Maandag 24/06/2019

De dood koerste mee

In zijn boek De val vertelt journalist Matthias M.R. Declercq het onwaarschijnlijke verhaal van vijf Gentse vrienden die droomden van een mooie wielercarrière, maar ontwaakten in een nachtmerrie. Een verhaal waarvoor elke Hollywood-scenarist zou bedanken wegens 'te ongelooflijk voor woorden'.

`Het leven is een zoektocht naar iets dat niet bestaat.'

Dat is wat je leest. Geschilderd in dikke, zwarte verf op de betonnen steunpilaar van de brug in Zwijnaarde. Achter de zin staat een punt. Zo is het, en niet anders. Iedere zoektocht kent een einde.

Die brugpijler is een bekende plek in Gent. Hier ontspringt het jaagpad en vertrekken wielerprofs, amateurs, toeristen, vissers, wandelaars, geliefden en boswachters aan een tocht die naar Oudenaarde leidt, en uitmondt in de Vlaamse Ardennen. Eens de brug onderdoor, vervliegt de ruis en openbaart de Schelde zich als een machtige stroom. Als na een snelle rit en het harde schuren met je rug over de ongelijke leggers van de glijbaan, eindelijk dat warme zwembad in.

Vijf jonge kerels, allen wielrenners, vatten hier begin jaren 2000 een onwaarschijnlijke tocht aan. Ze trainden op het jaagpad, reden tientallen, honderden, duizenden keren van Gent naar Oudenaarde, en terug. Passeerden de brug, de graffiti op de pilaar, duwden zich af en lieten de stad al fietsend achter zich.

Hun namen: Iljo Keisse, Dimitri De Fauw, Wouter Weylandt, Kurt Hovelijnck en Bert De Backer. En hoewel West-Vlaming, toch ook af en toe in het wiel: Frederiek Nolf.

Hun doel: de koers.

De jongens maakten hun borst nat. Ze leidden een zorgeloos leven, gingen uit in de bekende Gentse Overpoortstraat, knipoogden naar meisjes, toostten op de toekomst. Dimitri De Fauw bestelde twee flessen champagne. De eerste om leeg te spuiten, de tweede om op te drinken.

Ik heb dat groepje vaak gezien. Aan de toog, of langs de Schelde. Ik zag kameraden, mannen die alleen vooruitkeken, een nieuwe generatie coureurs. Ze spoelden het zout van de armen en kraakten een fles. Altijd waren die gasten je voor, niet te grijpen, niet in een mal te proppen. Wat brillantine in het haar en een blinker in de oren. In alles een beetje James Dean, adepten van Ploegsteert in het post-VDB-tijdperk. Ze hebben hem ook allemaal gekend, en hoewel nooit zo verteld, reden ze langs de Schelde in de stijl van Frank Vandenbroucke: verblind door de zon.

Ik zag de sprint aan café De Meersbloem. Daar lag en ligt een witte streep die ze ooit zelf trokken. 's Nachts, toen niemand hen zag. Wouter Weylandt gooide bij iedere trainingssprint zijn kont naar achteren, en Dimi De Fauw zwiepte het stuur naar voren. Gooide, zwiepte. Verleden tijd.

Telkens als ik ze zag, glommen die mannen als boenwas. Ze keken mij aan, maar kenden mij niet. Thuis keek ik naar hen op televisie, las hun reactie in de krant, zag ze trainen langs de Schelde. Ik raakte geïnteresseerd in hun verhaal.

Het wielrennen bracht die jongens samen, smeedde van hen een groep. Maar datzelfde wielrennen ranselde die groep nadien stelselmatig uit elkaar. De val is de finale geschiedenis van die jongens. Een waargebeurd verhaal van gewone jongens uit gewone dorpen en één gewone droom.

Tussen 2006 en 2011 kreeg het kwintet af te rekenen met een reeks ingrijpende, dramatische gebeurtenissen die een Hollywood-scenarist in een script als 'overdreven' zou bestempelen, van de pot gerukt. Toch heeft de werkelijkheid de fictie in dit geval uit het wiel gereden. Alle feiten haalden het nieuws. Ze haalden ook Wikipedia. Vrienden en familie waren op de radio te horen. Kranten schreven over alle afzonderlijke feiten, maar het is een hele groep die werd geraakt.

Altijd opnieuw diezelfde groep. Altijd. Nogmaals de namen: Iljo Keisse, Dimitri De Fauw, Wouter Weylandt, Kurt Hovelijnck en Bert De Backer. En de jongen die later ook kwam piepen, zonder echt deel uit te maken van de groep: Frederiek Nolf.

Hun coulante bestaan werd in november van 2006 voor de eerste keer doorgeprikt. In 't Kuipke haakte Dimi De Fauw tijdens de zesdaagse van Gent in het stuur van Isaac Gálvez. De Spanjaard overleefde de val niet. Er werd in die tijd bericht over een accident, tegenslag voor het evenement en de terugbetaling van tickets. En over Dimi, dat ook, over de man die zichzelf voor het hoofd sloeg. Maar niemand die de Spanjaard kende. De dood van een man in een regenboogtrui bracht de rest van de vriendengroep (nog) niet uit evenwicht. Maar achteraf is het verongelukken van Isaac een eerste dominosteen gebleken.

Geen schuld maar toeval

In De val praat de familie Gálvez over Isaac, over hun zoon. Over de man die in Vlaanderen een moeilijke vraag in een sportquiz is geworden. Hun relaas snijdt diep in het vlees. In Vilanova i la Geltrú ontving de familie me bij hen thuis. Ze vroegen naar Dimi en spraken niet over schuld, maar wel over toeval. Dat net hun sturen in elkaar moesten haken. Ze vroegen ook naar de rest van de groep, en konden hun oren niet geloven. Vader Paco wilde Dimi nog bellen. Het is er nooit van gekomen. Nu zit de man vaak in het fietsatelier, in de benedenverdieping van zijn huis. Achterin dat atelier hangt die bewuste pistefiets nog altijd. Paco wil hem eigenlijk tot schroot herleiden, maar durft niet. Dus blijft die fiets daar hangen. Opvallend onopvallend.

Dimi De Fauw, dat wilde, onstuimige paard, reed na die noodlottige zesdaagse thuis eenzaam op de rollen. In de garage kleefde hij post-it's aan de muur naast hem, aan de kast voor hem, en altijd kwam die naam terug. Vijf letters: Isaac. Isaac. Isaac.

Kort nadien was zijn rol in het peloton zo goed als helemaal uitgespeeld. Een paar maanden na het drama in 't Kuipke, begin 2007, bracht Het Laatste Nieuws een interview met een anonieme renner. Die renner betichtte zijn ex-ploeg QuickStep van dopinggebruik en richtte zich vooral op de sterke mannen van het team. Patron Patrick Lefevere en arts Yvan Vanmol, twee kerels met macht en aanzien in de wielrennerij. Mannen ook met een lange staat van dienst in de Belgische wielergeschiedenis. Het interview ontplofte in Dimi's gezicht. Een groot deel van het peloton wees hem met de vinger. Dimitri De Fauw was inderdaad de anonieme renner.

Maar wat hij in dat interview zei, is niet wat mensen in de krant lazen. Een tijd geleden las ik zijn versie in zijn dagboek, en hoorde zijn stem op tape. Dimi heeft zowel de val als het interview neergeschreven in fragmenten die pure machteloosheid uitstralen. Hij laadde zich nadien nog op voor wedstrijden, vocht tegen zichzelf, maar had geen kans op winst.

"God, Isaac, laat het geluk eens nu 110% meezitten voor me!! Kheb getraind, op m'n eten gelet, me verzorgd... Alles zat en zit mee! Ik ben er klaar voor..."

"Come on Dimi, ge kunt het, geloof erin, kop op!! Ik wil, ik kan!!!!"

De onmacht van een kerel die een moeilijke jeugd kende en die plots veel te snel volwassen werd. Moest worden. Het verhaal van Dimi De Fauw is zoveel meer, zoveel groter, het is rauw, ongelikt en tragisch. De jongen eindigde in een mijnenveld en wist niet meer waar gelopen. De demonen kwamen plots van overal, tot het hem definitief te veel werd.

Deodorant in de schoenen

Zijn boezemvriend als puber, Iljo Keisse, wilde hem helpen. Maar Dimitri sloot zich af. Keisse had trouwens al snel andere katten te geselen na een positieve plas in 't Kuipke. Net daar, op de piste waar hij groot werd en waar de dood zich twee jaar voordien voor het eerst had geopenbaard.

Iljo kende een stekelige jeugd. Hij, de zoon van cafébaas Ronie en verpleegster Mariane, besefte als kind na de scheiding van zijn ouders dat je je plan moet trekken in dit leven. Dat deed hij sindsdien consequent, tot ook hij een vreemde brief kreeg. Iljo moest plots zijn onschuld bewijzen en wist niet hoe daar aan te beginnen.

Later kreeg hij ook een brief van zijn vader. Als kind, puber, kon Iljo niet altijd rekenen op zijn vader. Ronie nam tijdens de dopingzaak van zijn zoon een balpen en een vel papier. Hij schreef het volgende: "Ik voel me medeplichtig voor wat is gebeurd, of beter nog, het tegenovergestelde daarvan - noemt dat schuldig verzuim? -, ik voel me schuldig door je te laten 'knotsen', door me van niks iets aan te trekken, door veel te weinig te weten."

Iljo verzeilde uiteindelijk in een schier oneindige dopingzaak. Hij werd van het kastje naar de muur gestuurd. Terwijl de rest van de groep ging trainen op het jaagpad, lag Iljo thuis naar het plafond te staren. Ondertussen studeerde vader op juridische en medische termen die hij nooit nog zal vergeten. Ronie weet sindsdien wat hydrochloorthiazide is en waarom zijn zoon positief testte.

Langs de Schelde blies de wind alleen nog in het gezicht. Ik zag de groep afkalven. Zij die vroeger met Iljo en Dimi trainden langs het jaagpad en diezelfde grote droom deelden, ook zij raakten vermalen tussen de kaken van de tragiek. Frederiek Nolf werd plots niet meer wakker in Qatar. Was het hartfalen? Kurt Hovelijnck smakte keihard tegen de grond vlak bij z'n huis - op het jaagpad nota bene - en Wouter Weylandt raakte met zijn linkerpedaal een muurtje in de Ronde van Italië en overleed ter plekke. Hij had de meeste stardust van de vijf, dat extra laagje glazuur als winnaar van een etappe in de Giro d'Italia. Dat ben je voor het leven.

Wouter groeide op in de Gentse rand, in een sportief gezin. Hij keek bij het uitstappen van de ploegbus altijd in de spiegel. Hij spoot deodorant in zijn koersschoenen, droeg een brilmontuur met plastic glazen, maar kende op de fiets het arbeidsethos van een vlasboer.

Man zonder schedel

Het verlies van WW hangt nog altijd als een mistbank boven het peloton. Dat Kurt Hovelijnck nog kan vertellen wat hem écht overkwam, heeft hij te danken aan Wouter, die meteen de MUG belde. Het leven van Kurt is nu gekarteld. En in Kuurne, thuis bij de familie van Frederiek Nolf, roept de papegaai vaak "Broere, broere", en zwijgt iedereen.

Allemaal feiten, allemaal stukken in de krant, allemaal beelden in het journaal, maar vooral: allemaal verbonden met elkaar. De groep, de vrienden, de entourage, zij die achterbleven keken allemaal naar boven: 'Waarom toch?' Het is de eerste keer dat ze er nu openlijk, en zonder schroom, over praten. Er gaapt een diepe kloof tussen een pagina op Wikipedia en een pagina in een dagboek.

Wie zij zijn of waren. Hoe ze elkaar leerden kennen. Wat hen overkwam. Hoe zij nu denken. Wat zij nu doen. Wat er werkelijk is gebeurd met die groep. Dat wilde ik weten.

Iljo Keisse is de kroongetuige van dit verhaal. Naar hem lopen de meeste lijntjes. Iljo sprak ik in 2011 voor het eerst, kort na de dood van Wouter. In De Karper, het studentencafé van vader Ronie. De Tour stond op, voor een leeg café. En Brel zong 'Voir un ami pleurer'. Af en toe zag ik Keisse wegzinken en verzandde zijn blik in het beeld van een peloton dat tussen zonnebloemen en tarwevelden de glorie tegemoet reed. 'Bien sûr il y a nos défaites. Et puis la mort qui est tout au bout.' In de ogen van Keisse zag ik een kaal bos waar een harde wind woei. Af en toe zette hij de deur op een kier: "Misschien moet ik je echt vertellen hoe het met me gaat."

'Ik heb te veel klappen gekregen', was de titel van het verhaal dat in deze krant verscheen.

Kurt zat in 2009 naast mij op een hometrainer in het krachthonk van een kinesist. Na die val op training was Kurt een man zonder schedel. De flanken van zijn gelaat helemaal ingevallen. Er liep enkel nog een kasseirug over zijn hoofd. Hij zag op het tv-scherm in de trainingszaal hoe Mark Cavendish in de Tour zes ritten won. Dan keek hij naar zijn benen, ontdaan van alle spieren en zei: "Coma, dat doet iets met een lijf. Alles is weg."

In augustus van 2009 zagen we op datzelfde scherm Edvald Boasson Hagen de Eneco Tour winnen. "Dedju, ik moest daar ook zijn."

Anderhalf jaar later keerde ik terug naar Kurt. Ik belde aan in Melsen, zie hem nog door het matte glasraam op de deur afstappen. Hij deed open, en reageerde verbaasd: "Ne goeien dag. Voor wa d'ist?" Kurt wist niet meer wie ik was. Marie-Lou, de vrouw van Kurt, nam haar man in bescherming en leidde me binnen. Het werd alsnog een goede babbel.

In de wagen op weg naar Gent overviel mij een besef: ik heb die man met nog meer vragen opgezadeld.

Honderd ontmoetingen

"Het doet me pijn over hem te praten", zei Nele Bral bij onze eerste ontmoeting. Nele is de moeder van Wouter Weylandt, de renner die in de Ronde van Italië uit het leven verdween. "Wat met Wouter en de rest van die kerels is gebeurd, mag niemand vergeten. Schrijf het op. Houd het bij. Wat ik u vertel, zal blijven."

Want niemand wil zomaar leven, anoniem, zonder een paaltje in de grond te slaan. Iedereen hoopt dat zijn leven betekenis heeft, of had. Dat is wat ons drijft. Een zoektocht naar een relict, iets dat herinnert aan wie wij waren.

Het is dit jaar tien jaar geleden dat Isaac Gálvez stierf op de piste. Zeven jaar geleden dat Dimi verdween. Zeven jaar geleden dat Frederiek verdween. Het is vijf jaar geleden dat Wouter achterom keek in de Ronde van Italië. Allemaal net lang genoeg geleden om te durven praten, en net vroeg genoeg om niks te vergeten.

De eerste jaren na de drama's was het onmogelijk dit boek te schrijven. De tijd was niet rijp. Nu voelde ik bij de eerste schuchtere benadering van de protagonisten, twee jaar geleden, dat de deur op een kier stond. Dat dit het moment was om het verhaal te brengen. Het verhaal van de trainingsgroep die jaar na jaar werd uitgedund. Bleek de waarheid veel harder en rauwer dan een titel zeggen kan.

Er gingen aan het boek uiteindelijk meer dan honderd ontmoetingen vooraf, meer dan honderd gesprekken, meer dan honderd streekbieren. Ik sprak Bert, Kurt en Iljo regelmatig, soms uren aan een stuk, en bracht hen in november 2014 ook opnieuw samen, een speciaal moment was dat. In Wondelgem serveerde Bert toen sterk bier, een Vlaamsche Leeuw Tripel van 8,5 procent. Hij was fier op de schuimkraag, niet dikker dan een Romeinse boord. "Een kraag tot net aan zijn kloten", zei hij toen. Buiten blies de wind het afgevallen blad omhoog. Over houten stoelen hingen sjaals en mutsen. De vrieskou vertraagde het leven.

Niemand van de drie mannen aan tafel had of heeft een diepe stem. Allemaal nog een prikkel in de keel. Stemmen die ook toen niet ver reikten, niet door wind werden gedragen. Het geluid van een groepje Joe Speedboots. Jongenslijven die botsen met het idee van kasseicoureurs als Brabantse trekpaarden.

Iljo met dat typische iele rennerslijf dat snakte naar een diepe slaap. Z'n kaaklijn was scherp afgetekend, over de pezige arm gleed een horloge. Bert met het meest geprononceerde gabarit, een lijf door stormwind gekneed met stoppels op de kin en bruin borstelig haar dat energiek opveerde bij het wandelen.

En Kurt, ja, met de beschroomde lach die zijn geschiedenis nog altijd blootlegt. Over de flank van zijn hoofd loopt een ontzaglijk litteken, een ritssluiting die in het verleden haakt. Kurt zei toen: "Als we alles vertellen wat is gebeurd, dan gaan sommigen zich ongerust maken. Dus oké, we vertellen alles."

Oorlogsveteranen

Het waren net oorlogsveteranen die zich warmden aan het kampvuur, elkaar in de ogen keken en het leven zagen passeren. In Wondelgem trok de nacht een zwart deken over de avond en stond het schuim nooit lang aan de kloten.

"We gaan je alles vertellen", zei Bert. "Maar je kunt niet alles opschrijven. What happened on the vélo, stays on the vélo. Alhoewel, er zijn geen geheimen. Kunnen we dat vertellen, gasten, dat verhaal van die p...?" De anderen veerden recht: "Ho ho! Kalm aan!"

Er speelde die avond geen muziek. De drie vulden de stiltes zelf op. Anekdotes klommen als luchtbellen naar het oppervlak. "Was het dat allemaal waard?" vroeg Kurt. Dan zei Iljo: "Ik weet niet waar dit gaat eindigen. Voor veel dingen heb ik nog geen uitweg gevonden." Hij gooide zijn linker- over zijn rechterbeen en liet het bier walsen in het glas. "Een boek over ons? Mensen gaan het verhaal niet geloven. Het is niet realistisch, maar het is wel waar."

Ze praatten door elkaar.

Iljo: "Ik zie het nog zo voor ogen. Dimi met die baseballpet en basketbalschoenen: yooo!"

Bert: "Ik heb leren rouwen na Wouter."

Kurt: "Ik dacht de wereld te kennen en te begrijpen. Zat ik er daar ferm naast."

Om dan alle drie samen te besluiten: 't is goed, we doen mee.

Na hen zag ik vrienden, (ex-)ploegmaats, (ex-)ploegleiders, vaders, moeders, zussen. Meer dan honderd mensen, ruim meer dan tweehonderd uur tape. In Spanje kreeg ik een warm onthaal van de familie Gálvez. In Italië huilden mensen die Wouter nooit hebben gekend. Ik wilde weten wat die mannen is overkomen. Hoe hun denken is gekneed door de feiten. Hoe keuzes je leven bepalen en achtervolgen. Wat de waarde is van fietsen. Hoe ver de grenzen reiken van passie. Of zingeving nog zinvol is als de dood meekijkt.

Het vergde moed om te praten. Moed om te erkennen wat doorwerkt in het leven. De keuzes die je maakt als mens, de fases die je doorloopt. Zoals Shakespeare het beschrijft in As You Like It, de zeven rollen van de man: zuigeling, schooljoch, minnaar, soldaat, rechter, oude paai en opnieuw kind. De zoektocht van een renner naar roem en drie kussen. De zuigeling wordt schooljoch, wordt minnaar, wordt soldaat. Hij wint, hij verliest, hij kan het spotlicht niet weerstaan. All the world's a stage. Ze komen op en ze verdwijnen. Hoe wij anderen zien. Hoe wij renners zien. Een cast van waterdragers, meesterknechten en kopmannen. Als ministers en hun premier. Een astronaut die denkt aan de maan, een schilder aan de expo. Bij het opspelden van het nummer, de tactiek in de ploegbus, langs dikke rijen mensen, geschreeuw en handgeklap, sloeg het Scheldepeloton een weg in. Wij ook.

Er is veel alcohol aan te pas gekomen, om het gemoed te luchten. Even vaak werd hardop gelachen. Er doken verhalen op waarvan niemand het bestaan af wist. Eric, de vader van Wouter, kreeg het antwoord in handen op een vraag die hem jarenlang kwelde. Een vraag die hem terugbracht naar mei 2011 en de val van zijn zoon.

De protagonisten van dit verhaal hebben intussen een nieuwe trainingsgroep gevormd. Misschien speelde dit verhaal daar een rol in. De invulling is anders, maar de SVGG, de Sportvrienden van Gruut Gent, kent diezelfde lichtvoetigheid. Zo moeilijk te grijpen. Grote kleine kinderen die verblind door de zon langs de Schelde koersen en af en toe remmen. Meer dan vroeger. Het deed pijn, dat wel, maar de tijd heeft niet langer de kans herinneringen te wissen.

Matthias M.R. Declercq,De val, Manteau, 296 p., 22,50 euro.

Iljo Keisse (1982)

Hoofdrolspeler in een hallucinant dopingschandaal dat jarenlang aansleepte.

Dimitri De Fauw (1981-2009)

Stapte zelf uit het leven. Was drie jaar daarvoor betrokken bij een valpartij op de Gentse wielerpiste waarbij de Spanjaard Isaac Gálvez om het leven kwam.

Wouter Weylandt (1984-2011)

Kwam tijdens een afdaling in de Ronde van Italië hard ten val en stierf ter plekke.

Kurt Hovelijnck (1981)

Liep een schedelbreuk op tijdens een training in 2009, lag weken in een coma en is inmiddels gestopt met wielrennen.

Bert De Backer (1984)

Nog actief profrenner, komt uit voor Giant-Alpecin, waar hij onder meer de sprint aantrekt voor John Degenkolb.

Frederiek Nolf (1987-2009)

Stierf onverwacht in zijn slaap in Qatar, waar hij deelnam aan de Ronde van Qatar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden