Vrijdag 06/12/2019

De dolle Mol en de fatale spadensteek

De Dolle Mol is dicht. Drie decennia lang bood de Brusselse kroeg een warm onderkomen aan al wie zich links en anarchistisch noemde. Het begon toen provodichter Herman J. Claeys constateerde dat in zijn boekhandel meer pinten werden gedronken dan er boeken werden gelezen. Het eindigde toen de deurwaarder de sloten liet veranderen. Een reconstructie van een undergroundfenomeen.

Erik Raspoet

Een jaar of zestien was ik, en scholier in de Latijn-Griekse van het Sint-Pieterscollege in Jette. Ondanks de cultus van de hemelcipier bestonden er in Brussel strengere gevangenissen. De controle aan de schoolpoort was een lachertje, de middagpauze leek een zee van tijd, de stad strekte zich voor ons uit als een onbekend oerwoud. Als bleu uit de provincie liet ik me wat graag meetronen door grootsteedse leeftijdsgenoten, gasten die naar FM Brussel luisterden en die op hun canvaszak de A van anarchie tekenden. Als het meezat met de tram, waagden we ons helemaal tot in de Nieuwstraat. Junkfood eten in de City 2, platen monsteren in de Caroline. Het nec plus ultra van verboden plezier lag echter nog een stapje verder, in de Spoormakersstraat, vlak bij het Centraal Station. De Dolle Mol, zo had ik van mijn wereldwijze maten geleerd, dat was het 'zwaarste' café van Brussel. Over zo'n geslaagde escapade konden we 's namiddags in de les Grieks of esthetica eindeloos opscheppen bij de meisjes. Wij zijn in 't stad geweest. En we hebben pinten gepakt in den Dolle Mol.

Ik moet aan die spannende excursies terugdenken als ik maandagavond door de smalle Spoormakersstraat loop. Nog altijd is het een wat verloren steegje, een goed bewaard geheim op een steenworp van de Grote Markt. Om de hoek, op de Kaasmarkt, twijfelen toeristen tussen talloze pitabars, niet vermoedend dat het eten vaak uit een en dezelfde gaarkeuken komt. Zelden slaan ze de Spoormakersstraat in. Nochtans valt er wat te beleven. Hoe kort ook, de straat is gezegend met een boekenantiquariaat, een winkel van oude reclameaffiches en enkele hippe boetieks. Tot voor kort hoorde bij dat patrimonium dus ook het beruchtste undergroundcafé van Brussel. Veel valt er niet meer van te merken op het nummer 52. Een ijzeren rolluik hangt als een gordijn voor de smalle façade. Twee zelfklevers met antimilitaristische en libertaire leuzen kunnen het subversieve imago niet ophouden. Het is alweer twee weken geleden dat de Dolle Mol de fatale spadensteek incasseerde. Brouwerij en horecagigant Interbrew had zijn geduld verloren met de uitbater, de vzw Stichting Kunstbevordering. Deurwaarder en de verhuizers kwamen als dieven in de nacht. Alle meubilair en installaties werden meegenomen, de sloten werden veranderd. Toen de barman van dienst het café 's anderendaags wilde openen, stond hij voor een voldongen feit. Totaal verrast zal hij echter niet geweest zijn, want de uitdrijving zat er allang aan te komen. De boekhouding wemelde van de huurachterstallen en verwijlinteresten. Op papier bestond de vzw trouwens niet meer. In november vorig jaar sprak de Brusselse rechtbank van eerste aanleg de ontbinding uit, na een klacht van de RSZ, die van de exploitanten een slordige 45.000 euro vordert. Dat het nog zo lang heeft geduurd, dat is volgens veel waarnemers het echte mirakel. "De Mol", zo zal een van hen het formuleren, "dat was eigenlijk een kat met zeven levens. Helaas zijn alle zeven levens nu op."

Bij elk van die zeven levens was de provodichter en -activist Herman J. Claeys (67) intiem betrokken. Over zijn rol als stervensbegeleider zullen we kort zijn. In het organogram van de Dolle Mol bekleedde hij tot zeer onlangs de plaats van hoofdhuurder, ingeklemd tussen Interbrew en de vzw Stichting Kunstpromotie. Mogelijks staat hem nog een pijnlijk rouwproces te wachten, een proces dat misschien zelfs voor de rechtbank zal worden gevoerd. Om maar te zeggen dat over de vereffening van de schulden en de aansprakelijkheid voor de verkrotting van het pand het laatste woord nog niet is gesproken. Maar liever dan ons in dat juridische kluwen te verliezen, spoelen we samen de film terug naar het prille begin.

Het zijn de golden sixties, de Beatles hebben hun das afgelegd, in Vietnam vallen de bommen, de pil maakt de weg vrij naar de seksuele revolutie. De babyboomers zijn niet van plan braafjes in de voetsporen van de vorige generatie te lopen. Woorden als inspraak en contestatie vallen te hooi en te gras, vooral in Amsterdam, waar de provo's het establishment met vaak ludieke acties voor schut zetten. Het voorbeeld maakt school, ook in Brussel, waar gewezen leraar en literatuurfreak Herman J. Claeys zich geroepen voelt. Zijn actiemiddel heet de Free Press Bookshop, een intussen allang opgedoekte zaak die destijds op het nummer 18 van de Spoormakersstraat was gevestigd. "Het was pure underground", vertelt hij. "Ik importeerde uit Amsterdam, Londen en New York. In mijn winkel lagen boeken, tijdschriften en zelfs bootlegs die je nergens anders kon krijgen. Bevrijdingsbewegingen, pacifisme, vrouwenemancipatie, gelijkberechtiging van homo's, rekken vol had ik ervan. Er lagen boeken van Timoty O'Leary over drugs en publicaties van de Nederlandse Vereniging voor seksuele hervorming. Dat waren in die jaren gevaarlijke thema's. De zedenbrigade was bij mij kind aan huis, ze hebben een keer de hele winkel op zijn kop gezet om het boek Variaties in beslag te nemen. Het was daar trouwens een echte duiventil. Er stond een stencilmachine, die door alle mogelijke actiegroepen en comités werd gebruikt. Naar Nederlands voorbeeld drukten we het Rode Boekje voor Scholieren. Verboden door de overheid, maar progressieve leerkrachten kwamen het stiekem zelf kopen om aan hun leerlingen uit te delen. Er stonden altijd wel een paar bakken bier. Wie een pintje nam, gooide 5 frank in de kassa. Op de duur werd er meer gedronken dan in boeken gekeken. En zo ontstond het idee: als we nu eens een café zouden oprichten als verlengstuk van de Free Press Bookshop?"

Begin 1969 ging de Dolle Mol open. De door Claeys gekozen naam paste als gegoten. Dol zoals de dolle Mina's, mol vanwege het ondergrondse karakter, dat trouwens ook letterlijk te nemen viel. De Dolle Mol was in die beginjaren gevestigd in een keldergewelf aan de Kaasmarkt. Het was er donker en rokerig, uit de speakers klonk Woodstock en chanson, aan de toog stonden hippies en bloemenmeisjes. Die eerste periode is mythisch geworden, ook al vanwege het schone volk dat in de Subkulturele Kroeg en Popkelder Dolle Mol verblijf hield. Jeroen Brouwers en zijn boezemvijand Julien Weverbergh behoorden tot de allereerste stamgasten. Willem Frederik Hermans, Louis Paul Boon, Jotie T'Hooft en Paul Snoeck hebben er pinten gehesen. Er werden poëzieavonden georganiseerd, kleinkunstenaars als Walter De Buck, Willem Vermandere, Zjef Vanuytsel en Urbanus van Anus hebben er op het podium of aan de toog gestaan. C&A, creatief en alternatief, dat was de grootste gemene deler van het publiek.

"De Dolle Mol had in die tijd een duidelijk subversief imago", zegt de Brusselse dichter en klant van het eerste uur Frank De Crits. "Het was een broeihaard van provoagitatie. Ik herinner me nog een actie bij de release van Green Berets, een oorlogsfilm met John Wayne. Dat evenement werd door het Belgische leger aangegrepen om promotie te maken met een tank op het Brouckèreplein. Toevallig was een paar dagen eerder de zedenbrigade de Free Press Bookshop binnengevallen om beslag te leggen op een boek met een blote borst. Zo konden we twee vliegen in een klap slaan: protesteren tegen de censuur én het militarisme aan de kaak stellen. Herman Claeys is zelfs op die tank geklommen om ons vlugschrift te declameren. 'Tanks zijn zedenschendend, blote borsten niet', ik hoor het hem nog zo zeggen." Meer dan één broek heeft Frank De Crits er versleten. "Het was dan ook een inspirerende plek", zegt hij vergoelijkend. "Al wie met literatuur bezig was, kwam in de Dolle Mol langs. Na een vergadering bij Manteau was het altijd feest in de Mol. Julien Weverbergh, Jeroen Brouwers, Jan Emiel Daele, Daniël Robberechts en Herwig Leus, dat waaide als één klad binnen. Ook Nederlandse schrijvers wisten de Dolle Mol te vinden. Hans Plomp, Adriaan Venema en Simon Vinkenoog waren regelmatige bezoekers. Er werd heel wat afgediscussieerd en nog veel meer gedronken. Sommige nummers van tijdschriften als Mep, Daele, Revo en Totem werden daar, aan de toog, in elkaar gebokst. Hoe maffer, hoe liever we het hadden. Op een keer kwam Herman Claeys met zijn Penisgroet op de proppen. Ken je dat niet? Een satirisch stuk over twee deftige heren met hoge hoeden die elkaar bij wijze van groet de penis in plaats van de hand schudden. De flikken konden er niet mee lachen, de zedenbrigade is meteen binnengevallen om het in beslag te nemen."

Lang duurde het sprookje aan de Kaasmarkt niet. De kelderkroeg moest dicht, op bevel van de brandweer. Maar geen nood, in de Spoormakersstraat viel een café over te nemen: de Mustang, een als cowboysaloon aangeklede tent die vooral lesbiennes trok. De lijn van de Kaasmarkt werd moeiteloos doorgetrokken, de Dolle Mol bleef in de jaren zeventig en tachtig een spraakmakende kroeg die door politie en goegemeente met een scheef oog werd bekeken. "Het was een pleisterplaats voor al wat links en Vlaams was in Brussel", zegt Herman J. Claeys. "We boden een alternatief voor cafés zoals de Graaf van Egmont, Vlaamse gettohuizen die op een conservatief publiek teerden. Ook in de Dolle Mol konden Vlamingen zonder blozen hun moedertaal spreken. Maar wij hadden geen oogkleppen op, Franstaligen en buitenlanders werden even hartelijk verwelkomd. In de eerste plaats was de Dolle Mol een praatcafé waar de meest onwaarschijnlijke typen elkaar ontmoeten. Een punker in gesprek met een ambtenaar in maatpak, dat kon alleen in de Dolle Mol. Er werd veel over politiek gediscussieerd, maar nooit op een agressieve manier. Zelfs klein links begroef in de Dolle Mol zijn strijdbijl. Amadezen, trotskisten en KP'ers zaten bij ons samen pinten te drinken." In dat broeierige klimaat kwamen scholieren en studenten zich graag koesteren. De VUB, de film- en televisieschool Rits, het Sint-Lukas Instituut en het Conservatorium waren vaste leveranciers. "In het Sint Jan Bergmans College gold een streng verbod op het bezoeken van de Dolle Mol", zegt Herman J. Claeys. "Een betere reclame konden we ons niet dromen, de leerlingen van het Sint-Jan waren hier niet weg te slaan."

Voor een permanente aanvoer van idealisten en drinkebroers zorgde het vergaderlokaal op de eerste verdieping. Amnesty International hield er zijn eerste bijeenkomsten, de Vlaamse PEN-vereniging werd er gesticht, de Kongolese oppositiepartij UDPS beraamde er haar strategie. Onvergetelijke momenten? Herman J. Claeys neemt een lange trek van zijn zoveelste Camel en denkt diep na. Waarmee moet hij beginnen? Er zijn zovele gedenkwaardige momenten. De Nachten van de Poëzie werden in de Mol voortgezet, lang nadat Vorst-Nationaal was uitgestorven. Tijdens Vietnam-betogingen en rakettenmanifestaties bleef het café dag en nacht open. "Antimilitarisme en antifascisme waren voor ons geen loze slogans", zegt Claeys. "In de beginjaren hebben we zelfs nog Spaanse ballingen opgevangen. Die wilden allemaal zo snel mogelijk naar Nederland, want in België voelden ze zich niet veilig voor de Franco-dictatuur." Als hij toch met wapenfeiten mag uitpakken. De provodichter behoorde tot het selecte clubje staatsgevaarlijke lieden dat aan de vooravond van het staatsbezoek van de Amerikaanse president Nixon preventief in hechtenis werd genomen. En dan is er de Baader-Meinhof-connectie. Heeft Andreas Baader werkelijk in de Dolle Mol gestaan of behoort dat tot de rijke verzameling cafémythes? Feit is dat Andreas Baader in 1970 uit zijn Duitse cel wist te ontsnappen en naar Amsterdam kon ontkomen, waar hij onderdook in links-anarchistische kringen. Maar heeft hij vervolgens, op weg naar Parijs, een refuge gevonden in de Spoormakersstraat? Herman J. Claeys maakt het mysterie alleen maar groter. "Ik heb wel degelijk een telefoontje gekregen uit Amsterdam", zegt hij. "Mensen van provo die ik kende. Ze zaten opgescheept met Andreas Baader. En of wij konden helpen bij zijn vlucht naar Parijs? Ik ga hier niet vertellen wat ik daarop heb geantwoord, noch wat er nadien precies is gebeurd. Maar blijkbaar was de staatsveiligheid prima op de hoogte, want twee dagen na dat gesprek hebben ze me over de zaak-Baader ondervraagd."

Jan Bucquoy klinkt in eerste aanleg affirmatief. "Je weet toch dat Andreas Baader nog in de Dolle Mol is geweest", flapt hij eruit. Bij nader inzien, als ik hem vraag of hij daar zelf getuige van was, krabbelt hij terug. Nee, hij heeft het niet zelf gezien, maar wel vaak horen vertellen. Een gezaghebbende bron is hij wel waar het zijn eigen esbattementen in de Dolle Mol betreft. Jan Bucquoy behoorde lange tijd tot het meubilair, eerst als klant, vervolgens als creatief brein en meester-provocateur van de vzw Stichting Kunstbevordering. Hij maakte er zijn satirische blad Dol, dat uitpuilde van de vettige onderbroekenlol. In 1988 werd op de eerste verdieping zijn naakttentoonstelling over de koninklijke familie in beslag genomen. Vanuit de Dolle Mol ondernam hij zijn even roemruchtige als kortstondige poging om koning Boudewijn op de Grote Markt symbolisch te halsrechten. Anders dan de provocontestatie waren het louter ludieke acties die noch het establishment, noch de publieke opinie verontrustten, verzamelaars van met gekroonde hoofden getooide koekjesdozen daargelaten. Apenstreken achter de rug van de meester waren het, maar dan wel overgoten met veel bier en uitvergroot door de pers. "Ik heb me daar fantastisch geamuseerd", zegt Jan Bucquoy. "Er heerste een unieke sfeer. Volstrekt libertair, iedereen kon er zijn zegje doen. Het stampubliek was links tot extreem-links, maar dat belette niet dat je een lans kon breken voor een antisemiet als Louis-Ferdinand Céline. Het was ook een plek waar intelligente vrouwen zich op hun gemak voelden. Versieren in de Mol, dat deed je door ideeën te spuien. Mij kwam dat goed uit, want gitaar spelen heb ik nooit gekund. De Dolle Mol was ook populair bij scholieren van de Europese school. Voor die rijkeluiskinderen was het een rite de passage: als ze in de Mol zaten, hadden ze het gevoel dat ze tegen hun bourgeois afkomst rebelleerden. Langer dan een paar maanden duurde dat nooit, want op de keper beschouwd is zo'n bourgeois afkomst toch wel mooi meegenomen. Eigenlijk was het een café voor losers. Echte losers, want met een pose moest je bij ons niet aankomen. Daarom liet iemand als Arno zich nooit in de Mol zien. Die komedie van de getourmenteerde, berooide zanger met zijn ziel onder de arm, daar keken we los door, dat werkt alleen in de Archiduc."

Vijf jaar geleden heeft Bucquoy zich uit het café teruggetrokken. Hij had de bui zien hangen en de schuldenberg zien groeien. "Het water heeft vaak tot de lippen gestaan", zegt hij. "Maar op kritieke momenten stond er altijd wel een goede ziel op, een stamgast die een erfenis had gedaan en daarmee de huur of de telefoonrekening betaalde. Zo boerden we verder, maar de laatste jaren liepen de schulden uit de hand. In feite heeft de nieuwe RSZ-regeling voor de horeca het café de das omgedaan. Vroeger werkten barmannen in het zwart, tegenwoordig moet je ze inschrijven. Dat weegt te zwaar voor een klein café als de Mol. Bovendien is de concurrentie fors toegenomen. Vijftien jaar geleden vormde de Mol een minicircuit met de Kafka, het Rijk der Zinnen en de Archiduc. Nu speelt het nachtleven zich op het Sint-Goriksplein af, daar stap je van de ene kroeg in de andere."

Danny Vandermeersch, beter bekend als Billy, hoef je het allemaal niet te vertellen. Hij is de man die de voorbije dertien jaar op de winkel heeft gepast, de man ook die twee weken geleden vruchteloos probeerde de deur van zijn eigen café te openen. Huurachterstallen? Hij zal ze niet ontkennen. Maar willen we ook even bij de oorzaak van de betaalstaking stilstaan? De doorgezakte plafonds, de champignons op de muren, de kakkerlakken, de verstopte riolering die om de haverklap de urinoirs deed overstromen en de steeds schaarser wordende bezoekers deed wegvluchten. Dossiers vol brieven over de lamentabele huisvesting heeft hij geschreven. Aan hoofdhuurder Herman J. Claeys, aan opperhoofdhuurder Interbrew, altijd in de vage hoop dat de bede tot bij de schimmige eigenaar van het uitgeleefde pand zou geraken. "Maar met onderhurende exploitanten houden ze geen rekening", zegt hij bitter. "Bij Interbrew werd het zelfs letterlijk gezegd: juridisch kennen we jou niet eens. Dat is wel kras, als je bedenkt dat Interbrew hier wekelijks bier kwam leveren. Ach, voor mij is het zo klaar als een klontje. Ze zonnen allang op een kans om ons eruit te zetten. Dan kunnen ze een nieuwe exploitant zoeken, met een zwaarder contract."

Een hoofdstuk apart vormen de barkeepers, en heus niet alleen omdat Marc Didden er een tijdlang de tapkraan heeft bediend. De Dolle Mol deed aan sociale tewerkstelling. Losgeslagen jongeren, gesjeesde studenten, met een gelukje konden ze er aan de slag. Regelmatig verliet een van die barmannen of -vrouwen de Spoormakersstraat om een eigen café te stichten. De Kafka, het Rijk der Zinnen en de Monk werden door oudgedienden opgericht, andere beruchte kroegen zoals het Vermoeden en de Windows leenden elan en publiek om van de grond te komen. In dat hoofdstuk verdient Atlantis een forse paragraaf. Zestien jaar lang hield hij er een duobaan op na, hij tapte afwisselend in de Dolle Mol en de Kafka. Op deze winderige maandagavond tref ik hem achter de toog van de Dada, zijn eigen kroeg aan de Wolvengracht. Wie al eens in Brussel gaat stappen, kent ongetwijfeld deze even sympathieke als imposante kruising tussen Walter Van Beirendonck en Mister Proper. De Dolle Mol is hem een dierbare herinnering die hij niet zomaar laat besmeuren, zoals nochtans gebeurde in sommige krantenartikels die de smerigheid van het café dik in de verf zetten. Dat de zeik letterlijk door het plafond in de bierglazen druppelde, dat bijvoorbeeld pikt hij niet. "Eén keer is dat gebeurd", windt hij zich op. "Per ongeluk, toen de wc's verstopt waren. En daar maken ze direct een urban legend van. Dat er in de Mol elke dag met javel werd geschrobd, dat lees je nergens." Zijn omschrijving van het undergroundcafé? "De Dolle Mol", zegt hij, "dat was pure punk. Niet dat gedoe met hanenkammen of gescheurde jeansbroeken. Met punk bedoel ik hier de totale vrijheid om jezelf te zijn. Voor kapsones was er geen plaats. Dichters, buskers of mannen van de RTT, iedereen werd gelijk behandeld. Dat zorgde wel eens voor misverstanden. Zo kregen we het eens na een UDPS-vergadering aan de stok met een Kongolees die een pint kwam bestellen. Hij nam het niet dat we hem tutoyeerden, we moesten monsieur zeggen. Waarop wij met zijn allen 'tututututu' riepen. Zo was de Dolle Mol."

Freddi Smekens knikt instemmend, het zou een mirakel zijn mocht hij de kwestieuze scène niet zelf hebben meegemaakt. Zoals hij daar nu in de Dada zit, gedrapeerd over een barkruk, in een natuurlijke symbiose met de toog, zo heeft hij uren en dagen in de Dolle Mol gesleten. De Brusselse dichter en journalist gaat er prat op dat hij de allereerste klant van de Subkulturele Kroeg en Popkelder was. Hij heeft er staan ouwehoeren met zijn vriend Willem Frederik Hermans, na een concert in de Ancienne Belgique kwam hij er met Tom Waits binnenvallen.

De voorbije jaren was hij de vaste inleider op de maandagavonden van de poëzie, een laatste stuiptrekking van creativiteit. Marcel Van Maele, Geert van Istendael, Roger De Neef, ze hebben er allemaal voorgelezen, de laatste in de rij was Benno Barnard. Magische momenten waren het. De koelkasten werden stilgelegd om de expressie niet te hinderen, meer dan eens begonnen toeschouwers na de voordracht spontaan uit eigen huiswerk te reciteren. Als allereerste klant krijgt Freddi Smekens hier het allerlaatste woord. "Een mooi café", zegt hij, "kan nooit mooi eindigen."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234