Vrijdag 23/10/2020

De brug

Moet het deze zomer altijd een roman van 300 pagina's zijn? Acht weken lang trakteert een schrijver uit Vlaanderen of Nederland u op een kort verhaal.

Eerst was er een pontje. Over de vergunning werd lang gesteggeld in de gemeenteraad. Tegenstanders noemden het pontje een voorziening waaraan geen behoefte was. Want wie van de welvarende Noordoever haalde het in zijn hoofd vrijwillig de oversteek naar de Zuidoever te wagen?

De Zuidoever! Die woestenij van braakliggend land en gelegenheidsvuilnisbelten. Waar de leegstaande gebouwen leken op schedels waarvan de huid afgebladderd en de ogen gebroken waren. Waar in onbruik geraakte fabrieken verkruimelden tot ruïnes, waar gure winden waaiden. Waar criminelen hun concurrenten lieten verdwijnen. Waar de anarchie van het onkruid heerste op het kapot geroeste en doodlopende spoor van een nooit voltooide treinlijn.

De wethouder die de komst van het pontje bepleitte, merkte op dat niemand ooit vrijwillig naar de onderwereld ging, en toch was de veerdienst over de dodenrivier de Styx, verzorgd door Charon, uiterst succesvol. "We zijn mensen", schmierde de wethouder. "Mensen willen altijd grenzen overschrijden, de oever bereiken waar het gras ondanks alles groener lijkt."

Het pontje kwam er, en of het daaraan lag weten we niet, maar in de jaren die volgden, waagden verscheidene jonge kunstenaars en andere avonturiers de oversteek. Aangetrokken door de romantiek van de zelfkant ontdekten ze de creatieve mogelijkheden van de werkloze fabriekshallen. Die deden voortaan dienst als uitzinnig grote ateliers en als expositieruimtes, er werden wilde feesten gegeven.

Al gauw beseften horecaondernemers van de Noordoever dat er geld viel te verdienen aan de overkant van de rivier. In samenspel met de lokale politiek kregen zij voor elkaar, dat de terreur van het vergunningenbeleid voortaan ook gold voor de vrijplaatsen op de Zuidoever. Het wilde imago van Zuid ging verloren, maar daar stond tegenover dat de toegankelijkheid toenam. Toen het stadsbestuur zich genoopt zag een groot aantal nieuwe arbeiderswoningen te bouwen, viel de keuze voor de locatie op de Zuidoever. Om de toekomstige forenzen tegemoet te komen, legde men een heuse tunnel aan, onder de rivier door.

In deze dagen van expansie zag op de Noordoever Ard van de Westelaken het levenslicht.

Betaalbaar, modern, ruim: de aantrekkingskracht van de woonflats in de nieuwbouwwijk op de Zuidoever was groot. Vele noorderlingen waagden het erop. Het waren de tijden waarin arbeiders zich voor het eerst een autootje konden veroorloven; de pioniers van de Zuidoever begonnen massaal gebruik te maken van de tunnel die naar het noorden voerde. Het familiebedrijf dat jarenlang de veerdienst met het pontje had verzorgd, ging failliet. Ard van de Westelaken doorliep met succes de kleuterschool.

In het oosten van het land sloten de steenkolenmijnen hun poorten. Duizenden voormalige kompels trokken naar de hoofdstad. Ze vonden werk op de Noordoever, waar de fabrieken en de grote bedrijfskantoren zaten. Banen in overvloed, maar waar moesten al die mensen wonen?

Andermaal overwoekerde een woud van bouwsteigers en hijskranen de Zuidoever. Razendsnel verrezen nieuwe wijken. Maar omdat wonen een zuidelijke, en werken een noordelijke kwestie was, slibde de verkeerstunnel onder de rivier door in een mum van tijd dicht, met name tijdens de spitsuren. Voor elke rijrichting was er slechts één rijstrook: het minste geringste ongelukje was al voldoende om het verkeer urenlang muurvast te laten staan. Ard van de Westelaken had inmiddels een klas overgeslagen en belandde al op elfjarige leeftijd op het gymnasium, gevestigd in een statig, neoklassiek gebouw in het oude centrum van het noordelijke stadsdeel.

De filevorming in de tunnel tussen Noord en Zuid liep zo uit de klauwen, dat zuiderlingen soms al op zondagavond naar de Noordoever afreisden en daar in een pension de nacht doorbrachten, opdat zij maandagochtend tijdig op hun werk konden verschijnen.

Maar zoals dat gaat zorgde de extreme drukte in en rondom de tunnel voor een compleet nieuwe economie. Straatverkopers doken de tunnel in en verkochten aan automobilisten broodjes, koffie, frisdrank, zelfs alcohol (de verkeerspolitie kneep een oogje toe, het was voor die jongens hoe dan ook moeilijk toezicht houden in zo'n overvolle ondergrondse ruimte). Prostituees maakten van de toegangswegen naar de tunnel hun tippelzone. Dan zag je zo'n dame een auto binnenkruipen en op de bijrijdersstoel plaatsnemen. Haar hoofd verdween uit beeld en tien minuten later stapte ze weer uit, zij een paar tientjes rijker, de automobilist in kwestie kortstondig iets minder gefrustreerd over zijn filepositie.

Langs op- en afritten verrezen motels voor noorderlingen die het lange wachten in de file niet konden opbrengen of volhouden en de nacht dan maar in godsnaam op de Zuidoever doorbrachten. Friettenten en cafés openden hun deuren. Op de Noordoever behaalde Ard van de Westelaken, zeventien jaar oud, cum laude zijn gymnasiumdiploma.

Aan het begin van zijn studie Ruimtelijke Ordening en Planologie meldde hij zich aan bij het grootste studentendispuut, in de hoop daar de vriendschappen te vinden die hem in zijn gymnasiumjaren nooit vergund waren geweest. Ze hadden hem altijd een streber gevonden, een akelig mannetje dat ijver boven loyaliteit verkoos, dat immer aan de kant van de docenten stond - de verkeerde kant.

Als onderdeel van de ontgroening moest Ard de tunnel in, te voet. Na elk hectometerpaaltje werd hij geacht een fles bier leeg te drinken. Stomdronken kwam hij met zijn nieuwe vrienden aan op de Zuidoever. In een van de bordelen aldaar volgde zijn eerste kennismaking met de infrastructuur van een vrouwenlichaam. Achteraf vond hij het meest mensonterende dat hij die nacht gezien had, niet de haastige, plakkerige toestand in de peeskamer, maar de aanblik in de uren daaraan voorafgaand: die kilometers lange, tweekoppige wurm van stilstaande of langzaam rijdende auto's in de tunnel.

Hoe kon zo'n mooie stad als de zijne zo'n schandvlek jaar na jaar laten voortbestaan? Terwijl de oplossingen evident waren! Althans, volgens Ard van de Westelaken.

Tijdens een bierdrinkwedstrijd van het dispuut ontmoette Ard zijn toekomstige echtgenote. Haar het hof maken pakte hij aan zoals hij zijn studie aanpakte: door grondig zijn huiswerk te doen. Hij wist te achterhalen wat haar lievelingsgerecht was (quiche lorraine), het recept zocht hij op in een kookboek en de bereiding oefende hij drie keer. Daarna nodigde hij haar uit om bij hem te komen eten. Toen ze bij hem aanbelde, stond hij klaar met een bos roze ranonkels - haar lievelingsbloemen, zo had hij van een vriendin van haar begrepen.

Nog voor ze hun studie hadden afgerond, trouwden ze. In een kerk op de Noordoever. De ouders van Ard waren helaas niet bij de plechtigheid aanwezig: een jaar eerder waren ze kort na elkaar overleden, zijn moeder aan longkanker, zijn vader van verdriet.

Ook 's nachts stonden er nu files tussen Noord en Zuid, en daarmee kwam de tunnel ook in het vizier van criminelen. Automobilisten werden in hun slaap overvallen door dieven. Verkrachters vierden de rechteloosheid. Daklozen en junks namen hun toevlucht tot de tunnel omdat het er altijd warm en nooit eenzaam was.

Ard van de Westelaken studeerde af op een verkeerskundige toepassing van de Broken Window Theory. Ordeherstel was nodig in en rondom de tunnel om de almaar erger wordende verpaupering te doorbreken. De eerste noodzakelijke stap in dat proces was een drastische verbetering van de verkeerssituatie. Op korte termijn zou de vroegere veerdienst in ere hersteld kunnen worden, met gebruikmaking van ferryboten waarop ook auto's terecht konden. Op langere termijn leek de aanleg van een tweede tunnel onvermijdelijk.

Voor het eerst in zijn carrière als modelleerling kreeg Ard een cijfer lager dan een acht. Zijn theorievorming deugde niet, zijn idealisme vond men onwetenschappelijk en de oplossingen die hij aandroeg waren financieel gezien volstrekt onhaalbaar.

Naar de baan als promovendus waar hij op gehoopt, ja, eigenlijk al een beetje op gerekend had, kon hij fluiten. Maar Ard was een doorzetter. Al snel vond hij een baan als ambtenaar bij de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer. Weg van het universitaire navelstaren. De Dienst was een plek waar hij invloed kon uitoefenen.

Maar ook hier oogstte hij weinig interesse voor zijn plannen om de problematiek rond de tunnel aan te pakken.

Ard was dertig toen hem in een droom het beeld van een enorme hangbrug verscheen, een die deed denken aan de Golden Gate Bridge in San Francisco, maar dan wit. Glanzend, stralend wit. Een iconisch bouwwerk. Misschien zou de brug na zijn dood wel naar hém vernoemd worden. Een standbeeld was ook mooi. Een standbeeld voor de man die een eenheid maakte van zijn gespleten stad.

Hij legde zijn visioen voor aan de collega's van de Dienst, tijdens een vergadering. Ze lachten hem uit. Zijn baas concludeerde nuchter: "Wij zijn geen volk van bruggenbouwers, jongen."

Jaren gingen voorbij. In de avonduren verfijnde Ard, thuis op zijn werkkamer, de plannen voor de brug. Eens in de zoveel tijd wist hij de moed op te brengen zijn ideeën, ondanks te verwachten scepsis, aan een collega of een meerdere voor te leggen. Altijd stuitte hij op weerstand.

Natuurlijk beseften de anderen dat het een ongemakkelijke situatie was, daar in die tunnel. Maar zolang de files geen ernstige economische schade veroorzaakten, was het bijzonder moeilijk om politiek draagvlak te creëren voor een zo peperduur project als Ards hangbrug. Dat begreep Ard toch zelf ook wel?

En hij wilde toch de economische voordelen van de status quo niet ontkennen? De stadsbewoners waren vindingrijk. Zo veel ondernemers die in of rondom de tunnel werkzaam waren! En Ard wist toch ook wel dat de mensen die het zich konden veroorloven, een eigen boot kochten en daarmee zelf voor een alternatieve oversteek van de rivier zorgden? Scheepsbouwers beleefden gouden tijden.

En dan de allerrijksten! Die stapten gewoon in een speciaal voor dat doeleinde afgehuurde helikopter. Ja, de helikopterverhuur, weer een afzetmarkt waarin bakken met geld verdiend werden. Dat moest je allemaal meerekenen in je politieke besluitvorming. Dat begreep Ard toch wel?

Op een dag schoot een man zichzelf door het hoofd nadat hij drieënzestig uur in de tunnel had vastgestaan met zijn auto, zonder zicht op de uitgang. Niet lang daarna reed een overspannen vrachtwagenchauffeur met zijn truck in op de personenauto's voor hem. Steeds meer weggebruikers draaiden door. Er volgden demonstraties, stakingen. In de politiek werd het nu eindelijk onrustig, maar grote besluiten bleven vooralsnog uit.

Ook in huize Van de Westelaken rommelde het. Zoals hij zijn werk bij de Dienst verrichtte - consciëntieus, plichtsgetrouw en met oog voor wat er van hem verwacht werd - zo voldeed Ard aan zijn verplichtingen als echtgenoot. Het ontbrak zijn vrouw aan niets. Een betrouwbaarder echtgenoot dan Ard kon je je niet wensen. En toch klaagde ze over zijn 'gebrek aan spontaniteit'. Ze hekelde zijn 'voorspelbaarheid'. Een jaar later heette het 'verstikkende saaiheid'. Hij kon weinig met haar klachten. Ard was een man van vele kwaliteiten, maar het onverwachte, het verrassende maakte nu eenmaal geen deel uit van zijn karakter.

De dag brak aan waarop zijn vrouw hem vertelde al een halfjaar een verhouding te hebben met de aannemer die de verbouwing van hun herenhuis onder handen had. De aannemer wist haar wel te verrassen, elke dag weer.

Ard smeekte haar om bij hem te blijven. Zij stelde dat ze nog liever meteen in haar graf ging liggen: dat zou opwindender zijn dan de rest van haar leven met hem door te brengen. Hij dreigde de aannemer wat aan te doen. Zijn vrouw lachte. Ze wist dat hij daar het karakter niet voor had. En was het niet beter zo? Nu hoefde hij nooit meer rekening met haar te houden, nu kon hij elke avond de hele avond op zijn werkkamer doorbrengen. Met zijn brug. Was dat niet wat hij werkelijk wilde?

Ard moest toegeven dat zij op dit laatste punt misschien wel een beetje gelijk had. Hij gaf zijn verzet op. Je kunt mensen nu eenmaal niet besturen, wist hij, je kunt ze hooguit in goede banen leiden. Hij had zijn vrouw niet in goede banen geleid.

De scheiding verliep degelijk en efficiënt.

De wethouder van Infrastructuur Verkeer en Vervoer bracht een werkbezoek aan het onrustige tunnelgebied. Een helikopter zette hem af op de Zuidoever. Onder veel aandacht van cameraploegen en fotografen maakte hij een wandeling langs de file die naar de ingang van de tunnel leidde. Hij schudde handen van automobilisten, ontwapende de schelders met zijn glimlach en zoete woorden. Maar zijn charme reikte niet verder dan een paar meter: vanuit de verte werd er op hem geschoten. Eén kogel miste, de andere boorde zich recht in de borstkas van de wethouder.

Hij overleefde de aanslag, maar Ard van de Westelaken zag zijn kans schoon en bracht de wethouder een bezoekje in het ziekenhuis.

Na de overhandiging van een bos bloemen namens de voltallige Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer begon Ard voorzichtig aan zijn betoog. Uiteraard had hij zijn huiswerk gedaan. Ard wist dat de wethouder een kleinzoon was van de wethouder die lang geleden de vergunning voor het inmiddels opgeheven pontje had bepleit in de gemeenteraad.

Ard had de raadsverslagen uit die tijd doorgeplozen, hij had de argumentatie van de wethouder tot zich genomen. En nu sprak hij dan tegen de kleinzoon over Charon en de Styx, hij zei: "Noem mij een rivier die niemand ooit heeft willen oversteken." En toen hij al zijn argumenten uiteen had gezet, volgde de grote finale: "We zijn mensen", zei hij, en het kostte hem moeite om niet bevangen te worden door ontroering. "Mensen willen altijd grenzen overschrijden, de oever bereiken waar het gras groener lijkt. En wie zijn wij dan om die mensen dat te misgunnen? Wij als gemeente", en hij gloeide van het feit dat hij zichzelf en de wethouder zo brutaalweg onder één noemer schaarde, "wij zouden het oversteken juist moeten faciliteren! Wij!"

Zodra de wethouder uit het ziekenhuis ontslagen was en terugkeerde naar de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer, kreeg Ard van de Westelaken eindelijk toestemming om zijn brug te laten bouwen. Dat gebeurde in hoog tempo, maar alsnog waren we vier jaar, een twintigtal tunnellevens en honderdnegenentachtig aanmeldingen bij psychiatrische inrichtingen verder toen de brug eindelijk voltooid was. Voor Ard van de Westelaken waren de jaren van de aanleg de mooiste jaren van zijn leven.

De brug was gigantisch, was prachtig om te zien en bevatte in elke richting zes rijstroken: de problemen met de bloedsomloop tussen Noord en Zuid waren voor zeker vele decennia opgelost.

Bij de opening waren de koning en de koningin aanwezig. Hare majesteit knipte een lint door, de burgemeester hield een toespraak waarin hij de naam Ard van de Westelaken tot twee keer toe liet vallen. Voor het eerst sinds de dood van zijn ouders voelde Ard tranen in zijn ogen branden. Als zij dit moment toch eens hadden kunnen meemaken, het moment waarvoor Ard op aarde leek te zijn gekomen. Zijn hele leven lang had hij hier naartoe gewerkt.

Het was even wennen, die eerste maanden na de opening van de brug. Die eerste maanden zonder allesoverheersend streven. Zijn werk bij de gemeente smaakte hem niet meer, de avonden alleen thuis bracht hij overwegend voor de televisie door. De lokale zender vertoonde vaak stadsbeelden waarop de brug te zien was, de brug die Ard heimelijk zijn brug noemde.

Zijn brug was een groot succes, een zéér groot succes zelfs. Te groot misschien wel. Automobilisten peinsden er niet over zich ooit nog in die verdoemde tunnel te wagen, waar zoveel nare herinneringen aan uren van stilstand in de bedompte lucht hingen.

De tunnel was door het intensieve, permanente gebruik dringend aan onderhoud toe, maar een gebrek aan budget en zeker aan noodzaak zorgden ervoor dat werkzaamheden uitbleven. Op sommige plekken dreigde instortingsgevaar. Op last van de gemeente werd de tunnel in beide richtingen definitief afgesloten. Zelfs de enkeling die er voorheen nog weleens doorheen had gereden, gewoon omdat het sneller was nu er geen files meer stonden, was voortaan gedwongen voor de brug te kiezen.

In het gebied rond de afgesloten tunnelingang op de Zuidoever volgden de faillissementen elkaar in hoog tempo op. Friettenten en cafés sloten hun deuren, bordeelhouders zochten hun heil op de Noordoever. Toen de gevierde man van de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer, Ard van de Westelaken, er eens op werkbezoek kwam, jouwden de laatste resterende ondernemers hem uit. Werklozen bespuugden hem.

Hij begreep de emotie. En het erge was: het waren juist deze mensen, de arbeiders, de kleine ondernemers, de hard werkende man in de straat, voor wie Ard zijn hele leven gevochten had. Het was voor deze mensen dat hij de ellende van de tunnel had willen verlichten. Zijn brug was een cadeau aan hen. Als hij ze toch eens kon laten inzien wat hij zelf wel inzag: de Grote Geschiedenis zou uitwijzen dat ook de kleine man op den duur profijt zou hebben van de enorme voordelen die de brug bood. Op dit moment was het nog even doorbijten, maar in dit leven bestonden geen probleemloze routes van A naar B. Als er iemand was die daarover kon meepraten, was het Ard van de Westelaken wel.

De vele dreigbrieven die hij ontving, bewaarde hij zorgvuldig maar hij ging er niet mee naar de politie. De enkele bedreiger die zich niet achter anonimiteit verschuilde, kon van Ard een uitgebreide repliek verwachten. Maar nooit lukte het hem zijn tegenstanders mild te stemmen, nooit lukte het hem om hen te overtuigen van zijn evidente gelijk.

Twee jaar later stierf Ard van de Westelaken aan een hartaanval. In de paperassen op zijn kantoor bij de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer trof men grondig uitgewerkte plannen aan om de tunnel te transformeren tot attractiepark. Met nepfiles, friettenten, cafés, nephoeren. De complete, authentieke, rauwe 'experience', in de woorden van Ard, die zelfs al enkele concept-persberichten had opgesteld.

De plannen belandden in de papierversnipperaar.

Bij gebrek aan duidelijke uitvaartwensen besloten de nabestaanden van Ard, dat wil zeggen: zijn ex-vrouw en haar nieuwe echtgenoot, de aannemer, om het lichaam van Ard te cremeren. Zijn as werd verstrooid vanaf de Noord-Zuidbrug.

Een tijdrovende onderneming, want je moest behoorlijk lang in de file staan voor je kon uitstappen bij het panoramapunt, halverwege de brug.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234