Dinsdag 27/07/2021

‘De Britse aristocratie had tijd om interessant te zijn’

Het gebeurt niet zo vaak dat het hoofdpersonage van een roman een huis is, een oud landhuis dan nog wel, met roestige, afhangende toegangshekken, een lekkend dak en een bordes dat onder zijn eigen gewicht in elkaar is gezakt. Maar Hundreds Hall, zoals het huis dat perfect aan bovenstaande beschrijving beantwoordt heet, is wel degelijk de protagonist in Sarah Waters’ nieuwste roman De kleine vreemdeling. Het boek speelt net na de Tweede Wereldoorlog, toen de kleine landadel het moeilijk kreeg om te overleven en ze hun landhuizen voor hun neus in puin zagen veranderen. “Ik heb altijd al van oude huizen gehouden”, zegt Waters. “Ze zetten me aan het fantaseren en hebben een stimulerende uitwerking op me. Op een bepaald moment in de geschiedenis zijn ze gebouwd en nadien zijn ze als een soort tijdmachines achtergebleven. Ik wou van Hundreds Hall een authentiek huis maken, met hier en daar een stuk van de lambrisering, gebarsten ramen en lagen stof van een paar jaar oud. Niet zo’n museum dat de National Trust uitbaat en dat historische experts van die vereniging veranderden in een nette, steriele doos. Nog voor ik begon te schrijven had ik een beeld van Hundreds Hall in mijn hoofd. Ik wist hoe het aanvoelde om in dat huis rond te lopen. Maar de Hall is natuurlijk ook een spookhuis, en zoals alle spookhuizen heeft het een aantal fantastische kenmerken. Het huis is dus net zo goed een psychologische structuur als een fysieke.”

Hundreds Hall gaat vooral ten onder aan de veranderende tijd. Uw boek speelt net na de Tweede Wereldoorlog. Hoe bepalend was die in de neergang van de hogere middenklasse die in zulke huizen woonde?

“Die hogere middenklasse had heel graag gedaan alsof er geen oorlog was geweest, maar daarvoor ontbrak het haar aan geld en personeel. In de loop van de twintigste eeuw ging de opbrengst van zulke grote, vooral op landbouw terende landgoederen langzaam achteruit. Tot in de jaren dertig was het vanzelfsprekend dat het overgrote deel van de werkende klasse in dienst ging bij een middenklassefamilie. Maar de oorlog haalde het personeel weg uit de landhuizen en stuurde het naar het leger, en na de oorlog keerde het niet meer terug. Mensen hadden toen opeens andere verwachtingen, en er waren ook meer mogelijkheden om die waar te maken. Je kon meer verdienen en veel meer vrije tijd hebben wanneer je in een fabriek ging werken. “James Lees-Milne ging in de jaren veertig in opdracht van de National Trust op zoek naar interessante landhuizen die beschermd zouden kunnen worden en raakte zo binnen in heel wat in verval geraakte familietrotsen. Als je zijn dagboeken leest, stuit je steeds weer op hetzelfde verhaal, lord en lady huppeldepup die alleen nog een oude butler hebben en voor de rest alles zelf doen in hun kasteel. Alle grote kamers zijn afgesloten en ze leven in de kelder, waar ze hun eigen eten klaarmaken in de gigantische keuken. “Niet dat ik veel sympathie heb voor die bevoorrechte klasse, maar je kunt er niet omheen dat ze na de oorlog heel wat verloren hebben. Geld, personeel en status, maar ook hun functie. Zij waren niet meer noodzakelijk om het platteland draaiende te houden en daarom waren er veel die Groot-Brittannië opgaven en naar Zuid-Afrika of Canada verhuisden, waar ze hoopten nog wel traditionele waarden te treffen. In feite beseften ze dat hun tijdperk afgelopen was. De conservatieveren onder hen waren niet te spreken over wat er met het land en het rijk gebeurde. Zij voelden zich vooral bedreigd door het moderne Groot-Brittannië. Deels terecht natuurlijk.”

Vooral de Labourregering onder Clement Attlee vormde volgens hen de grootste bedreiging. Was dat zo?

“Je kunt je inderdaad de vraag stellen of die ene socialistische regering wel zoveel veranderd heeft. Bij de volgende verkiezingen werd ze weggestemd en kwamen de Conservatieven weer aan de macht, en zij konden ook niet veel doen aan de veranderende tijden. De Labourperiode was dus van korte duur, maar ik denk dat niet de regering, maar eerder waar ze voor stond, zo angstaanjagend was voor de hogere middenklasse. “Het was verrassend dat Winston Churchill, de man die Groot-Brittannië een overwinning had bezorgd, meteen na de oorlog de verkiezingen verloor. Hij stond voor het verleden, en het volk wou vooruit. De nieuwe regering was socialistisch en verdedigde de belangen van de stedelijke arbeiders, wat voor de lage landadel een nachtmerrie was. Zij stond helemaal niet aan hun kant.”

En toen doken de nouveaux riches op, die met hun vele geld de oude landhuizen opkochten.

“Dat hebben we altijd gekend in Groot-Brittannië. Er zijn altijd nieuwe rijken geweest die zich naar de top bewogen en uiteindelijk de oude aristocraten werden. Eind jaren veertig zag je dat de middenklasse die zich aan de oorlog en de wederopbouw verrijkt had landhuizen opkocht om er in de zomer in te wonen. “Zij hadden een heel andere mentaliteit dan de lagere landadel. Hun link met grond en landschap was praktisch onbestaande. En zij deden de moeite niet om zich in de landelijke gemeenschappen in te passen, wat een groot verschil bleek met de oude elite die al generaties lang in dezelfde dorpen woonde en heel erg verbonden geraakt was met de mensen. “Zij waren steeds werkgevers geweest, een belangrijk deel van de lokale economie. De nieuwe rijken trokken zich van al die rechten en verplichtingen niets aan.”

Klasse speelt in uw romans een grote rol. Net als in de hele Britse samenleving, lijkt me.

“Ja, en het interessante is dat die klasse als een tweesnijdend zwaard werkt. Enerzijds vormt ze een manier om je te distantiëren van het gewone volk, maar zodra je tot een bepaalde klasse behoort, werkt die ook als een gevangenis. Je kunt niet meer doen wat je wilt, dient aan bepaalde verwachtingspatronen te voldoen en het is moeilijk om aan je klasse te ontsnappen. “Mijn personage dokter Faraday is het toch gelukt. Hij heeft zich opgewerkt tot huisvriend van de Ayres, maar daardoor is hij ook tussen wal en schip beland. Hij heeft zijn afkomst verloochend en zal daardoor altijd verdacht blijven in zijn oude omgeving. Tot de lagere landadel zal hij echter ook nooit kunnen behoren. Die tolereert hem wel, maar ook niet meer dan dat. “Klasse is dus iets akeligs, maar ook iets wat schrijvers enorm aantrekt omdat het hen in staat stelt om hun karakters persoonlijkheid en diepte te geven.”

Dokter Faraday is heel bezorgd over de nakende invoering van de National Health Service (NHS), de gratis ziekteverzekering voor iedereen. Waarom zagen de toenmalige dokters dat niet als een buitenkans? Opeens hadden ze toch veel meer patiënten?

“De meeste huisartsen waren radicaal tegen de NHS, niet omdat ze gekant waren tegen een ziekenzorg voor iedereen, maar het veranderde wel iets aan hun praktijk. Voor de invoering van de NHS waren dokters immers zakenlui die in concurrentie met beroepsgenoten gingen voor klanten. Wanneer je goed was en veel privépatiënten had, kon je rijk worden, en dat zou volgens velen voorgoed gedaan zijn onder de NHS. Daardoor zou je als arts niet zelf meer kunnen bepalen wat je honorarium was, maar zou je je aan vastgelegde barema’s moeten houden. Achteraf bleek het wel mee te vallen, en was er ook naast de NHS nog plaats voor privégeneeskunde, maar de geruchtenmolen draaide.”

Uw liefde voor Caroline en voor Hundreds Hall is duidelijk. Soms lijkt het alsof u betreurt dat er met de oorlog een klasse verdwenen is.

“De Britse aristocratie stond altijd garant voor een grote tolerantie tegenover excentriciteit. In feite zijn het vrij aantrekkelijke lui omdat ze de tijd en de ruimte hebben om excentriek en interessant te worden. Het is jammer dat dit vandaag steeds minder kan, vind ik. We lijken nu allemaal veel meer op elkaar. Ik probeerde echter angstvallig om van mijn roman geen tweede Brideshead Revisited te maken, wat enerzijds een fantastisch boek is, maar waar het snobisme anderzijds zo van afdruipt. Het beschrijft de moderne tijd als één en al middelmatigheid, wat ik niet wou benadrukken. “Maar ik voelde toch dat het na een tijdje moeilijk werd om dat vol te houden. Mijn personages zijn immers zo nauw verstrengeld met het aan verval bezwijkende Hundreds Hall. Vandaar dat de dienstmeid Betty op het einde van het boek beter af is dan in het begin. Zij lijkt verder te kunnen gaan met leven, wat voor de anderen niet geldt. “Over het tijdperk van Betty heb ik het echter niet, wat ik uiteindelijk toch een beetje betreur. Het schrijven van dit boek confronteerde me immers met mijn eigen afkomst. Mijn grootvader was nog in dienst bij een rijke familie. Mijn ouders gingen al naar de middelbare school en konden zich hun eigen sociale woning veroorloven. En ik was de eerste die naar de universiteit trok. Wij zijn het toonbeeld van de sociale mobiliteit die de werkende klasse de voorbije halve eeuw heeft ondergaan. Het tijdperk van het sullige Brideshead-personage Hooper heeft uiteindelijk tot mij geleid, en dat vind ik een positief verhaal. Alleen had ik in De kleine vreemdeling geen plaats om het te vertellen. Misschien moet ik dus maar eens een positieve roman schrijven over de sociale veranderingen die de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte.”

(°1966, Neyland, Wales)

Waters studeerde Engelse letteren en schreef een doctoraat over de manier waarop in de victoriaanse literatuur omgesprongen werd met homoseksuele en lesbische liefde. Haar bevindingen gebruikte ze bij het schrijven van de historische roman Tipping the Velvet (Fluwelen begeerte), die in 1998 verscheen. Later volgden nog Affinity (Affiniteit) en Fingersmith (Vingervlug), die in dezelfde lijn lagen.

Drie jaar geleden kwam dan The Night Watch (De nachtwacht), wat een breuk betekende met dit inmiddels voor Waters’ lezers vertrouwde milieu, aangezien dit boek tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde. Haar recentste, The Little Stranger (De kleine vreemdeling), speelt net na die oorlog en bevat voor het eerst geen lesbische personages.

Waters is zowat de meest bekroonde Britse auteur van het voorbije decennium. Haar eerste drie romans zijn bewerkt tot tv-series en aan de adaptatie van de vierde wordt momenteel gewerkt. (mv)

‘De kleine vreemdeling’

Wanneer dokter Faraday niet lang na de Tweede Wereldoorlog naar het landgoed van de familie Ayres geroepen wordt omdat de meid Betty zich niet lekker voelt, weet hij niet wat hij meemaakt. Het prachtige Hundreds Hall, waar hij als kind een keertje op bezoek is geweest en dat hij nadien nooit meer heeft kunnen vergeten, blijkt danig vervallen, en volgens Betty spookt het er zelfs. Faraday komt in contact met de oude mevrouw Ayres en haar twee nog altijd thuis wonende kinderen: de tijdens de oorlog gewond geraakte Roderick en diens potige zus Caroline. Geleidelijk aan wordt Faraday een vriend van de familie en zo maakt hij van dichtbij mee hoe het met de Ayres en het huis van kwaad naar erger gaat. De trouwe hond Gyp dient afgemaakt omdat hij het dochtertje van de nouveauxrichesburen zwaar heeft verwond, Roderick belandt in een psychiatrische instelling, en uiteindelijk pleegt de vrouw des huizes zelfmoord. Dat alles, zo wordt gefluisterd, is de schuld van Hundreds Hall, dat tot leven lijkt te komen en het bestaan van zijn bewoners meer dan lastig poogt te maken. Al denkt de nuchtere Faraday er natuurlijk het zijne van. Wellicht, zo oppert hij, is de familie Ayres niet het slachtoffer van een kwelgeest, maar van de veranderende tijd die maakt dat ze zienderogen verarmt, het onderhoud van het landhuis niet meer kan betalen en zelfs moet overgaan tot het verkopen van een stuk van de tuin, waarbij de tuinmuur afgebroken en gerecycleerd wordt in de fundamenten van de sociale woningen die in de plaats komen. Misschien kan hij Caroline nog redden, maalt Faraday verder, door met haar te trouwen en zelf de heer van Hundreds Hall te worden.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234