Vrijdag 18/10/2019

De bouwwerf die Congo heet

Congo heeft eindelijk een regering. Daarmee is de democratisering niet klaar, maar pas begonnen. David Van Reybrouck verzorgde net een workshop voor theaterauteurs in Kinshasa. Zij schreven korte monologen aan het adres van papa Albert, onze koning. 'We moeten hardop zeggen wat de mensen in stilte beleven.'

Tekst en foto's David Van Reybrouck

Er lijkt wel degelijk iets veranderd. Voor de vijfde maal land ik op N'Djili, de ellendigste luchthaven ter wereld, de beste van Congo, en voor de eerste maal verloopt het dedouaneren min of meer ordentelijk: er zijn loketten in plaats van dranghekken en er is zowaar een bagagescanner. Ik word nu al nostalgisch naar de tijd dat een batterij douaniers met strenge blik mijn ondergoed stond te palperen en zeer achterdochtig dat curieuze voorwerp bekeek waarvan ik telkens moest uitleggen dat het een zwembrilletje was.

Of die lichte vooruitgang het resultaat is van de voorzichtige heropstanding van het land, dan wel van de roofzuchtige verovering door de vrije markt weet ik niet zo gauw. Maar ik zie wel dat de pas opgefriste inkomhal tjokvol hangt met reclames van Vodacom, een van de machtigste gsm-operatoren in zwart Afrika. Buitenlandse multinationals krijgen sneller greep op de puinhoop genaamd Congo dan binnenlandse machthebbers. Terwijl na drie jaar moeizaam overgangsbewind president Kabila en kersvers premier Gizenga maanden sleutelden aan een nieuwe regering, nemen meedogenloze bedrijven een aantal overheidstaken vlotjes over.

Ook het hotel geeft blijk van een zorgwekkende progressie. Voor de eerste maal logeer ik niet in een deprimerende bunker gerund door een stel harkerige Libanezen of in een mottig hok vol betonrot, roestbruin water, met airco, maar zonder stroom. Nee, dit keer zijn we gehuisvest in een fris, nieuw hotelletje met Congolese eigenaars. De douche doet het, de airco doet en als ze het niet vergeten, ligt er zelfs een verse handdoek. Hoe kan dat nu? Dit land was toch bankroet?

De wc-pot geeft tekst en uitleg. Die is namelijk van het merk Aomeikang, geen peperdure Allibert of Geberit, maar hoogwaardig schijtporselein van Chinese makelij. De lavabo heet Meijiale, het deurslot Heng Feng en het brandalarm (ja, dat is er, al zit het stopcontact niet in) werd vervaardigd bij Hefei Chenmeng Fire Equipment Co., Ltd., ergens diep in de grote Volksrepubliek. Dat China de Afrikaanse markt overspoelt met betaalbare goederen komt de Congolese horeca, naast vele andere sectoren, beslist ten goede, maar het overaanbod is soms verpletterend. Oké, qua sanitair bestond er geen echte Bantoetraditie, maar lokale weverijtjes bezwijken wel onder de massale import van Chinees textiel. En plaatselijke bouwvakkers kijken werkloos toe hoe de Chinezen gaan lopen met alle grote bouwprojecten. Over hoe China met plaatselijke machthebbers deals bedisselt inzake ertsen en aardolie zwijgen we dan nog.

Genoeg gezaagd. Ik kruip in mijn nest van behaaglijk wit katoen waarvan ik even niet wil weten of het door gele dan wel zwarte vingertjes werd geweven. In bed haalt de hedonist het vaker van de moralist.

De Koninklijke Vlaamse Schouwburg toert door Kinshasa met het stuk Gembloux. In het kielzog daarvan zijn er workshops voor dansers, acteurs en auteurs. Ze worden gegeven door Thomas Steyaert, Dirk Verstockt en Johan Dehollander, volk dat zijn sporen verdiende bij Ultima Vez, nOna en de Enthousiasten. David Bovée van Think of One en Fabrizio Cassols van Aka Moon werken diep in de cité met plaatselijke muzikanten en hiphoppers.

Ik begeleid een 'atelier de formation' met twaalf theaterauteurs en krijg daarbij de steun van Vincent Lombume Kalimasi, een oudere man die als twee druppels water op Morgan Freeman gelijkt en pas twee jaar geleden debuteerde. Zijn fascinerende schrijven is een stream of consciousness die doet denken aan Ivo Michiels en C.C. Krijgelmans bij ons. En net zoals Het boek alfa er beter in slaagde om de waanzin van de oorlog weer te geven dan eender welke traditionele roman, zo slaagt het onrustige Un bus nommé Kin-la-Belle er beter in het onbeschrijflijke Kinshasa nauwkeurig te beschrijven.

We hebben onderdak gekregen in de zeer keurige Prins van Luikschool, een Vlaams schooltje met 38 leerlingen waarvan het overgrote deel blanke ouders of op zijn minst een blanke vader heeft. Mijn workshop wordt gehouden in 'de bibliotheek', een klaslokaal waar de ruggen van Conscience, Streuvels en André Demedts ons zwijgzaam aankijken.

De deelnemers druppelen binnen. Allen mannen, allen tussen de vijfentwintig en de vijfendertig. Cajou, twee meter mens met korte dreadlocks, de kale Tshitshi, wiens echte naam ooit Israel was, Junior met zijn Lumumbabril, Rex met zijn ringbaardje, Larousse met zijn hese stem (een rapper, zo blijkt algauw). Als ik hen bij wijze van rondvraag laat vertellen wat hun verwachtingen zijn breekt de hel los. De zeer welbespraakte Tshitshi provoceert met te zeggen dat Congolese gezelschappen liever buitenlanders als Sartre of Koltès spelen omdat hun eigen teksten te traditioneel zijn. Dat had hij niet moeten doen. Nee, juist wel. Want het tropische onweer dat nu losbarst, is de moeite waard.

"We hebben meer hedendaags theater nodig!", bliksemt de één.

"Nee, geëngageerd theater!", dondert een ander. Retoriek rommelt na.

"Ik geloof nog steeds in het klassieke stuk, met bedrijven, regieaanwijzingen en intriges", motregent een derde. De donder onderbreekt hem. "Ik hou nooit rekening met het publiek, nooit, ik schrijf voor mezelf!"

Als vervolgens de slagregen uit alle richtingen komt, de bliksem voortdurend inslaat, de woorden uit de dakgoten gutsen en mensen zelfs rechtop gaan staan om beter naar elkaar te kunnen wijzen en schreeuwen, begin ik me een beeld te vormen van de moeizame regeringsonderhandelingen in dit land.

Na afloop slaat iedereen elkaar op de schouder, schatert iedereen van het lachen en weet iedereen dat het morgen van 't zelfde zal zijn.

Dag twee. Ik ben benieuwd naar de teksten. Gisterenmiddag ging het om manieren om geloofwaardige personages te creëren. Ik vroeg hen thuis een monoloogje te schrijven van een halve pagina. Maar mijn nieuwsgierigheid is voorbarig. "Sorry", zeggen Pathou en Camile als ze binnenkomen, "ik heb er niet kunnen aan werken. Het was donker toen we thuiskwamen en er was een stroompanne in onze buurt." Daar had ik niet aan gedacht. Cajou had wel stroom, maar geen rust. Hij zegt dat hij alleen woont, dat wil zeggen: hij huurt een kamer van drie bij vier temidden een parcelle vol joelende kinderen en kokende mama's, het is er nooit stil. Hij zal elke dag vroeg komen om maximaal van de rust te profiteren en als iedereen naar huis is, zit hij nog te schrijven. Deemoed bij zoveel enthousiasme.

Een Antwerpenaar die al jaren in Kinshasa woont, zegt tegen me: "Nu moet ik u toch iets vragen, zie."

"Gaat uw gang", zeg ik.

"Ik zie dat er geen prijs vermeld staat op jullie affiche van Gembloux."

"Nee... ik geloof dat dat heel bewust was."

"Maar, dat is een héél zware fout!"

"Hoe bedoelt u?"

"Ach man, daar zullen honderden en honderden Congolezen op afkomen!"

De Brusselse acteurs van Marokkaanse origine Sam Touzani en Ben Hamidou spelen de zalen plat. In de openluchttheatertjes van de cité joelen de kindjes en slaan volwassenen zich op de dijen. In de sjiekere ruimtes van het Centre Wallonie-Bruxelles en Centre culturel français gaat het er rustiger aan toe: niemand loopt binnen of buiten, niemand belt met zijn gsm. Na afloop van een opvoering belanden we in een nachtclub waarvan de airco zo hard staat dat we ons in Lapland wanen. Een paar mooie meisjes komen naast ons zitten, ze zien er geen zeventien uit. Hun openingsregel is steevast: 'Achète-moi un sucré!' Op een frisdrankje trakteren? Prostitutie begint hier met een Fanta. Liegen dat we getrouwd zijn, helpt niet. Volharden dat we homo of priester zijn, maakt weinig indruk. Het enige wat werkt, is de bewering dat we la maladie hebben, de grote ziekte met de kleine naam. Dan gaan ze sms'en.

Inmiddels is buiten het noodweer losgebarsten. Het was al dagen verstikkend heet, plakkerig warm, zelfs de deelnemers aan de workshop klaagden erover. Nu komt de verlossende regen met scheepsliften naar beneden. Il pleut des cordes, zegt men in het Frans, hier zijn het staalkabels. Boompjes zwiepen, straten worden stromen, er is geen ander geluid dan dat van ruisend water. Zo woest, zo totaal - een ongeziene schoonheid.

In de workshop gaat het over het geplande bezoek van koning Albert, van de moralistische kramp van de sp.a hebben wij nog geen weet. De meesten vinden het een geweldig idee, al vraagt Tshitshi zich af of het meer dan alleen maar steun aan Kabila zal betekenen. "Hij is en blijft toch de kandidaat van het Westen, onze overheid plundert ons en de internationale gemeenschap doet daaraan mee. Nu steunen ze opnieuw de foute kant." Politiek houdt hem wel bezig. Hij zegt dat hij een toneelstuk plant dat zich in het hiernamaals afspeelt. Lumumba, Mobutu en vader Kabila zouden met elkaar bakkeleien over de vraag wie het meest verantwoordelijk is voor alle miserie.

"Ach, het is ook onze eigen fout", oppert de kalme Willy. "Is de onafhankelijkheid te vroeg, te laat of net op tijd gekomen? Ik weet het niet. In ieder geval zijn de Congolezen er niet in geslaagd hun eigen cultuur te laten gelden."

Didace treedt hem bij. "We hebben onszelf laten exploiteren, wij zijn medeverantwoordelijk. Dat liedje van die of die heeft het gedaan, hoe lang gaan we dat eigenlijk nog zingen?"

Heel wat hoofden rond de tafel knikken. Het valt me op hoezeer deze mensen de hand in eigen boezem durven steken. In een stad met zoveel miserie, in een democratie die nog zo pril is, in een land dat door het buitenland ofwel geplunderd ofwel verwaarloosd werd, nu al het vermogen hebben tot oprechte zelfkritiek getuigt echt wel van moed. In Congo heb ik wel vaker de indruk dat het volk rijper en waardiger over politiek nadenkt dan de politici zelf.

Cajou veert op vanachter zijn manuscript. Hij wil ook iets zeggen. "Kijk, misschien waren we niet competent genoeg om onze eigen boontjes te doppen. Vandaag vragen we niet dat België opnieuw het voortouw neemt, dat kan jullie land ook niet meer, maar we verlangen wel naar een nouveau parténariat."

Zoals gebruikelijk heeft papa Vincent aandachtig geluisterd naar het gekrakeel, nu neemt hij ter afsluiting het woord. Iedereen luistert als hij spreekt, ik noteer zijn woorden. "Het is aan ons om onszelf te bekrachtigen. Alles is al uitgevonden, wat kunnen wij nog uitvinden? Welnu, mes chers amis, onze dromen. We moeten onze eigen dromen creëren, niet tegen de ander, maar met de grootst mogelijke openheid tegenover de ander."

Na de pauze zijn ze eruit. We gaan over dat koningsbezoek schrijven, klinkt het. We gaan het hebben over de dromen van de Congolezen. Ik had gesuggereerd dat ze een speech voor Albert of Kabila konden schrijven, maar daar hebben ze geen zin in. Het moet om de armen gaan, de sukkelaars, zij die dag in, dag uit knokken. Kinshasa is een complexe, permanent muterende miljoenenstad waar het leven elke dag heruitgevonden wordt. Het hoofdkenmerk van die kinoisité is het débrouillardisme, de plantrekkerij. 'Il faut dire tout haut ce que les gens vivent tout bas.' Hardop zeggen wat er in stilte leeft.

Op het schoolbord verschijnt een lijstje. De taxichauffeur, de vuilnisraper met zijn pousse-pousse, de hoer, het straatkind, de werkloze, de gevangene, de maniokverkoopster. Moeiteloos jagen we er een paar krijtjes door.

Als we aan de slag gaan, kost het velen moeite om af te stappen van hun gebruikelijke, plechtstatige Frans. Het is en blijft de hoofse taal, de taal van de overheid, het onderwijs en de kansel. Personages praten in volzinnen, argumenteren met zorg, lichten hun handelingen toe. In een orale cultuur hoort elke geschreven zin een diepe, morele wijsheid te herbergen ('On ne joue pas avec la confiance, ma fille!'). Dat je spreektaal ook mag neerschrijven met herhalen, haperen en stotteren, dat een personage dwaasheden mag verkopen, dat een monoloog geen sermoen is, het blijkt voor velen een bevrijding waar ze zich slechts schoorvoetend aan wagen. Na afloop zegt Junior: "Ik ga al mijn teksten herschrijven. Ze zijn allemaal dood."

Teksten worden voorgelezen en becommentarieerd. Kritiek, gelach, applaus. Dan gaat eenieder weer in stilte aan het werk. De rastaman die op zijn balpen kauwt, de intellectueel die zijn sigaret afklopt, de rapper die zijn lettergrepen telt. Dierbare momenten.

Papa Vincent: "Tshitshi, mon fils, hoe kun je nu schrijven dat een visa voor België een mirakel Gods is?"

Tshitshi: "Erger zelfs, het is een vorm van genade, zeg ik!"

Papa Vincent: "Maar de zwarte mag toch niet vluchten? We moeten hier onze dromen uitbouwen, hier moeten we vechten. Jongeren moeten reizen, akkoord, maar daarna moeten ze terugkeren."

Tshitshi: "Maar dat is precies wat ik zélf gedaan heb. Iedereen verklaarde me voor zot toen ik terugkwam uit België."

Papa Vincent: "Maar zeg dat dan! Jij bent schrijver. Het land is een bouwwerf, fysisch en spiritueel. Zeg het. We moeten leren in onszelf te geloven. Rousseau en Voltaire hebben hun dromen beschreven. De Franse revolutie hebben ze niet meer meegemaakt, maar ze is er wel gekomen!"

De nieuwe generatie. Eric uit de spelersworkshop komt naar me toe, ik ken hem al anderhalf jaar en mag hem wel. 'Dimanche, je suis devenu papa!' Hij straalt nog feller dan anders. Of ik niet op kraambezoek wil komen. Het is niet mijn geliefde hobby, maar Johan Dehollander gaat mee. We rijden naar de Maternité de Kitambo, een van de grootste kraamklinieken van Kinshasa. De gevel van het gebouw is onlangs herschilderd. In het oranje. We gaan binnen. Overal slapende familieleden op de vloer, hier en daar een plasje (bloed, regen, drek?) met zwermen vliegen erop. Tientallen ogen staren ons aan. Blanken? Hier? Vanwege de hygiëne mogen we niet op de kamer. Nochtans zijn er geen ramen. Vliegen brommen af en aan. Plots mogen we toch binnen. Een grote ruimte met twintig bedden. Op elk ervan een moeder met een baby. Niet eentje weent: de borst is altijd in de buurt. De toekomst van Congo begint hier. Eric leidt ons mee. Zijn vrouw staat rechtop en begroet ons timide. Op de gore matras ligt een manneke. Eli, drie dagen oud. Hij is de jongste Congolees die ik ooit zag. Johan wrijft met zijn wijsvinger over het wangetje. Ik durf het plots ook. Dag ventje, denk ik als ik het velletje voel, het land is een bouwwerf, maar ze zijn ermee bezig.

Vincent Lombumes novelle Een bus genaamd Kin-la-Belle verscheen in De gesproken stad: gesprekken over Kinshasa van Filip De Boek en Koen Van Synghel (2005).

De maniokverkoopster

Junior Tshiteya

Papa Albert oyé! Papa Albert en Maman Albertine, de Association Congolaise des Maman Bipupula de Ndolo Libongo pour un Développement Intégrale, afgekort de ACOMABPDI, heet je van harte welkom in Congo. Papa, wij willen niet veel van je tijd verliezen. Al wat we willen vragen is of je aan je vriend Kabila kunt zeggen dat hij de lonen van onze mannen betaalt. Papa Albert, onze mannen doen niets thuis, ze zeggen dat we op de blanken moeten wachten, terwijl wij sukkelen om manioc te verkopen, met alle risico's in het verkeer, opdat de kinderen zouden eten. Papa, we werken de hele dag en 's avonds zeggen ze ons: kom hier, we gaan kinderen maken. En juist daarom zijn er zoveel straatkinderen. Om kort te zijn, papa: geef werk aan onze mannen, dan gaan zij de hele dag werken en wij de hele nacht. Merci.

De taxichauffeur

Israel 'Tshitshi' Tshipamba

Koning, mijn auto hier is geweldig! Wat een occasie, recht uit Europa! Maar ze valt uiteen! Te veel putten in plaats van wegen. En ik betaal mijn vignet, mijn verzekering en al de verkeersovertredingen die ze hier telkens uitvinden om mij te pluimen. Verschrikkelijk! Foute boel! Zo gaat dat niet! Neem mij naar Europa, desnoods in je valies. Dat ik België zie, chef, mboka oyo epola, het land is kapot. Niets werkt. Toteka yango, laat ons de boel verkopen en het geld verdelen en dan gaan we elk naar onze mand.

De pousse-pousseur (jongen met stootkar)

Vincent Lombume

- Heu... de koning der... der wie?

- Der Belgen!

- Hé... koning der Bleggen, ik, pousse-pousseur, stapels en stapels vuil, als ginder, zij klaar zijn met feesten, in Binza (wijk waar Kabila woont), dan zij roepen: "Hé, Kasongo, kom, draag vuil weg en gooi waar jij wil, rivieren, wijken, de Congostroom, maar ver, ver...", dan ik pousse-pousse volladen, stapels en stapels vuil, dan zij geven mij veel geld... Koning der Bleggen, geef Kabila veel veel geld. Dan hij en ministers vieren veel feest en roepen: 'Vive pays!' en maken stapels en stapels vuil, rivieren, wijken, stroom, maar zee ver ver weg... Dan, zij roepen mij: 'Kasongo, draag vuil weg!', en zij geven mij veel geld... Voilà, koning der Bleggen... Blijf lang; dan zij feesten veel en stapels stapels vuil, en Kasongo veel geld en bier drinken zonder eten bij Mama Zouani...

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234