Donderdag 14/11/2019

De comeback van de

Alles werd gemaakt in Wenen en dan overgebracht naar Brussel.

Brusselse art nouveau

Na jaren van verloedering en moedwillige verminking heeft Brussel de art nouveau herontdekt. Prestigieuze panden worden verkocht en gerestaureerd. Maar het 'monster van Brussel' blijft loeren, waarschuwen art-nouveauliefhebbers.

Door PAUL DEPONDT

Weinig Vlaamse schrijvers hebben zo vaak over Brussel geschreven als Geert Van Istendael. In zijn boeken (zoals Arm Brussel, 1992) schrijft hij over bouwspeculanten, 19de-eeuwse cafés, de modieuze Dansaertstraat en zijn nieuwlichters, en over art nouveau, die 'hemelsoete kunst' die Brussel na jaren van verminking herontdekt. Hij beschrijft Brussel als een stad in de 21ste eeuw die verbouwd is, vertimmerd en gesloopt, een wanstaltige collage van verloedering en nieuwbouw. Is Brussel een gedrocht, met alleen maar morsige en grijze kantoren? Er zijn toch schitterende huizen gebouwd, met fantasierijke gevels, mooi en elegant smeedwerk, fraaie interieurs en zonnige wintertuinen. Het is de bakermat van de art nouveau, een paradijs voor architect Victor Horta, die met zijn nieuwe kunstvormen zo'n opzien baarde. Van Istendael zegt weliswaar niet in complotten te geloven, "maar in Brussel is een reeks lieden aan het werk... die er alle belang bij hebben dat het Brusselse patrimonium wordt verpulverd". Hij gelooft dat Horta "voorlopig is heilig verklaard", maar "de jacht is open op alles wat niet uit Horta's werkplaats afkomstig is". En dat is in Brussel veel, heel veel.

In het stripalbum De koorts van Urbicande (1984) van tekenaar François Schuiten en scenarist Benoît Peeters, twee bewonderaars van Horta, is het hoofdpersonage de stad "die op een gegeven moment vanzelf begint te groeien". Brussel is zo'n stad die grotendeels door bouwpromotoren is platgewalst en herbouwd. Veel waardevols ging tegen de vlakte, al meer dan honderd jaar wordt Brussel gewurgd door nietsontziende politici en projectontwikkelaars. Anders dan Geert Van Istendael, die geen ondoorgrondelijke complotten vermoedt, zien Schuiten en Peeters in hun verhalen duistere machten aan het werk. Aan de hand van fictie en werkelijk gebeurde feiten over oud-premier Paul Vanden Boeynants of oud-burgemeester Guy Cudell schetsen ze het 'monster van Brussel', die kaalslag die het oude Brussel verslindt, en de samenzwering van speculanten en politici. Het blijven natuurlijk verzinsels op de tekenplank, maar de Brusselisering is een begrip dat sindsdien - zegt Peeters - "een internationaal scheldwoord is geworden voor een verkeerde urbanistische aanpak".

Maar inmiddels lijkt er een herwaardering voor de art-nouveaupanden in Brussel te bestaan, en niet alleen die van Victor Horta. Veel architecturaal belangrijk onroerend goed wordt op de internationale woonmarkt verkocht. Er wordt in de International Herald Tribune min of meer voor geadverteerd, want al die duurbetaalde bedrijfslobbyisten, euroambtenaren en NAVO-deskundigen zijn op zoek naar schitterende ontvangstruimtes, kantoren en appartementen.

Dat heeft enerzijds een banale oorzaak: omdat riante huizen in België veel goedkoper zijn dan elders in Europa. Maar anderzijds is er ook wel degelijk sprake van nieuwe belangstelling voor de architectuurstijl uit het eind van de 19de, begin 20ste eeuw. Met restauraties - soms slordig, soms zorgvuldig - tot gevolg. Op de Louizalaan staan alweer twee huizen te koop van die alom heilig verklaarde Victor Horta, het Huis Max Hallet - bouwjaren 1903-1905 -, een huis met een volumineuze trapruimte die door een lichtkoepel verlicht wordt, en het Huis Roger uit 1901, dat twintig jaar later is verbouwd, toen de art nouveau werd verguisd, en nu nogmaals wordt verbouwd tot appartementen en een penthouse. De Hortastijl wordt enigszins hersteld, de panden worden flink gerenoveerd, de prijs is navenant: een van de appartementen in het Huis Roger kost 1,75 miljoen euro (bij het vastgoedagentschap Sérénité), voor het penthouse betaal je een miljoen euro. Hallet kost 3,5 miljoen, maar dan bezit je ook een mooi beglaasd pand en een iets lager gelegen Hortawintertuin.

"O Brusselaars, let op uw zaak", zei Van Istendael in 1993, toen architecten herdachten dat honderd jaar eerder Victor Horta in de Paul-Emile Jansonstraat het Huis Tassel bouwde, het eerste art-nouveauhuis ter wereld, een revolutionair huis met krullen en curven, zwepende en golvende lijnen, met een uitspringende erker, met metalen hoekbeslag en caissons, met glas-in-loodramen, bladmotieven en zuiltjes. "Let op uw zaak", schreef de Brusselaar Van Istendael in dat jaar, want terwijl Horta werd geprezen, "bestond een schofterige schepen van Sint-Pieters-Woluwe het om tijdens een lang weekend snel een magnifiek pand van art-nouveauarchitect Paul Hamesse te laten slopen".

In de jaren zestig werd het schitterende Volkshuis aan de Joseph Stevensstraat, dat in 1895 door de 'rode' en vrijzinnige Horta voor de Belgische Werkliedenpartij was ontworpen, ontmanteld en gesloopt. Het paleis, dat geen paleis mocht zijn maar "een huis met veel licht en lucht", was in de ogen van tal van Brusselaars en partijleden "helaas nog slechts een karkas van glas en staal, een getuigenis van een ijdele poging om een nieuwe stijl te creëren". De gebinten, gerecupereerde overblijfselen van het café en de feestzaal van het Volkshuis, werden verkocht en in 2000 in een brasserie in Antwerpen gemonteerd. Veel art-nouveaupanden werden in die jaren verbouwd. In prachtige Hortahuizen, zoals het Hotel Frison nabij de Brusselse Zavel, zijn toen wanden en deuren vertimmerd om er studentenkamers van te maken. Je kunt de sporen van die hemeltergende verbouwingen in het intussen gedeeltelijk in oorspronkelijke staat herstelde huis nog zien: schilderingen in de wintertuin verdwenen achter pleister, plafonds werden verlaagd, alles wat ooit schitterde, had nu een doffe glans. Gelukkig is het overvloedige decor onder de verschillende verflagen vrijwel intact gebleven, want net als het Huis Tassel is ook hier het trappenhuis over de hele hoogte gedecoreerd met arabesken.

In 1971 vroegen de erfgenamen van architect, schilder en decorateur Paul Cauchie een sloopvergunning aan voor een van de schitterendste, met sgraffitodecoratie opgesmukte Brusselse kunstenaarswoningen. Het regende protesten. Vier jaar later werd het monument beschermd, maar door verdere verkrotting bevond het huis zich in een uiterst erbarmelijke toestand. Door insijpelend vocht brokkelden de pleisterlagen af en was de decoratie de definitieve ondergang nabij. Het pand werd verkocht. De nieuwe eigenaars, de redders van het Huis Cauchie, lieten het in zijn oorspronkelijke gaafheid herstellen, "een operatie die beschouwd kan worden", zegt kenner Louis Meers, "als een première op het gebied van esthetische architectuurchirurgie".

Gewapend met stadsplannen en daarop uitgetekende art-nouveaupromenades kun je van het ene pand naar het andere wandelen, van ziekbed naar ziekbed, maar ook van het ene paleisje naar het andere. Verspreid over de hele Brusselse agglomeratie zijn er zeker vijfhonderd van zulke art-nouveauhuizen, "misschien wel een paar duizend met vergelijkbare gevels", zegt Jos Vandenbreeden, directeur van het Sint-Lukasarchief, dat waakt over het architecturale erfgoed. Nergens zie je zoveel ramen, balkons, trapleuningen, deurklinken en belknoppen 'in palingstijl', huizen met een tik van de krul, voormalige warenhuizen met luisterrijke inkomhallen en monumentale trappen.

Veel opdrachtgevers en bewoners van zulke huizen zijn kunstliefhebbers en verzamelaars, ook excentriekelingen, gefortuneerde ondernemers of zelfs utopisten, die van het ornament houden. Françoise Aubry is conservator van het Brusselse Hortamuseum en werkt in het huis en het atelier van de architect, "het environment van Horta". Ze schreef een nieuw boek over zijn uitzonderlijke talent. Het was een bijzondere man die overladen werd met veel eerbetuigingen, "al ziet hij in zijn Mémoires zichzelf als een man die onverschillig is voor succes en slechts één doel voor ogen heeft: werken en nog eens werken, want alles in zijn architectuur, tot het kleinste decoratieve detail, droeg zijn stempel". Toch was Horta op het eind van zijn leven verbitterd, omdat 'het concept van het artistieke huis' in de trieste oorlogsjaren was weggeveegd.

Art nouveau, jugendstil, modern style, sezessionsstijl of hoe die kunststijlen ook mogen heten, het is allemaal terug. In de Bozar, de kunsttempel van Horta, loopt nu de tentoonstelling Het verlangen naar schoonheid. De Wiener Werkstätte en het Stoclethuis, een expositie over "het duurste huis van Brussel" aan de Tervurenlaan (zie kader). Ook dit staat te koop. Het is het laatste belangwekkende bouwwerk uit die bruisende periode van de Brusselse art nouveau, een gesamtkunstwerk van de Weense architect Josef Hoffmann. Sinds enkele jaren zijn in Brussel verschillende gebouwen uit die glorietijd - weliswaar soms slordig of maar gedeeltelijk - gerenoveerd en gerestaureerd. Het voormalige Hortawarenhuis Waucquez werd heringericht als stripmuseum en de vroegere Old Englandwarenhuizen als instrumentenmuseum. Eindelijk worden ook enkele van Horta's pronkstukken aangepakt, het Paleis voor Schone Kunsten en het Brusselse Centraal Station (waarvan Horta de voltooiing niet meer meemaakte, hij stierf in 1947).

Misschien is vooral in het onlangs gerestaureerde en als 'ervaringsmuseum' heringerichte Huis Autrique aan de Haachtsesteenweg, niet ver van het Brusselse Noordstation, dat concept van het artistieke huis het best 'gereconstrueerd'. Al jaren herscheppen striptekenaars Peeters en Schuiten dat "bouwkundig delirium van Horta", die honderden imaginaire plannen en tekeningen die de ontgoochelde architect in de laatste jaren van zijn leven heeft verbrand. In hun stripverhalen, maar ook in tentoonstellingen en decorontwerpen, gaan ze op zoek naar gekke en dolgedraaide bouwmeesters die op hun tekentafels met een paar potloodlijnen de contouren van toekomstige steden tekenen. Al jaren delen ze een passie voor Horta. "Ons eerste gemeenschappelijke album, De muren van Samaris, speelt zich af in de stad Xhystos, waar art nouveau tot stadsarchitectuur is verheven." De getormenteerde Horta, de meester van het gietijzer, de sierlijke krul en het glas, figureert als urbatect Eugen Robick in hun stripverhalen.

Ze ontdekten in 1996 toevallig het Schaarbeekse Autriquehuis, de eerste markante schepping van Horta in Brussel. Het stond te koop, zoals wel meer verkommerde art-nouveaupanden, en werd zo scrupuleus mogelijk gerestaureerd. Het huis is een "imaginair huis", een Hortiaanse doolhof van eindeloze gangen en geheime trappen. "Je hoort de bewoners praten, je hoort het gerinkel van glazen, de ademhaling van slapers." Het scenografisch heringerichte Huis Autrique "weerspiegelt onze verknochtheid aan Brussel en zijn woonhuizen". Een huis roept beelden op, herinneringen aan onze kindertijd, aan belevenissen en emoties. "Het is alsof de muren zich dat herinneren, alsof de jaren van vroeger en vreemde gebeurtenissen weer boven komen." Autrique is het Huis der Huizen, dat vooral herinneringen oproept aan het genie dat Victor Horta was. n

INFO

Art-nouveauwandelingen door Brussel:

www.brussel-art-nouveau.be.

Het verlangen naar schoonheid. De Wiener Werkstätte en het Stoclethuis. Van 17 februari tot en met 28 mei in Bozar, het Paleis voor Schone Kunsten, Brussel. Catalogus 39 euro: Françoise Aubry: Horta, architect van de art nouveau. Ludion, 39,50.

Palais Stoclet,

het grootste geheim van Brussel

Ruim 100 jaar geleden werd het gebouwd en nog steeds geldt Palais Stoclet in Brussel als hét pronkstuk van de Wiener Werkstätte. Alleen wordt het al jaren niet meer bewoond, en kan niemand meer het interieur bewonderen als totaalkunstwerk. Het duurste huis van Brussel staat te koop. Althans, dat wordt gefluisterd.

Naar verluidt voor een slordige 100 miljoen euro. Al lang circuleren geruchten dat de erven een oplossing zoeken voor "het grootste geheim van Brussel", het Stoclethuis aan de chique Tervurenlaan, volgens La Libre Belgique "een hypothetisch museum dat niemand mag bezoeken". Na de dood van barones Stoclet, in 2002, is het paleis "feitelijk onbewoond". Het huis is genoemd naar de opdrachtgevers Adolphe en Suzanne Stoclet. Bankierszoon Stoclet en zijn vrouw gaven de Weense architect Josef Hoffmann opdracht een huis te bouwen waarin het echtpaar "kon baden in schoonheid". De Wiener Werkstätte nam het volledige ontwerp van het huis en het interieur voor haar rekening: de decoratie, het design, de plaatsing van de meubelen, de kleuren, het tafelgerei, de kroonluchters, de komforen en terrines, zelfs de kleren, alles, tot het kleinste gebruiksvoorwerp, zoals de zilveren haarborstel met ingelegde malachietsteentjes van mevrouw Stoclet. Precies een eeuw geleden werd in Brussel met de bouw begonnen. Het Maison Stoclet, dat zich nog in zijn oorspronkelijke staat bevindt, is hét pronkstuk van de Wiener Werkstätte. Alles werd gemaakt in Wenen en dan overgebracht naar Brussel. Niemand weet hoeveel het paleis heeft gekost. Nog niemand heeft de briefwisseling tussen de opdrachtgevers en de Wiener Werkstätte tot op de dag van vandaag mogen inkijken.

De bewoners ontvingen in hun droomhuis kunstenaars, schrijvers en muzikanten. Iedereen figureerde als in een doorlopend toneelstuk. Je trof er een bijzondere harmonie aan tussen het huis, de tuin, de voorwerpen en zijn bewoners of bezoekers. In de villa suburbana van de Stoclets werd niets aan het toeval overgelaten, het hele leven werd er geregisseerd. De expositie Het verlangen naar schoonheid. De Wiener Werkstätte en het Stoclethuis in Bozar, het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, schetst een beeld van de 'architecturale algebra' van de Wiener Werkstätte, van het gejongleer met vormen en kleuren, decoratie en opsmuk. De vormgever van de tentoonstelling, Heimo Zobernig, heeft van het labyrintische Bozar een soort 'warenhuis van de schoonheid' gemaakt: het is de allergrootste sortering van de hele productie van de Wiener Werkstätte. Doelbewust kozen de inrichters voor die warenhuisformule: de voorwerpen, het meubilair, serviezen en juwelen, worden niet in hun verblindende schittering getoond, maar als koopwaar. Het geeft een idee van de allesomvattende ideologie van de Werkstätte: het zijn serieproducten met een WW-kwaliteitslabel, allemaal uitgestald en gerangschikt in vitrines en op magazijnrekken. De Wiener Werkstätte wilde schoonheid en stijl brengen in het leven van alledag. In alles wat ontworpen werd, is de Oostenrijkse ziel terug te vinden: die drang naar gezelligheid, charme en verfijnde omgangsvormen, die nadruk op stijl en die neiging tot excentriciteit en decoratie, zoals in het Stoclethuis. Stijl was een marktstrategie. De Werkstätte moest een gereputeerde modelonderneming worden. Het huis van de Stoclets is een sanctuarium, een schrijn voor de honderden kunstvoorwerpen die de familie heeft verzameld. Er wordt echter niks uitgeleend; wat er van architect Hoffmann te zien is, komt uit het Weense Museum für Angewandte Kunst (MAK). Het Brusselse wonderhuis is geen museum. Zelfs wetenschappelijke onderzoekers krijgen geen toegang tot het paleis. Wie er wel zijn binnengegaan, krijgen een heilige zwijgplicht opgelegd. De erfgenamen, vier dochters, wonen er allang niet meer; er is alleen nog een conciërge. Sinds 1976 wordt het huis officieel beschermd, en sinds vorig jaar nu ook de tuin. Sommigen willen dat het door de Unesco als werelderfgoed wordt erkend. De vrees bestaat dat het nog intacte interieur van het Palais Stoclet na verkoop wordt verkwanseld. n

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234