Dinsdag 19/01/2021

De Congojaren van een Amerikaanse topspion

Larry Devlin, die in de jaren zestig 'chief of station' was van de Amerikaanse geheime dienst CIA in Congo, heeft zijn memoires geschreven. Het is een vermakelijk avonturenboek geworden, vol anekdotes over zijn gevaarlijke en spannende belevenissen. Geheimen geeft de oude meesterspion niet prijs. Wie namen zoekt van CIA-agenten of details van clandestiene paramilitaire operaties is eraan voor de moeite. Wel onthult Devlin enkele onbekende puzzelstukjes van de recente Belgisch-Congolese geschiedenis.

Door Georges Timmerman

In zijn boek Chief of Station, Congo beschrijft de vroegere CIA-man Larry Devlin hoe de Union Minière, de mijnbouwdochter van de toenmalige Société Générale, een brutale poging ondernam om hem om te kopen. Union Minière stelde voor om Devlin miljoenen smeergeld toe te schuiven, op een Zwitserse bankrekening, als hij zijn invloed bij president Mobutu wou aanwenden om te verhinderen dat de mijnbouwgroep genationaliseerd zou worden. Devlin, die destijds de belangrijkste financier en beschermheer was van Mobutu, zat in elk geval in een positie om Union Minière die gunst te kunnen verlenen.

De CIA-man en zijn echtgenote werden eerst herhaaldelijk uitgenodigd op dineetjes van Union Minièremensen. "Medio 1966, tijdens een van die diners, zat ik plotseling alleen met een Belgische heer die ik nog niet had ontmoet", schrijft Devlin. "Hij zei dat de man die Mobutu ervan kon overtuigen om zijn plannen tot nationalisering te vergeten een dienst zou bewijzen aan Congo, België en aan zichzelf. Hij voegde eraan toe dat die man een royale beloning kon verwachten indien hij succesvol zou zijn. Hij noemde het bedrag van drie miljoen dollar, op een belastingvrije en genummerde Zwitserse rekening." Devlin maakte de Belg naar eigen zeggen duidelijk dat hij in geen geval belangstelling had voor diens voorstel: "Ik suggereerde tamelijk grof wat hij met het geld kon doen. Colette en ik verlieten het feestje en, nu ik erover nadenk, we werden nooit meer uitgenodigd door onze gastheer."

Devlin arriveerde in Leopoldville op 10 juli 1960, tien dagen na de onafhankelijkheid van de Belgische kolonie. De CIA-agent, die tijdens de Tweede Wereldoorlog ervaring had opgedaan bij de Amerikaanse militaire inlichtingendienst, kwam er in een heksenketel terecht. Het land was in chaos, met muitende soldaten, Europeanen die in paniek wegvluchtten, een instortende samenleving en een politieke janboel. Bovendien loerde in de wereldvisie van Devlin en zijn medestanders achter elke palmboom het gevaar van het oprukkende communisme.

Devlin zet dik in de verf hoe gevaarlijk en chaotisch de situatie in Congo wel was. Meer dan eens valt hij in handen van gedrogeerde Congolese soldaten, die om zich te amuseren Russische roulette met hem spelen of hem door een vuurpeloton willen laten executeren. Telkens weet Devlin op miraculeuze wijze te ontsnappen. Hij vertelt uitgebreid over hoe hij bijna het slachtoffer werd van een carjacking, hoe er op een dag twee sluipmoordenaars met geweren in zijn tuin opdoken of hoe inbrekers zijn familie bedreigden met messen en revolvers. Het leven van een CIA-agent is soms geen pretje.

"Iets gedaan krijgen in Congo is zoals een nagel inhameren met een rijpe banaan", weet Devlin. Hij bouwt geduldig een netwerk op van medewerkers en agenten, onder anderen ene Jacques, een Belg die beschreven wordt als "een van onze beste agenten". Hij steunt pro-Amerikaanse politici en ondermijnt hun tegenstanders. Dat betekende niet alleen bevriende politici aan zich binden en beïnvloeden, maar ook complotten ontmaskeren en aanslagen op hun leven verhinderen. Geld kan de doorslag geven, ontdekt Devlin al snel. En voor de CIA is geld geen probleem: voor een bepaalde operatie heeft Devlin een budget van 100.000 dollar ter beschikking. De Belgen deden trouwens hetzelfde: zij steunden bijvoorbeeld de Parti National Populaire (PNP) zo overvloedig dat die formatie weldra bekend stond als de Partie des Nègres Payés. Mobutu hengelde voor zijn eerste militaire coup naar Amerikaanse steun. Hij kreeg de garantie van Devlin dat de staatsgreep erkend zou worden door de VS. Waarop Mobutu aankondigde. "De coup zal binnen een week gebeuren. Maar ik heb 5.000 dollar nodig om mijn officieren te betalen. Als de coup mislukt, gaan we allemaal in de gevangenis of zijn we dood. Het geld is bestemd voor onze families."

Patrice Lumumba, de eerste verkozen president van Congo, was volgens Devlin "a disaster in the making". De CIA vermoedde dat Lumumba gemanipuleerd werd door de KGB. De dienst hanteerde een dominotheorie, zoals die later ook opgeld zou maken in Vietnam. Als Congo in handen zou vallen van de Sovjet-Russische invloedssfeer, dan zouden de negen buurlanden eveneens 'verloren' gaan voor het Vrije Westen. Dat rampscenario moest te allen prijze vermeden worden en daarom stuurde Washington zelfs een specialist naar Congo. Die "Joe from Paris" overhandigde verschillende dodelijke gifstoffen aan Devlin, waarvan een in een tube tandpasta. Devlin voelde evenwel niets voor dergelijke methodes, die hij immoreel en onproductief vond, en gebruikte het gif niet.

Met de moord op Lumumba in 1961 had de CIA-baas niets te maken, beweert hij. Kort voor de moord had Devlin nochtans met een uitgebreide delegatie van de Amerikaanse ambassade een bezoek gebracht aan de afgescheurde koperprovincie Katanga, zogenaamd om er een concert bij de wonen van jazztrompettist Louis Armstrong, in werkelijkheid om te overleggen met de Katangese leider Moïse Tsjombé. Toch kreeg Devlin later een wereldwijde reputatie als boeman, ook vanwege zijn getuigenis voor een Amerikaanse parlementaire onderzoekscommissie over CIA-moorden op andere buitenlandse staatshoofden. Devlin verscheen voor die commissie onder de schuilnaam Victor Hedgeman. "De commissie nam die voorzorgsmaatregel op mijn verzoek," preciseert hij, "omdat ik door oude vrienden bij de CIA was gewaarschuwd dat zowel de Black Panthers als Carlos de Jakhals, de bekende internationale terrorist, plannen hadden om me te vermoorden omdat ze verkeerdelijk dachten dat ik verantwoordelijk was voor de dood van Lumumba."

Ironisch genoeg toont de oud-CIA-baas zich erg dankbaar voor het boek van Ludo De Witte, die in 1999 aantoonde dat Lumumba door Katangezen en onder supervisie van Belgen van kant werd gemaakt. Als gevolg van dat boek richtte het Belgische Parlement een onderzoekscommissie op die de betrokkenheid van de Belgische autoriteiten bij de moord op Lumumba moest onderzoeken. De commissie bevestigde de bevindingen van De Witte grotendeels. "Ik kan nu verwijzen naar het rapport van de Belgische commissie dat me definitief vrijpleit van elke verantwoordelijkheid", stelt Devlin tevreden vast.

Larry Devlin, Chief of Station, Congo, uitg. PublicAffairs, www.publicaffairs.com

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234