Donderdag 24/09/2020

De dierentuin, een schitterend bedrog

Wetenschappers publiceren resem boeiende publicaties over de plek waar de stad pretendeert wildernis te zijn

Meer dan twee eeuwen na de uitvinding ervan blijft de dierentuin een immens populaire attractie. Bij kinderen uiteraard, maar sinds kort ook bij wetenschappers. Terwijl historici en antropologen zich het hoofd breken over een van de merkwaardigste stedelijke instellingen, reisde David Van Reybrouck met de trein van Parijs naar Istanbul. Onderweg stopte hij bij elke kooi.

David Van Reybrouck

Vrijdagnamiddag, Jardin des Plantes, Parijs

De zoo is de plek waar de stad zichzelf verraadt, waar ze haar stedelijkheid probeert te ontkennen en pretendeert wildernis te zijn. Tevergeefs uiteraard. Want tussen de zorgvuldig geënsceneerde bosschages, de schijnbaar argeloos kronkelende paadjes en de bestudeerd authentieke gebouwtjes dringt de grootstad toch door. Auto's die claxonneren op de omliggende boulevards, flatgebouwen die boven de vegetatie uitsteken, een lucht die behangen is met repen lijnvliegtuig... In de zoo is de leugen zo manifest dat ze aandoenlijk wordt. Zelfs wetenschappers blijven er niet ongevoelig voor.

De afgelopen jaren heeft een aantal historici, sociologen en antropologen zich verwonderd over de dierentuin, dat bizarre fenomeen dat zowel stedelijk als natuurlijk is, zowel negentiende-eeuws als springlevend, zowel educatief als onderhoudend. Het gevolg is een resem boeiende publicaties over dierentuinen die zich niet beperken tot een of ander eng vakgebiedje. Los van elkaar verschenen onlangs, in het Engels, Frans en Duits, een lijvige, driedelige encyclopedie over dierentuinen, een schitterende geschiedenis over het zoofenomeen in het Westen, een baanbrekende antropologische studie over mens-dierverhouding in de zoo en nog een aantal monografieën over specifieke dierentuinen in Europa. Fascinerende lectuur, absoluut, ook al kan het niet tippen aan the real thing zelf.

Het is bloedheet als ik aan het houten loketje van de Ménagerie du Jardin des Plantes een toegangsbewijsje koop. Ik sta omgeven door joelende kinderen, maar de afgelopen jaren ben ik er immuun voor geworden. Dat moest ook wel, want als man van weerbare leeftijd zonder kinderen ben je een zeldzaamheid in de zoo. Of een onderzoeker. Ik heb me voorgenomen om met de trein naar Istanbul te reizen en onderweg alle oude dierentuinen te bezoeken die nog bestaan. Mijn startpunt is uiteraard Parijs: ten eerste omdat destijds van hieruit de Orient Express naar Istanbul vertrok (toen nog Constantinopel), ten tweede omdat Parijs de oudste dierentuin, in de strikte zin van het woord, bezit. Na de Franse Revolutie zocht men een nieuwe bestemming voor de koninklijke diergaarde van Versailles, de privé-verzameling wilde dieren waar Lodewijk XIV al mee begonnen was. Verscheidene wetenschappers bepleitten dat het in plaats van de dieren af te slachten (de volkswoede richtte zich niet alleen op de Bastille) misschien zinvoller zou zijn om ze tentoon te stellen in het hartje van Parijs. Elke citoyen zou zo zijn zoölogische kennis wat kunnen bijspijkeren en onderzoekers als Lamarck en Cuvier konden er eveneens hun voordeel mee doen. Het resultaat van die verstandige beslissing uit 1793 valt vandaag nog altijd zeer te genieten, zelfs met hele volksstammen krijsende koters om je heen.

Vergeleken met andere dierentuinen in Europa is de Parijse ménagerie behoorlijk klein. Maar met haar bochtige paadjes, bewuste reliëfverschillen en subtiele doorkijkjes werd ze wel een model voor de rest van Europa. Wat een contrast met het 'recht, vlak en ver' van de rest van de Jardin des Plantes! De ménagerie lapte de klassieke, Franse landschapsarchitectuur aan haar laars en sloot aan bij de principes van de romantische, Engelse tuin. Wilde dieren vroegen om wilde parken. De exotische illusie was begonnen.

Vrijdagnacht, ergens in Duitsland

De nachttrein dendert door het avondland. Alle raampjes staan open, de hitte van overdag is in de nauwe couchettes blijven hangen. Toen ik daarnet in de Gare de l'Est naar het perron stapte waar de slaaptrein naar München klaarstond, viel mijn oog op een bronzen plaatje op de vloer van de inkomhal. 1849, stond er, inwijding van de lijn Parijs-Straatsburg. Die datum viel midden in de eerste expansie van het spoorwegennet op het Europese vasteland, zo tussen 1835 en 1865. Dat was precies de periode waarin de meeste Europese steden hun dierentuin kregen. Wat in Parijs kon, moest elders ook kunnen, het liefst nog beter. In Londen kon men vanaf 1828 wilde dieren gaan bekijken, in Dublin vanaf 1832. Amsterdam (1838), Antwerpen (1843), Berlijn (1844), Kopenhagen (1859) en Moskou (1864) volgden. Het bleef niet beperkt tot de hoofdsteden. Belangrijke haven- en industriesteden als Rotterdam, Hamburg, Frankfurt, Dresden, Marseille en Lyon werden in die periode verrijkt met een dierentuin. In België werden in minder dan twintig jaar tijd maar liefst vier dierentuinen opgericht: na Antwerpen waren dat de ondertussen ter ziele gegane parken in Brussel, Gent en Luik. De ontwikkeling van de Europese dierentuin ging hand in hand met de uitbouw van het spoorwegennet. Potentiële zoobouwers konden in andere steden gaan kijken hoe het moest, en exotische dieren die via de zeehavens Europa bereikten, konden voortaan snel en veilig verspoord worden naar het binnenland.

Bovendien is het opvallend hoe vaak de dierentuin zich bevond in de dichte nabijheid van het station. In Antwerpen plakt de Zoo nog steeds tegen het spoor, in Gent en Brussel lagen de dierentuinen op een boogscheut van respectievelijk het Zuid- en het Leopoldstation, in Berlijn heet het hoofdstation zelfs ronduit Bahnhof Zoologischer Garten. Die nabijheid valt gemakkelijk te verklaren: zoo en station moesten op hetzelfde moment aangelegd worden, bij voorkeur zo dicht mogelijk bij het stadscentrum, maar zonder al te veel onteigeningen. Vandaar dat ze vaak aan de rand van de toenmalige stadskernen verrezen.

Maar die nabijheid moet ook een symbolische consequentie gehad hebben. Hoe verschillend ze ook waren, in de negentiende-eeuwse stad openden de dierentuin en het station op hun manier een poort naar een onbekende wereld. Spoor en zoo brachten de buitenwereld binnen: het platteland, andere steden, verre oorden, ongekende kusten. En beide deden ze dat op een uiterst ordentelijke manier, hetzij door vaste reistijden die de tijd indeelden, hetzij door keurige kooien die de natuur categoriseerden. Tot voor de komst van de spoorweg was de tijd onnauwkeurig en lokaal. Tot voor de komst van de dierentuin was de exotische natuur wild en veraf. Maar nu werd het onbekende hapklaar aangeleverd, het ongetemde werd zo veel mogelijk beheerst. Het is moeilijk om de beleving van een negentiende-eeuwse stedeling te begrijpen, maar eenieder die geboren werd na 1820 heeft in zijn leven meegemaakt hoe in een paar decennia tijd de stad openbrak en de buitenwereld binnenhaalde. Zoo en station waren doorgeefluiken waar het verlangen naar verte ontstond.

Zaterdagnamiddag, Hellabrunn, München

In München wou het maar niet lukken. Tot drie keer toe probeerde men er een zoo te stichten, maar telkens ontbrak het aan geld, wilskracht of beide samen. Bijna alle oude dierentuinen werden opgericht door sociëteiten van burgers die de steun van de lokale overheid (vaak in de vorm van een lap grond) genoten. München mocht dan al de derde stad van Duitsland zijn, men kreeg de neuzen nooit in dezelfde richting. Nochtans loop ik nu rond in het Tierpark Hellabrunn, even buiten München gelegen. Het is een van de beste dierentuinen in Duitsland, maar hij werd pas in 1911 geopend. Ook al kronkelen de paadjes lustig, ook al is de vegetatie asymmetrisch, ook al lijkt hij op een forse Engelse tuin, het verschil met Parijs is enorm: met zijn 35 hectare is de zoo van München maar liefst zeven keer zo groot als die van Parijs. Bovendien zijn de dieren niet onderverdeeld per familie (katachtigen bij katachtigen, reptielen bij reptielen) maar per regio: elk continent heeft er zijn eigen Parkteil. Systematiek ruimde plaats voor ecologie.

Toch ben ik met stomheid geslagen als ik tussen Parkteil Australien en Parkteil Afrika me plotseling reeds in Istanbul bevind. Het oude Byzantium mag dan al op twee verschillende continenten liggen, als ik het me goed herinner waren dat toch niet Australië en Afrika. Nochtans is het onmiskenbaar: voor mij doemt zowaar het silhouet van de Aya Sofia op. De gigantische platte koepel, de uivormige bogen, de papyruskapittelen, de ronde bijgebouwtjes, het lijkt allemaal afgekeken van de Byzantijnse kerk die later moskee en nog later museum werd.

Bij nader inzien blijk ik me echter nog altijd in Beieren te bevinden, Zuid-Duitsland, op een paar dagreizen van Istanbul vandaan. Binnen in het gebouw tref ik geen knielende moslims of slenterende toeristen aan, maar vier rustig kauwende olifanten. In München steht, naast het Hofbrauhaus, ook ein Dickhäuterhaus. En omdat Centraal-Europa eveneens met een hittegolf kampt, zijn ze net getrakteerd op watermeloenen. Drie voor elk. Eén olifant werkt ze integraal naar binnen, als waren het druifjes.

In het verzorgde geschiedenisboek dat ik pas in de zooshop heb gekocht, lees ik dat het olifantenpaviljoen uit 1914 dateert en het oudst bewaard gebleven gebouw van de dierentuin is. De architectuur is sober, de decoratie is spaarzaam, maar de oosterse toets is onmiskenbaar. Het stemt me bijzonder tevreden, dit geografische anachronisme. Ik ben niet zomaar op zoek naar oude dierentuinen in het tracé van de Orient Express. Ik ben vooral op zoek naar oriëntaalse motieven in de architectuur van de kooien.

Toen in 1883 de Orient Express, het geesteskind van de Belgische ondernemer Georges Nagelmaeckers, een vaste dienst tussen Parijs en Istanbul werd, was dat niet het begin van een fascinatie met het Oosten, maar ergens het einde van een droom. Constantinopel was niet langer een verre illusie, maar een bereikbare werkelijkheid geworden. Gedurende de hele negentiende eeuw was in onze contreien het Oosten omgeven geweest met een waas van mysterie. De sublieme architectuur van moskeeën en paleizen, de verfijnde levensstijl van sultans en kaliefen, de subtiele erotiek van hamam en harem, in het puriteinse Westen raakte men aangetrokken tot die mengeling van schittering en decadentie. Zoals een sluier nieuwsgierig maakt naar het ware gelaat van een vrouw, zo wekte de flou van het Oosten een intense fascinatie op in West-Europa. Reeds vroeg in de eeuw had Napoleons expeditie langs de oevers van de Nijl een ware egyptomanie op gang gebracht. Later ontdekten schrijvers als Washington Irving en Pierre Loti de pracht van het vervallen Alhambra en het oude Constantinopel. Voortaan zou het Oosten een belangrijke plek innemen in de verbeelding van het Westen.

Zelfs dierentuinen ontsnapten niet aan het oriëntalisme. In Parijs was me al opgevallen hoe een van de oudste paviljoenen rechtstreeks geïnspireerd leek op een Byzantijns kerkje uit Ravenna. In Antwerpen is er uiteraard de Egyptische tempel uit 1856, een gebouw dat nadien in Berlijn werd gekopieerd. In Stuttgart werd de moderne zoo gebouwd rondom een negentiende-eeuws lusthof dat helemaal van het Alhambra was afgekeken. En hier in München sta ik dus voor een art-deco-uitgave van de Aya Sofia. De zoo, het spoor en het Oosten, ik vermoed er een driehoeksverhouding vol verlangen in.

Maandagmiddag, Tiergarten Schönbrunn, Wenen

Oriëntaalse architectuur? In Wenen heeft men er allemaal weinig last van. Schönbrunn is zo achttiende-eeuws als maar kan, toen de hang naar het Oosten nog niet begon te jeuken. Was Parijs de eerste echte publieke zoo, dan is Schönbrunn de oudste nog bestaande verzameling dieren ter wereld. Dit jaar vieren ze hun tweehonderdvijftigste verjaardag. In 1752 liet Frans Stephan van Lotharingen, echtgenoot van keizerin Maria Theresia, vlak bij het slot Schönbrunn een keizerlijke diergaarde aanleggen. Pas later zou ze opengesteld worden voor het publiek. Schönbrunn was rechtstreeks geïnspireerd op Versailles. Hier werd de Verlichting vormgegeven in symmetrie en overzichtelijkheid. Met haar radiaal grondplan, centraal paviljoen, kaarsrechte paden en laatbarokke gebouwen is dit vandaag het grootste buitenbeentje van alle Europese dierentuinen. Sinds kort staat het - terecht - op de Werelderfgoedlijst van het Unesco.

Toch waren de negentiende-eeuwse Oostenrijkers niet ongevoelig voor exotisme. In een prachtige jubileumbundel, verschenen als catalogus bij de gelegenheidstentoonstelling in het Weense natuurhistorische museum, lees ik hoe oriëntalisme net zozeer op dieren als op gebouwen kon slaan. Toen in 1828 de eerste giraf in de dierentuin arriveerde, brak in Wenen een ware giraffomanie los. Kleding, juwelen en gebruiksvoorwerpen werden onmiddellijk gedecoreerd à la giraffe. Maar omdat het ongelukkige beest tijdens de reis aan een van de poten verwond was, staat op al die snuifdozen, poederbussen en juwelenkoffers een kreupel dier afgebeeld. Er kwam zelfs een toneelstuk, een muziekstuk en een dansstuk over de giraf. Bij dat laatste moest men huppelend trekkepoten.

Honderd jaar later was het gedaan met dat frivole gesmacht naar het uitheemse. De toenmalige zoodirecteur Otto Antonius was een heftige voorstander van de Anschluss, lid van de NSDAP en vond dat de dierentuin zich meer moest inzetten om inheemse fauna te tonen. Samen met de gebroeders Heck, directeurs in München en Berlijn, zette hij zich aan fokprogramma's om uitgestorven Centraal-Europese diersoorten als de oeros, de wisent (Europese bizon) en de tarpan (het woudpaard) opnieuw te kweken. Het was een soort rassenpolitiek voor hoefdieren. Natuurbescherming zit nu vooral in de links-progressieve hoek, maar in de jaren dertig was het een onderdeel van Blut und Boden-ideologie. Een onschuldige instelling als de dierentuin werd daardoor een subtiel middel tot propaganda. Vandaar ook dat de directeur onverwijld zelfmoord pleegde toen op het eind van de oorlog een deel van de zoo gebombardeerd werd.

Keizers en collecties, burgers en giraffen, nazi's en oerossen, in Wenen wordt me duidelijk dat de zoo geen kinderspel is. De zoo is meer dan een plaats van ontspanning, het is een plek beladen met politiek, ideologie en macht. Daarom ben ik zo benieuwd geworden naar de dierentuin van Budapest. Van 1526 tot 1699 leefde Hongarije namelijk onder het juk van het Ottomaanse Rijk. Zou er daar, in die meest westelijke uitpost van het Turkse rijk, ook nog een hang naar het Oosten te bespeuren zijn?

Dinsdagnamiddag, Állat-és Növénykert, Budapest

De zoo van Budapest lijkt volmaakt. Hij opende in 1866, ligt aan de rand van de toenmalige stad en zit keurig geklemd tussen de twee spoorlijnen die naar het Nyugati- en Keleti-station leiden. Maar als ik er rondwandel, valt me meteen op dat hier een totaal andere bouwstijl overheerst: geen oriëntaalse optrekjes, maar een soort plattelandsarchitectuur van houten boerderijen, stallingen en zelfs een kerkje. Op een paar zeldzame bordjes in het Engels lees ik dat de zoo tussen 1909 en 1912 grondig werd heringericht. Twee architecten, Károly Kós en Dezsö Zrumeczky, wisten zich gestimuleerd door de Finse romantiek en haalden hun inspiratie uit traditionele volksarchitectuur van het Hongaarse platteland. Die nationale bouwstijl zegevierde over de exotische architectuur. Het resultaat is nogal bizar, alsof je in Bokrijk apen zou gaan bekijken.

Hoewel, kennelijk betreft het dan toch over een verrassend multicultureel Bokrijk. Geheel onverwachts stoot ik tegen het eind van mijn bezoek op een sierlijke moskee. Sinds München weet ik wel beter: ook hier dient het bedehuis om olifanten in onder te brengen. Hoewel in de negentiende eeuw giraffen en olifanten nooit van nature in het Ottomaanse Rijk of aan de oevers van de Nijl voorkwamen, werden ze toch steevast in Arabische moskeeën of Egyptische tempeltjes ondergebracht. Die associatie is een product van de westerse verbeelding en geeft prachtig aan hoe de oosterse droom vooral een stukje Europees knip- en plakwerk was.

De geschiedenis van het Hongaarse olifantenhuis is een van de merkwaardigste verhalen uit de zoo-architectuur van Europa. Het werd in 1912 ontworpen door Kornél Neuschloss, hoogleraar architectuur in Budapest, die zich niet zo aangesproken voelde door al die boerderijtjes en schuurtjes. Zijn ontwerp was dus een regelrechte kopie van een islamitisch gebedshuis, inclusief fraaie koepels, turkooizen tegels, hoefijzerbogen, gelobde gewelven en zelfs een volmaakte minaret. Dat laatste was echter niet naar de zin van Turkije, dat protesteerde tegen het gebruik van een moslimsymbool in wat, alles bij elkaar, toch gewoon een stal was. Alsof wij, Europeanen, het zo prettig zouden vinden om in de Arabische wereld struisvogels en nijlpaarden gehuisvest te zien in Romaanse kerkjes of Gotische kapelletjes. Voor de lieve vrede werd de minaret dan maar afgebroken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leed de zoo zware schade, precies omdat hij zo strategisch bij het spoor lag. De 'moskee' bleef echter gespaard en omdat het het enige gebouw was waarin de verwarming werkte, werden alle levende dieren er na de oorlog tijdelijk in ondergebracht. In 1997 werd het pand vakkundig gerestaureerd en zelfs de minaret verrees weer, ditmaal zonder een storm van protest. In 2000 werd de restauratie zelfs beloond met een Europa Nostra Award. Nu staan er opnieuw olifanten.

Donderdagmorgen, Gradina Zoologica, Boekarest

Als ik de zoo van Boekarest binnenstap, begin ik te vermoeden dat het Oosten in werkelijkheid in het Westen ligt. Niks geen oriëntalisme hier. De zoo ligt op drie kwartier met de bus van het station verwijderd en werd pas in 1959 geopend. De kooien zijn recht, kaal en fantasieloos, als was de zoo een echo van het stalinistische stadscentrum waar ik zo moedeloos van werd. Het nuchtere functionalisme moest destijds ongetwijfeld aangeven dat men in staat was mens en dier in een industrieel tijdperk fatsoenlijk onder te brengen, maar vandaag de dag word ik toch wat wee van dat roestige modernisme.

Maar naarmate ik langer rondloop in de Gradina Zoologica Bucuresti besef ik dat dit ergens ook de meest negentiende-eeuwse dierentuin is die ik op mijn reis totnogtoe ben tegengekomen. Ten eerste omdat de oppervlakte al even benepen is als in Parijs, ten tweede omdat men er zoveel mogelijk dieren heeft proberen in onder te brengen: maar liefst duizend dieren op 6 hectare. Terwijl moderne dierentuinen allang het verlangen hebben opgegeven om zoveel mogelijk dieren te tonen, streeft men hier nog altijd naar een maximaal aantal soorten en variëteiten bij elkaar, waarvan bij voorkeur één exemplaar per hokje wordt getoond. En dus zit er naast de troosteloze bruine beer een troosteloze brilbeer en naast de troosteloze brilbeer een troosteloze grizzlybeer. Sociale groepen, ruimere kooien, ecologische in plaats van taxonomische indeling, in het post-Ceaucescu-tijdperk is men er nog niet aan toegekomen. En toch heb ik in geen enkele zoo zoveel bouwactiviteit gezien als hier in Boekarest, zoveel verbetenheid om er met de beperkte middelen toch iets van te maken. Het aantal bouwvakkers is niet te tellen, maar het zijn er zeker meer dan wat er aan bezoekers rondloopt. Duizend dieren moet je verdienen, elke dag.

Maandagmiddag, Gulhani Park, Istanbul

Na nog een dag en een nacht sporen, na urenlange grenscontroles in Roemenië, Bulgarije en Turkije, na vliegende douanes die me droogjes vragen of ik misschien een vuurwapen bij me heb, na een Turkse grenswachter die me 's nachts om drie uur in zijn loketje wakker krijgt door met een Limburgs accent te zeggen dat hij nog in Zolder gewerkt heeft, rijdt de trein eindelijk de buitenwijken van Istanbul binnen. Het spoor volgt de kustlijn van het Thracische schiereiland, omcirkelt de hele stad en houdt uiteindelijk halt in Sirkeci, het terminusstation in het hartje van de oude stad. Hier stapten de passagiers van de Orient Express uit om hun droom met eigen ogen te zien. De oude inkomhal is nog bewaard, maar ligt er wat verweesd bij sinds Atatürk voor een modernistisch alternatief zorgde.

Volgens mijn documentatie zou de zoo van Istanbul uit het eind van de negentiende eeuw moeten stammen, maar geen enkele bron was er eensluidend over. Een stadsgids uit de vroege jaren zeventig had de dierentuin toen al als 'beroerd' omschreven. En nu merk ik dat men mij, als ik naar de zoo vraag, telkens 40 kilometer buiten de stad wil sturen, ergens aan de Aziatische kant van het land. Een prachtige zoo, luidt het dan, gloednieuw, spectaculair van opzet. Op dergelijke momenten kost het enige moeite om duidelijk te maken dat ik eigenlijk op zoek ben naar de oude dierentuin, ja, ook al is die miserabel. Een vriendelijke Turkse man heeft me uiteindelijk begrepen. "De oude zoo", zegt hij, "ligt vlak bij het station, in het Gulhani-park, tegenover het Topkapi-paleis en de Aya Sofia." Spoorwegen, denk ik dan, stadscentrum, oosterse toparchitectuur, de zoo ligt er verdomme midden in! "Alleen zijn er verbouwingswerken aan de gang, ik weet niet of je er nog in kunt."

Zou de zoo ook hier oriëntaals zijn? Kan een stad naar zichzelf verlangen? Welke verte zou hier gesuggereerd worden? Het zijn vragen die ik me stel als ik te voet langs de ringweg van Istanbul loop. De hoofdingang is vanwege de renovatie inderdaad hermetisch dichtgetimmerd, de oude paleismuren gunnen niet eens een inkijkje. Maar volgens mijn stadsplan moet er nog een tweede ingang zijn. Ik moet er een half uur voor omlopen langs de drukke ringweg, maar vind de plek gemakkelijk. Alleen hebben ze er een parkwachter neergezet die niet te vermurwen is. Dat ik speciaal met de trein uit België gekomen ben om de beroemde zoo van Istanbul te zien. Hij lijkt niet onder de indruk. Dat ik onderzoek doe naar historische dierentuinarchitectuur. Hij knabbelt aan een zonnebloempitje. Dat ik alleen maar een paar foto's wil maken. Hij spuugt het pitje uit.

Ik loop terug naar de oude stad, volg de oude paleismuren. Van de hoofdstraat naar een zijstraat, en van een zijstraat naar een doodlopende straat. Op het einde blijkt er een doorgang te zijn, een verlaten stadspoort. Ik glip binnen. Er is een militaire controlepost, maar die is onbemand. In een lokaaltje hoor ik mannenstemmen. Er staat een metershoog hek met prikkeldraad, de doorgang is alleen bestemd voor het werfverkeer. Maar het hek is tegen een vervallen huis gebouwd en het huis loopt in het park over. Ik ga het huis binnen, klim over een afgebrokkelde muur, struikel over puin en ga langs de andere deur naar buiten: ik sta in het park. Zo achteloos mogelijk wandel ik naar de plek waar de oude zoo moet geweest zijn. Als een bouwvakker me ziet, knik ik vriendelijk en vastberaden. Mijn fototoestel haal ik niet uit. Tot mijn spijt hoeft het ook niet. Tralies, kooien, paviljoenen, poelen en nachtverblijven, er is niets meer van over. Dan klinkt een fluitsignaal en laat ik me gewillig naar buiten leiden.

Als ik weer buiten de toegangspoort sta, valt me op hoe ook hier niets overschiet van de zoo. Geen standjes met postkaartjes, zakjes graan of plastic griezels. Maar een eindje verderop staat een oude man met een stootkarretje. Er zitten vier duiven, twee albinokonijnen en een haan op. Het is het enige wat nog herinnert aan de oude dierentuin. Een miljoen lira, staat er geschreven, dat is nog geen 70 eurocent. Voor een toekomstvoorspelling door een stuk historisch erfgoed lijkt me dat zeer schappelijk. Ik geef de man het bankbiljet en wijs naar het grootste konijn. De man houdt een plank voor het dier, het grist er meteen een briefje uit.

Het konijn moet geweten hebben dat mijn Turks zeer matig was, want in het Engels staat te lezen dat ik mijn beste vriend om advies moet vragen. "You might need some understanding friends", staat erbij. Inderdaad, denk ik, een waarheid als een koe, maar er is iets van aan. Na een week tussen lamlendige beesten en lawaaierige belhamels heb ik wel weer eens behoefte aan een goed gesprek.

Catharine E. Bell (red.) Encyclopedia of the World's Zoos

Fitzroy Dearborn, Chicago-London, 3 dln, 1577 p., 190 dollar.

Éric Baratay & Élisabeth Hardouin-Fugier Zoos: histoire des jardins zoologiques en occident (XVIe -XXe siècle)

La découverte, Paris, 295 p., 20.29 euro (ook in het Duits en Engels).

Bob Mullan & Garry Marvin Zoo Culture

University of Illinois Press, Urbana-Chicago, 172 p., 22.01 euro.

Michael Kamp & Helmut Zedelmaier (red.) Nilpferde an der Isar: Eine Geschichte des Tierparks Hellabrunn in München

Buchendorfer Verlag, München, 296 p., 19.50 euro.

Mitchell G. Ash & Lothar Dittrich Menagerie des Kaisers - Zoo der Wiener: Menschen und Tiere im ältesten Zoo der Welt

Pichler Verlag, Wenen, 480 p., 34.90 euro.

'Spoor en zoo brachten de buitenwereld binnen. Tot voor de komst van de spoorweg was de tijd onnauwkeurig en lokaal. Tot voor de komst van de dierentuin was de exotische natuur wild en veraf. Maar nu werd het onbekende hapklaar aangeleverd'

'In Wenen wordt me duidelijk dat de dierentuin geen kinderspel is. Het is meer dan een plaats van ontspanning, het is een plek beladen met politiek, ideologie en macht'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234