boekje Silenzio de grenzen af van wat een beeld kan tonen en suggereren. Voor een ongeoefend oog zijn deze foto's een vreemde ervaring: het ziet fouten, morsige kladjes, des ratés, bewogen of slecht gekadreerde beelden die over- en onderbelicht lijken, korrelig, uitgeveegd. Negatieven lijken vuil, schaduwen trillen. Spricigo portretteert levende wezens als dode lichamen. Hij is een leerling uit de school van Baudelaire, voor wie schoonheid goor en wreed mocht zijn, schuimbekkend en stuiptrekkend. Uitgangspunt voor de cyclus waren oude contactafdrukken die fungeren als een visueel geheugen dat verhalen oproept en vervormt. "C'est l'image que j'ai des gens quand je ferme les yeux, ce qui reste. C'est un point de vue d'aveugle, un point de vue absent." Deze afdrukken moeten omzichtig gelezen worden. Omdat ze in raadsels spreken, weten we niet wat we zien. Misschien is het wel de scherpte (van de wereld, maar ook van de afbeeldingen die we ervan maken) die ongepast is, en waarover we ons moeten verbazen. Misschien zijn het wel deze beelden die we zien als we niet kijken. Misschien zijn Spricigo's ongenadige foto's wel een vorm van herinnering.

* Jean-Claude Gautrand, Willy Ronis, Taschen, 19,99 euro.

* Marc Steculorum, Sansepolcro, Camera Work, 15 euro.

* Miro Svolík, The Way to the Centre, Argo/Voetnoot, 35 euro.

* Jean-François Spricigo, Silenzio, Yellow Now, 14 euro.

Eric Min

Inzake naslagwerken over de klassieke oudheid past het een ferme ode aan te heffen voor Panorama van de klassieke wereld, van de hand van Nigel Spivey en Michael Squire (beiden Cambridge). Het is bij zo'n naslagwerk altijd kiezen: bouw je het chronologisch op of doe je het thematisch, of in een mix van de twee. Spivey en Squire gaan voluit voor thema's. Ze beginnen met 'het lichaam in de klassieke oudheid', goed voor een vijfde van het boek. Daarmee je panorama openen is een statement, en een goed bovendien. In de oudheid stond lichaamscultuur hoog aangeschreven: sport en spelen bij de Grieken, baden bij de Romeinen en erotiek overal. Jezelf verzorgen was jezelf verwerkelijken, esthetisch en ethisch. Wij zijn dat na een paar duizend jaar christelijke lichaamsverachting aan het herontdekken. En het panorama gaat verder met hoofdstukken over het 'tolerante polytheïsme' van de klassieke wereld met zijn 'flexibele pantheon', de plooibaarheid van de klassieke mythen, de omgang van de antieken met hun omgeving, het denkwerk over goed bestuur, de prekapitalistische economie (met de ethische bijziendheid voor de schande van de slavernij), filosofie en onderwijs, de polariteit 'Apollo' en 'Dionysos', de rol van de kunst in de oudheid. Spivey en Squire vertrekken graag van concrete cases en verrassend is dat niet zelden ook de Etrusken prominent opduiken. Hun boek eindigt met 'de duurzaamheid van de traditie': "Juist omdat de klassieke traditie zich voor zoveel verschillende aanspraken leent, is ze altijd zo'n belangrijke rol blijven spelen." Ze is vaak misbruikt om culturele superioriteit te funderen en een creatuur als Hitler eigende ze zich toe, maar dat deden ook de emancipatoren van de homobeweging.

Onvermijdelijk huppel je in die thema's op twee drie bladzijden vrolijk door een eeuw of tien. Dat kan behoorlijk inspannend zijn, en is soms weinig genuanceerd. Er zijn bladzijden met een hoog soortelijk gewicht en Spivey en Squire worden soms 'academisch'. Misschien is er wel plaats voor een afgeslankte versie van hun werk?

Maar niet getreurd: de honderden prachtige afbeeldingen - klassiekers én verrassingen - zijn naast de tekst de tweede stevige pijler van dit naslagwerk, ook omdat ze volop interageren met die tekst. Je leert al lezend hoe je met visuele bronnen moet omgaan. Lof zij tot slot de drie Nederlandse vertaalsters. Zij hebben bijvoorbeeld voor de tientallen langere citaten gebruikgemaakt van de recente Nederlandse vertaal-tsunami van antieke teksten. Dat is in dit genre van boeken in het geheel niet vanzelfsprekend. Vaak krijg je een Nederlandse vertaling van de Engelse vertaling van het Grieks van Homeros opgelepeld.

Panorama van de klassieke wereld brengt een onuitgesproken belangrijke boodschap. Dat vertelt één blik op de uitgebreide, nogal anglofiel getinte bibliografie. Die bevat nauwelijks titels van vóór 1980. De studie van de oudheid onderging de jongste decennia inderdaad een metamorfose en leverde dankzij wat vroeger 'hulpwetenschappen' heette, tal van nieuwe inzichten op, betwiste en minder betwiste. Het is een tour de force van de auteurs dat ze zoveel daarvan in hun boek hebben verwerkt. Classici en historici die niet een béétje mee zijn met al dat nieuws, moeten zich flinke zorgen maken over waar ze mee bezig zijn. En de rest van de wereld krijgt hier een mooie kans om de nieuwe oudheid te ontdekken.

Patrick de Rynck

* Nigel Spivey & Michael Squire, Panorama van de klassieke wereld, Ludion/Athenaeum-Polak & Van Gennep, 44,90 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234