Vrijdag 06/12/2019

De derde weg

'Edegem. De Mechelsesteenweg wordt hier geflankeerd door een bonte rij villa's. Zou het kunnen dat de rijke Antwerpenaren tengevolge van de beurscrash in '33 behalve veel geld ook hun gevoel voor esthetiek zijn kwijtgespeeld?'

Van Antwerpen naar Brussel via de N1

Hoe rijd je van Antwerpen naar Brussel? De kwestie verdeelt de Scheldestad al een twintigtal jaar in twee kampen. De discussie tussen A12- en E19-rijders zal wellicht niet eindigen voordat de beide verkeersaders volledig zijn dichtgeslibd, en de charmes van de N1 worden herontdekt. Minstens twee eeuwen lang was deze steenweg de enige verbinding tussen de twee grootste steden van ons land. Zijn gloriedagen zijn voorbij, maar nog steeds biedt de nummer één der vaderlandse rijkswegen de reiziger meer dan het hart begeren kan.

Wij reizen om te leren. Eén dag voor mijn fietstocht naar Brussel zoek ik op een dertig jaar oud stadsplan het eindpunt van rijksweg nummer één, mijn vertrekpunt. Eigenlijk had ik het ook zonder kaart kunnen weten. De N1 eindigt waar 'het echte leven' voor mij begon: op het Mechelse Plein. Hier werd ik voor de eerste keer zat, hier kuste ik mijn eerste meisje. Ik trek me op gang.

Op de Mechelsesteenweg in Antwerpen is het niet zo lekker fietsen, en met de auto raak je er niet eens door. Tram 7 is op dit stuk van de N1 al sinds mensenheugenis koning.

In 1872 trok een span paarden de tram voor de eerste keer over deze steenweg. Toen maakte hij nog rechtsomkeert onder de Mechelse Poort, een inmiddels afgebroken ark die vlakbij de kerk van Berchem stond. Vanaf 1923 waagde tram 7 zich ook extra muros, dwars door bos en veld, tot aan het Gemeenteplein in Mortsel.

Terwijl ik over de Antwerpse ring koers, moet ik denken aan een anekdote van wijlen mijn overgrootvader. Na zijn huwelijk in 1910 koesterde hij het plan om zich, in navolging van enkele andere rijke Antwerpse ondernemers, buiten de stadswallen te vestigen. Zijn moeder raadde hem dat ten stelligste af: "Het zit daar vol struikrovers."

Tussen Berchem-kerk en het Gemeenteplein van Mortsel werden alle sporen van het verleden grondig uitgewist. De bouwwoede aan de Grote Steenweg liep min of meer gelijk met de expansie van 'Gevaert Fotoproducten', nog steeds een van de grootste werkgevers in het Antwerpse. Mogelijk verklaart de macht van Gevaert de geprivilegieerde positie die Mortsel tot op de dag van vandaag geniet. Terwijl gelijkaardige, omliggende gemeenten als Wilrijk en Deurne genadeloos bij Antwerpen werden ingelijfd, mag Mortsel zich tegenwoordig zelfs een stad noemen.

Ik rijd door Oude God, de wijk om en rond het Gemeenteplein. Waar haalt dit ellendig nest zijn prachtige naam vandaan? Ik klamp enkele grijsaards aan, maar geen van hen kent het antwoord. Een bejaarde dame vertelt over de Tweede Wereldoorlog, en hoe die de wijk zo ongeveer met de grond gelijkmaakte. Voor de heropbouw van 'den Ouwe God' werden kennelijk niet meteen de creatiefste architecten aan het werk gezet.

Na de stad Mortsel, de gemeente Edegem. De Mechelsesteenweg wordt hier geflankeerd door een bonte rij villa's: peperkoekenhuisjes uit de belle époque, dikke kasten met een strooien dak, hoeven met kasteelallure en postmoderne villaatjes in tempelstijl. Zou het kunnen dat de rijke Antwerpenaren ten gevolge van de beurscrash in '33 behalve veel geld ook hun gevoel voor esthetiek zijn kwijtgespeeld?

Een pijl wijst mij de weg naar Brussel. Slechts 39 kilometers scheiden me van de hoofdstad. Een beetje wielrenner klaart die klus op een uur, ik daarentegen kijk uit naar een geschikte plek om een sigaret te roken. Wirtshaus Stadel, een 'Oostenrijks café' even voor Kontich, lijkt me wel iets. De gevel van dit chaletje werd beschilderd met een berglandschap. Naast de deur hangt een bordje: 'Pflück dir ein Edelweiss.' Edelweiss staat hier voor een biersoort. Ik had er graag eentje geplukt, maar de eigenaar is op vakantie. Tirol?

Vijfhonderd meter verderop sta ik godbetert opnieuw voor een chalet, en dit keer geen kleine. Het complex, zo op het oog een vijftigtal meter breed, biedt onderdak aan taverne Astrid en een filiaal van Superconfex. Op het gigantische parkeerterrein staan minstens honderd auto's, maar de gelagzaal en de textieldiscount zijn zo goed als leeg. Het vraagstuk wordt opgelost als even later een viersterrenautocar het parkeerterrein oprijdt en een twintigtal bruingebakken mensen dropt. De Astrid en de Superconfex moeten het van deze busreizigers hebben. Dat ze hun auto's vaak weken op de parking laten staan, is geen enkel probleem.

Zonder discotheken zou de N1 geen rijksweg zijn. Ik sta voor de wat macabere Dance Cathedral Obsession te Waarloos. Om het parkeerterrein te versieren kochten de exploitanten onder meer een heuse lijkwagen. Verder wisten ze ook twee grafornamenten op de kop te tikken. Het ene kruisbeeld hoorde ooit bij het graf van 'Marie-Anne Roulier, 1896-1923', het andere bij dat van 'Aimée Maçon, 1845-1934'. Op de keerzijde prijken tegenwoordig twee nummerplaten, die van 'P A S C A L' en 'T O N Y'. Wie wil vechten, moet hier beslist zijn wagen eens komen parkeren. Maandag aanstaande is er in de Obsession trouwens een 'disco special'. En... 'Free entrance for the ladies!'

Langs de N1 in Waarloos gaan Eros en Thanatos hand in hand. Via onze fotograaf versier ik een afspraak met de uitbater van een van de talloze 'raambars' die de N1 hier rijk is. De baas ziet geen graten in een gesprek met de pers. "Wij zijn een serieuze firma", benadrukt hij. "Daar bedoel ik onder andere mee dat al onze meisjes ingeschreven zijn. Dat kost mij handenvol poen, maar ik wil op een eerlijke manier mijn kost verdienen. Een tapijtwinkel of een bordeel, voor mij is dat juist hetzelfde. Zaken zijn zaken."

Ooit bestierde hij maar liefst zestig baancafés. Tegenwoordig zijn het er nog slechts negen, en laat hij het praktische werk vooral aan zijn vrouw over. Hij lijkt een beetje uitgekeken op het vak. "Ik heb het moeilijk met de vele ruzies tussen de meisjes. Zet twee vrouwen bijeen, en je krijgt ambras. Het is mij vooral om de goeie sfeer te doen. Het is niet gemakkelijk om te blijven lachen als je weet dat ze je ondertussen bestelen."

Over zijn bar aan de N1 heeft de baas geen klachten. "Je hebt hier het voordeel dat er veel concurrentie is. Een vent zal al eens gemakkelijker tot hier rijden, omdat hij een grotere keus heeft. Daar komt nog bij dat het hier allemaal raambars zijn. De klanten weten onmiddellijk of er nieuwe meisjes zijn. Want dat is wat de meeste klanten willen: nieuwe meisjes. Wij kiezen onze meisjes bijna altijd op basis van een telefoongesprek. Een meisje mag er van mij wat minder goed uitzien, als ze goed werkt is dat niet erg. Met goed werken bedoel ik: de klant bezighouden, hem het gevoel geven dat hij zich amuseert - en niet alleen op de kamers. Wij verdienen meer aan een fles champagne dan aan een meisje."

Ik stap zijn bar binnen en begroet de twee meisjes voor het raam. Praten kan, al wil de jongste haar tv-feuilleton toch liever niet missen. Ik zeg haar dat ik met één vrouw genoegen neem, en wend me tot haar collega. Zes maanden geleden kwam ze langs de N1 werken, en daar heeft ze tot nu toe geen spijt van gekregen. "In een raambar werken is een stuk prettiger", vindt ze. "Zo zie je tenminste nog eens wat. De tijd gaat hier ook veel sneller vooruit." De angst om herkend te worden door familie of vrienden is haar vreemd. "Als ze niet willen dat ik hier zit, moeten ze me maar onderhouden." Of ze haar werk graag doet? "Je moet het wel graag doen, anders houd je het niet vol. Zo is het toch niet alleen hier? Alle dagen tegen je goesting werken, dat kan niemand."

Een auto parkeert pal voor de vitrine. Ik vlucht discreet de keuken in. Ik vrees dat het andere meisje de afloop van haar feuilleton zal moeten missen. Ik keer terug naar de bar, betaal mijn cola en beloof de zaterdageditie van De Morgen te sturen.

Uitblazen doe ik even verderop, binnen de fraai betegelde muren van De Eendracht. Sinds de jaren vijftig is er in dit café niet veel veranderd. Je kunt er driebanden, 'met de sjotterkes spelen', vogelpikken of je duiven inschrijven voor een wedstrijd. Alles is hier kraaknet, het meubilair kan zo in de etalage van een designwinkel. Op de radio zingt Tura het onsterfelijke 'Ik ben zo eenzaam zonder jou'. Het is alsof ik in een cliché ben terechtgekomen. Ik ga zitten aan een tafel naast de monumentale toog en sla het Het Laatste Nieuws editie Mechelen/Lier open. In het katern met streeknieuws lees ik dat er op het kruispunt van de N1-Mechelse ring vannacht een verkeersdode te betreuren viel. Ook wordt bericht over de oude Brusselsesteenweg in Mechelen, die binnenkort gerenoveerd zal worden. Terwijl ik verder lees, tikt een reusachtige grijsaard op mijn schouder. Of ik alstublieft aan een andere tafel plaats zou willen nemen. "Hier kaarten wij gewoonlijk."

De Eendracht rekruteert zijn klanten voornamelijk uit het personeel van Brouwerij Maes, tevens ook de eigenaar van het café. De geschiedenis van het bedrijf begint trouwens in Waarloos. In 1880 kocht Egide Maes, een steenbakker uit Rumst, de plaatselijke brouwerij St.-Michaël op. De familie Maes bleef generaties lang de eigenaar en is ook vandaag nog de belangrijkste aandeelhouder.

Vlakbij de brouwerij, aan de overkant van de steenweg, staat een opmerkelijk monument. Het werd opgetrokken ter nagedachtenis van 'Gustave Salomon Joseph Marie Gilain Baron de Zuylen de Neyevelt, mort accidentellement en automobile, le 18 décembre 1912'. Ik vraag me af hoe de N1 eruit zou zien als elke verkeersdode er een monument had gekregen. Een beetje zoals het parkeerterrein rond de Obsession wellicht, maar dan wel 40 kilometer lang. Een betere verkeersveiligheidscampagne is moeilijk denkbaar.

Hoe oud is de N1? De vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden. De schaarse informatie die ik over zijn geschiedenis te pakken kreeg, komt uit de bibliotheek van het ministerie van Verkeer. Op de Ducatus Brabantiae Tabula, een kaart van het hertogdom Brabant die omstreeks 1700 werd getekend, staat al een weg afgebeeld die ongeveer hetzelfde traject volgt, zij het met wat meer kronkels. Op een door het Oostenrijkse Keizerrijk uitgegeven kaart, vermoedelijk uit de tweede helft van de achttiende eeuw, ziet de weg er al een stuk strakker uit. De N1 wordt daarop bovendien van begin tot einde als een visgraat afgebeeld, wat erop wijst dat hij toen al een steenweg was.

De heraanleg van de N1 was zonder twijfel het werk van de Oostenrijkers. In de Belgische provincies werden onder hun bewind in totaal 2.850 kilometer nieuwe wegen aangelegd, waarvan er vandaag nog steeds 2.656 kilometer deel uitmaken van het rijkswegennet. In 1760 werd zelfs een Bond voor Straatwegen opgericht, een verre voorloper van wat thans Bruggen en Wegen heet.

Dancing Misty in Rumst organiseert elke vrijdag een 'grandioze dansavond voor vrijgezellen, aanvang: 20.30 uur'. Zondag is er een 'dansavond voor alleenstaanden, aanvang: 18.00 uur'. Op nauwelijks een tiental meter van de Misty staat een huis. De eigenares, een dame van middelbare leeftijd, staat haar ramen te beitsen. Ik sla een praatje. Mevrouw blijkt hier al veertig jaar te wonen. Het leven naast de N1 en zijn dancing bevalt haar prima. Ze zegt me dat er hier in vier decennia nauwelijks wat veranderd is. Na de aanleg van de E19 moest het hier wat rustiger worden, maar daar heeft zij weinig van gemerkt. Vooral vrijdag en zondag, als de 'mengsen die da geschieë zén' hier komen dansen, staan de auto's vaak tot een kilometer verderop geparkeerd. Het kruispunt heet hier, al zolang ze zich kan herinneren, 'het dodenkruispunt'.

Op de Netebrug in Walem flits ik een bejaarde fietser voorbij. Op zijn bagagedrager rust een houten kist met tomaten. Een halfuur later zal ik hem nog eens zien, dit keer bij de ring rond Mechelen.

Vroeger werd de drukte van een weg in tonnenmaat weergegeven. In 1908 werd in de provincie Antwerpen dagelijks de inhoud van 151 tonnen vervoerd. Verreweg het grootste deel, 140 ton, werd toen nog "door mens of dier getrokken". Vijfentwintig jaar later, in 1933, werd op het Antwerpse wegennet een gemiddelde van 1.043 ton per dag gemeten. Mens en dier namen toen nog 94 ton voor hun rekening. Verder ontbreken alle cijfers hieromtrent.

Een tweetal kilometer voor Mechelen ligt de firma Martal Eikehout. Levert deze kmo misschien de planken waarmee de wereldvermaarde Mechelse meubels worden vervaardigd?

"Maar jongen toch", zucht de directeur. "Ge komt minstens twintig jaar te laat. In Mechelen bestaat geen meubelnijverheid meer." Tot in de jaren zeventig behoorden de Mechelse meubelmakers tot Martals belangrijkste klanten. Maar daarna liep het mis. "Ik heb de samenwerking moeten stopzetten", zegt de directeur. "Onze facturen werden te laat of gewoon niet betaald." Hij wordt nog steeds kwaad als hij eraan terugdenkt. Met Mechelen wil hij naar eigen zeggen niets meer te maken hebben. "Wij kunnen gemakkelijk zonder. We exporteren meer en meer."

'Mechelen zijn oude glans teruggeven.' Met die slogan en de tronie van zakenman John Cordier hoopt de Mechelse cvp na de gemeenteraadsverkiezingen opnieuw haar vertrouwde machtspositie in te nemen. Er circuleert nog een tweede affiche, waarop Cordier het electoraat toelacht terwijl hij gsm't. 'Mechelen? Met Cordier', zo luidt het onderschrift.

Samen met de tomatenkweker van daarstraks rijd ik over de Mechelse ring. Bedrijven als Home Market, Vandenborre en Quick schreeuwen om het hardst om onze aandacht. Ik wend mijn blik af, en zie aan de overzijde een fraaie fabrieksschoorsteen staan. Hij behoort toe aan brouwerij Het Anker, een perfecte schuilplaats voor de akoestische en visuele terreur van deze omgeving. Een zeer minzame medewerker schetst de indrukwekkende wordingsgeschiedenis van het bedrijf. Het Anker is hier al sinds de vijftiende eeuw gevestigd. De oorspronkelijke brouwerij bleef goeddeels intact. Behalve een vijftal biersoorten - de bekendste is wellicht de Gouden Carolus - kun je binnen de muren van de brouwerij ook terecht voor een diner of een overnachting. Sinds het faillissement van Lamot is Het Anker de enige Mechelse bierbrouwer. De uitnodiging voor een degustatie moet ik helaas afslaan. De rijksweg roept.

Aan de Brusselse Poort verlaat de N1 zijn oorspronkelijke traject. De nieuwe route loopt naar het station, voor de oude Brusselsesteenweg moet je hier rechtsaf. Ik geef de voorkeur aan het oorspronkelijke traject, en kom terecht op de enige strook die nog niet is geasfalteerd. Even buiten de stad, aan de inmiddels gesloten taverne van 'Mister 100' Raymond Ceulemans, lijkt het of de oude en de nieuwe steenweg weer samen zullen komen. Een rijtje oude huizen verraadt dat de N1 ook hier van zijn oorspronkelijke route afwijkt. Op een van de zijgevels kun je zelfs nog een oude reclameschildering zien: 'Automobiles Minerva. Sans soupapes.' De letters moeten hier al minstens zestig jaar geleden zijn aangebracht. Het Antwerpse bedrijf Minerva zette de productie van auto's immers al in de jaren dertig stop. Minerva's werden met de hand gemaakt. Ze waren een pak duurder dan de auto's die aan de lopende band werden geproduceerd. De crisis diende 'de Belgische Rolls Royce' de doodsteek toe.

Enkele kilometers buiten Mechelen, daar waar de provincie Vlaams-Brabant u welkom heet, steekt de N1 in één ruk zowel de E19 als de Zenne over. In de afdaling kun je duidelijk zien waar de N1 liep toen er nog geen E19 moest worden overbrugd. Langs het in onbruik geraakte stukje steenweg staat nog steeds een tiental huizen. Een oudere dame zit voor haar raam. Ik klop aan.

Mevrouw Bertha De Coen woont hier al sinds 1917, haar geboortejaar. Tot 1972 was haar huis een van de zes cafés aan de Zennebrug. In de roos, zo heette haar zaak. Je kon er ook overnachten. Door de aanleg van een nieuwe brug verloor ze het contact met de N1. De steenweg loopt hier dood op de Zenne, en mevrouw De Coen vult haar dagen met kaarten, poetsen, televisiekijken en het bestuderen van reclamebladen. De 'passage' mist ze nog steeds. Ze herinnert zich nog hoe er hier dagelijks honderden paardenkarren voorbijreden. "Auto's reden hier bijkanst niet, alleen heel af en toe eens een dokter of een advocaat." Soms zaten ze met tien buurtbewoners op een rij langs de weg. "Iedereen had wel een verhaal bij." Haar toon versombert. "Tegenwoordig verstaan de mensen elkaar niet meer zoals vroeger. Er is veel veranderd, maar of het er allemaal beter op geworden is..."

Mevrouw De Coen is niet eens de oudste bewoner van deze vergeten straat. Twee huizen verder sloft Jean Buelens rond, in 1910 geboren aan de andere kant van de Zennebrug. Toen zijn woonst werd afgebroken, zocht en vond hij onderdak aan de overkant. Zijn zoon, die tevens zijn buurman is, vertelt me dat vader dement is. Wie Jean Buelens hier over de oude steenweg ziet kuieren, is geneigd te denken dat er ergere ziektes bestaan.

De Zenne kleurt oranje, ik moet dringend nog wat kilometers maken. Tussen Zemst en Eppegem is café Transport een haast onvermijdelijke hindernis. Waardin Mariake, in de wijde omtrek bekend als 'schoon Mariake', staat hier al veertig jaar achter de toog. Voor ze 'den Transport' opende, had ze al tien jaar getapt in een van de cafés aan de Zennebrug. Veel jonger dan zeventig kan ze dus niet zijn.

Vandaag is Mariake kennelijk een beetje te vroeg in de pils gevlogen. "Wie is er dood?", antwoordt ze als ik haar vraag of café Transport nog veel truckchauffeurs over de vloer krijgt. Spontaan begint ze te vertellen over haar jongste successen in de liefde. Zo ging ze vorige week nog uit eten met een rijkswachter, en werd hier gisteren, anoniem en te harer attentie, een fraaie korf kamerplanten afgegeven. Ze staart even nadenkend voor zich uit, en kijkt me vervolgens smachtend aan. "Zit gij daar voor iets tussen?" Ik tracht het gespreksonderwerp andermaal naar mijn thema te sturen, en vraag haar of ze mevrouw De Coen soms nog kent. "Wie is er dood?"

Terwijl ik de hoop op een goed gesprek begin op te geven, stapt er een nieuwe klant binnen. Het is - toeval bestaat niet - Stephan Vanfleteren. We drinken bier en wisselen N1-ervaringen uit. Na vereffening van onze schulden - vier pinten kosten hier 120 frank - trek ik me met herwonnen moed op gang voor de laatste 15 kilometer.

Vanaf Eppegem tot Schaarbeek wordt de N1 vergezeld door Zenne en spoorweg. Om te weten hoe deze omgeving er vroeger uitzag, kun je bij Rubens terecht. De Antwerpse schilder had in Eppegem een buitenverblijf en heeft het landschap meer dan eens op doek gezet. Ik laat het Rubenskasteel links liggen en houd tot Vilvoorde een strak tempo aan. Het begint stilaan te schemeren, als ik niet opschiet mis ik de laatste trein.

De wegwerkzaamheden in het centrum van Vilvoorde dwingen mij opnieuw voet aan de grond te zetten. Aan de N1 wordt op dit ogenblik op wel meer plaatsen gewerkt. Een van de wetten van de weg luidt immers dat het aantal omleidingen toeneemt naarmate de verkiezingen naderen. In de meeste gevallen betreft het de aanleg of de verbreding van een fietspad. In Vilvoorde en Walem is de rijksweg thans in één rijrichting onderbroken.

Nog een andere wet laat zich hier gelden: zware industrie vind je in onze streken meestal in het noordoosten van de grote steden. De wind waait immers het vaakst uit het zuidwesten, dat heb ik vandaag nog eens ten overvloede mogen voelen.

Voorbij Vilvoorde verliest de N1 zijn menselijke gelaat. Fietsen is hier een hallucinante ervaring. Zonder de beschermlaag van een auto om je heen maken de fabrieken van wijlen Renault Vilvoorde en de viaduct een nog veel diepere indruk. De N1 gaat er meter voor meter desolater uitzien.

De enige mens die ik hier zo laat nog tegenkom, ben ikzelf. Vergeten te eten, net als Lance Armstrong. Ik rijd dwars door de pijngrens, langs een reusachtig sluikstort en een torenhoog autokerkhof. Het is bijna donker als de N1 verdwijnt in een niemandsland tussen Schaarbeek en het paleis van Laken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234