Dinsdag 16/08/2022

De bloedzweer van de wereld

'Ik vind de oorlog héérlijk,' schreef de jonge Britse kapitein Julian Grenfell in oktober 1914 aan zijn familie. 'Het is net een grote picknick, maar dan zonder de doelloosheid van een picknick.' Die naïeve zucht naar avontuur dreef duizenden jongemannen gewillig de modderige loopgraven van de Eerste Wereldoorlog in. Maar net als de stoutmoedige kapitein van de eerste Royal Dragoons, stootten ze enkele maanden later op een allesbehalve romantische muur van lood.

Jean-Paul Mulders / Foto Stephan Vanfleteren

Bijna tachtig jaar na de wapenstilstand van 1918 schetst een nieuw museum in de Ieperse Lakenhallen een pakkend beeld van de oorlogsgruwel van toen. Het museum heeft zo'n 120 miljoen gekost en werd 'In Flanders Fields' gedoopt, naar de aanhef van het beroemde gedicht van de Canadese frontdokter John McCrae. Het werpt een verhelderend licht op de psyche van de soldaten, en verklaart hoe Grenfell ertoe kwam dergelijke waanzin neer te schrijven. Meteen wordt duidelijk dat de toentertijd zevenentwintigjarige Brit geen gedrogeerde loopgravengek was, zoals het citaat misschien laat vermoeden. Net als zoveel anderen was hij gewoon een onverschrokken soldaat, die dacht dat de oorlog de goede zaak diende en één groot avontuur was. "Grenfells dood kan model staan voor de dood van een hele generatie jonge, moderne ridders," zegt museumcoördinator Piet Chielens. "De heroïek was er in public schools en colleges in gepompt. Ze kwamen overmoedig op het slagveld aan, doordrongen van vaderlandsliefde. Veel van die gesneuvelde officieren van 1915 zouden de groten van hun generatie zijn geworden. Ze waren upper class, aristocratisch, witty en sportief. En bijna zonder uitzondering literair actief, of toch tenminste literair geïnteresseerd."

Een picknick dus. Wapenrustingen uit die tijd ademden inderdaad de geest uit van een maaltijd in de open lucht. Zo droegen de Fransen een uniform in klaprozenrood en korenbloemblauw dat sinds 1870 nauwelijks was veranderd. Als hun cavalerie optrok, blonken de metalen borstplaten in de zon. Britse cavaleristen speelden dan weer polo terwijl ze wachtten op een kans om door een bres in de vijandelijke linie aan te vallen. Officieren van beide kampen droegen sabels en degens en hadden sierlijke berenmutsen en helmen met paardenhaar op, die veeleer bij een militaire parade pasten dan bij de hel van de Salient - zoals het front bij Ieper werd genoemd. Tekenend voor het flegma van de Engelsen is dan weer het theestel van hun opperbevelhebber Douglas Haig, dat ook in het museum te zien is. "Laat het dan oorlog zijn," moeten ze gedacht hebben, "ons thee-uurtje laten we er niet door bederven."

Ook de godsdienst droeg haar steentje bij tot de doodsverachting. "Vreest niet voor hen die het lichaam doden," lees je in Orate Fratres. Klein gebedenboek ten gebruike der soldaten van het Belgisch leger te velde. De Duitsers hadden dan weer 'Gott mit uns' als leuze. Een godswezen dat van kamp verandert als een dolgedraaide windhaan: het illustreert treffend de boosaardigheid van de oorlog.

"Ridderlijkheid en gebedenboekjes waren niet erg bruikbaar in de kille werkelijkheid van die eerste moderne, geïndustrialiseerde oorlog waarin ze terechtkwamen," zegt Piet Chielens. "Wapens waren belangrijker geworden dan mensen. Drie mannen met een mitrailleur konden opeens een heel bataljon helden tegenhouden. Ook hun militaire strategie stamde nog uit de vorige eeuw. In theorie zag het er allemaal keurig uit: eerst bombardeer je het hele zaakje plat, dan laat je de infanterie erop los en vervolgens stuur je de cavalerie om de klus af te maken. Maar in de praktijk werkte dat niet. Het gebruik van enorme hoeveelheden prikkeldraad heeft alles doen verzanden in het geploeter van de loopgraven. Niet dat ze niet probeerden op te rukken! Ze vielen elkaar aan met vlammenwerpers en bommen, met tanks en handgranaten. Ze groeven gangen onder de vijandelijke stellingen en vulden die met zware explosieven. Ze bestookten elkaar met wel twaalf verschillende soorten gas. Maar alles zat moervast. Geen van de legers raakte nog een meter vooruit."

"Ik vrees dat alle cavalerietradities voorgoed zijn verdwenen. Wij zijn doodgewone infanteristen te paard geworden en van dat paard valt niet eens veel te merken. Onze mannen zien er lachwekkend uit wanneer ze voortsukkelen met spaden en andere werktuigen op hun rug. En te paard lijken ze nog belachelijker: beladen met een lans, een zwaard, geweer, spade en houweel ziet een man eruit als een egel."

(Brief van Francis Grenfell, Lieutenant 9th Lancers, 21 oktober 1914)

Het nieuwe museum mocht niet de zoveelste tentoonstelling worden van lange rijen sabels en geweren, bajonetten en loopgravenknuppels. "Natuurlijk zijn de obligate panelen en kijkkastjes er wel," zegt Chielens, "maar tegelijk heeft het museum iets weg van een toneelstuk. De bezoeker hoeft niet onderuitgezakt toe te kijken maar kan zelf over het toneel wandelen. Net als bij een toneelstuk steekt er een scenario achter dit museum, met scènes en nevenplots. Film- en diamontages, klankdecors en lichteffecten moeten de verbeelding van de kijker prikkelen.

"Omdat ze zulke sublieme vertolkers van menselijke gevoelens zijn, hebben we heel wat kunstwerken uit de oorlogstijd gebruikt: grafisch werk, poëzie en proza van ooggetuigen die later vaak belangrijke kunstenaars zijn geworden. De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline bijvoorbeeld, die in 1914 in Poelkapelle voor vijfenzeventig procent invalide werd. Of kunstschilder Maurice Lagaskens, die meer dan drie jaar lang krijgsgevangen was in Göttingen. Maar nog sprekender haast vind ik de dilettantische trench art: artefacten die de soldaten in de loopgraven uit pure verveling ineenknutselden. Zoals dit tankje, gemaakt van knopen en granaathulzen. Een Britse soldaat stak het in elkaar als cadeautje voor zijn lief in Engeland."

"Eigenlijk is dit geen museum over de Eerste Wereldoorlog, maar een museum over emotie," valt designer David Gosling hem bij. "We willen dat de bezoekers onder de indruk zijn als ze hier buitenkomen. Dat ze blijven nadenken over wat ze hebben gezien en dat ze erover praten." Gosling werkt voor Event Communications, het grote Britse ontwerpbureau voor musea en tentoonstellingen dat voor het Ieperse museum werd ingehuurd. Zijn emotionele betrokkenheid bij dit onderwerp is groot, want zijn eigen grootvader sneuvelde destijds in de Westhoek. "Ieper was mijn eerste reis naar het vasteland. Ik was twaalf toen ik samen met mijn oma zijn graf ging bezoeken. Daarna gingen we ontbijten op de markt van het stadje."

Met 120.000 bezoekers per jaar wil het museum een ruim publiek aanspreken. Belangrijkste doelgroep zijn de middelbare scholen. Om zowel specialisten als toevallige passanten te boeien werd gekozen voor een gelaagde structuur. Zo kan elke bezoeker zijn eigen museum samenstellen. Je kunt de ruimten in een halfuurtje doorlopen en dan mijmerend in een plaatselijke afspanning een trappist van Westvleteren gaan nuttigen, maar je kunt ook een halve dag in het museum zoekmaken. Wie zich bijvoorbeeld aan het interactieve parcours waagt, maakt kennis met het belang van duiven en kanaries aan het front en met het wufte leventje in Poperinge, het uitgaanscentrum van de Britse sector (net niet buiten het bereik van de kanonnen, zodat een bordje aan het gemeentehuis aangaf of de wind 'safe' of 'dangerous' zat voor een eventuele gasaanval).

De interactieve kiosken rafelen verder de historische context van de oorlog uit, volgen de troepenbewegingen en belichten het dagelijks leven aan het front. Ook de luizen- en rattenplaag in de loopgraven en de wonden en ziekten die de soldaten teisterden, komen aan bod. Om een jong publiek aan te spreken koos men als bindmiddel voor strips van vier verschillende tekenaars.

Een stoet van staatsieportretten is In Flanders Fields gelukkig niet geworden. De ervaringen van de kleine soldaat staan centraal. Zo is er bijvoorbeeld het ontroerende verhaal van de spontane kerstbestanden die eind 1914 werden afgesloten. Kerstavond was dat jaar een prachtige, door de maan verlichte vriesnacht, die nog mooier werd toen de Duitsers op kleine kerstbomen kaarsen lieten branden en ze boven op de borstwering plantten. "Net het voetlicht van een schouwburg," schreef een Britse soldaat. Er werden kerstliederen gezongen en na wat heen-en-weergeroep ('Hallo Tommy!', 'Hello Fritz!') waagden de vijanden zich voorzichtig in het niemandsland. Handen werden geschud en geschenken uitgewisseld: Duitse worst en sigaren, ingeblikte stamppot en tabak, familiefoto's en Londense kranten.

"Een Engelsman speelde op de mondharmonica van een Duits kameraad, anderen dansten en nog anderen waren bijzonder trots toen ze een Duitse helm konden opzetten. De Engelsen zetten een lied in en wij zongen 'Stille nacht, heilige nacht'. Het was aangrijpend: tussen de loopgraven stonden aartsvijanden rond de kerstboom samen te zingen. Zo blijkt toch maar dat de mens voortleeft, ook wanneer hij enkel nog doden en moorden kent... Kerstmis 1914 blijft onvergetelijk voor mij."

(Brief van de Duitse soldaat Jozef Wenzl aan zijn ouders, 28 december 1914)

De sfeer van het kerstbestand wordt in het museum weergegeven in een symbolisch, driedimensioneel tafereel. Vier verweerde stenen beelden in zandzaktextuur schudden elkaar de hand, door een dikke plaat heen waarop de vooroordelen zijn geprojecteerd die de soldaten tegen elkaar moeten opzetten: de lijkenvretende Hun versus het Engelse heertje dat zijn kolonies uitbuit. De Duitsers hebben de grauwroze tint van de stenen op het Studentenfriedhof in Langemark, de Britten de kleur van Portlandstone.

Die kerstbestanden moeten de militaire overheid ten zeerste hebben verontrust. "Wat zou er gebeuren," vroeg de toenmalige Britse minister van Marine Winston Churchill zich in een brief aan zijn vrouw af, "als de legers plotseling en tegelijk gingen staken en zeiden dat er maar een andere methode moest worden gevonden om het geschil op te lossen?" Om te verhinderen dat een dergelijk onaanvaardbaar pacifisme ooit nog de kop zou opsteken, vaardigden de bevelhebbers een verbod uit: voortaan mocht niet meer met vijandelijke schildwachten worden gepraat. Later namen ze hun toevlucht tot een cynischer oplossing: lagere officieren kregen instructies om in kleine groepjes nachtelijke raids uit te voeren. Speldenprikken waren het, die geen strategisch doel hadden maar louter dienden om de vechtlust van de troepen op peil te houden. Het resultaat was meestal een tegenaanval, die dan natuurlijk ook weer moest worden gewroken.

Loopgraven-diehards zullen in het nieuwe Ieperse oorlogsmuseum nauwelijks aan hun trekken komen. Het toys for boys-gehalte van In Flanders Fields ligt verrassend laag. Wapenfreaks kunnen alleen hun hart ophalen aan een paar vervaarlijk uitziende mitrailleurs, waarmee allicht tientallen mensen zijn neergemaaid. Een voorspelbare kritiek vanuit die hoek is dat het nieuwe museum te veel theater is, een poppenkast die overdondert met licht en geluid en de oorlog tot een show herleidt. Maar hoewel het dansen op het slappe koord is, lijkt het nieuwe museum er toch in geslaagd zijn evenwicht te bewaren. Het neemt afstand van de gruwel en plaatst hem in een bredere context. Getuige daarvan is de indrukwekkende monoliet die bij de ingang van het museum op de bezoekers neerkijkt en waarin de namen zijn gebeiteld van martelaarsteden overal ter wereld: Beiroet, Dresden, Hiroshima, Warschau en natuurlijk ook Ieper. In Flanders Fields gaat niet alleen over een stadje in de Westhoek, maar over het wezen van de oorlog zelf: die 'grote, overrijpe bloedzweer van de wereld, die op gepaste tijden openbarst'.

Wie de oorlog in al zijn groezeligheid wil zien, kan echter nog altijd terecht op de nabijgelegen Hill 62, die door privé-personen wordt geëxploiteerd. Zwart-witte snapshots tonen er de oorlogsgruwel in detail, tot en met de verminkingen van de gueules cassées, soldaten wier gezicht is weggeschoten. De foto van een paard dat door een bomexplosie in een boom werd geslingerd en met zijn dode ogen nog angstig in de wereld staart, blijft vreemd genoeg het langst nazinderen.

Tegen het einde van de oorlog deed de hallucinante sfeer rond Ieper almaar sterker denken aan De schreeuw, het fameuze doek van Edvard Munch. In 1917 was het hele front herschapen in één gruwelijk niemandsland. Met de slag bij Passendale wilde generaal Haig (de man van het theestelletje) een doorbraak forceren naar het noordoosten, richting kust. Na maandenlang bloedvergieten slaagden de Canadezen er eindelijk in Passendale te veroveren, maar tegen die tijd lagen de stukgebombardeerde lijken zo dik gezaaid dat niemand nog een voet kon verzetten zonder op rottend vlees te stappen. Toen pas maakte de regen een einde aan de slag. Zo'n 700.000 mannen waren gedood, verdronken, gewond of vermist. En dat voor enkele lapjes grond, die de geallieerden enkele maanden later trouwens alweer moesten prijsgeven toen ze tijdens het Duitse lenteoffensief tot aan de wallen van Ieper werden teruggeslagen. Honderd dagen had het gekost om Passendale te bereiken, in drie dagen raakten ze al hun terreinwinst weer kwijt.

"De aarde was omgewoeld en opnieuw omgewoeld. Er bleef alleen weke rotzooi over waarin je tot de nek wegzakte als je van de loopplanken gleed. Inslagkraters overlapten elkaar. Mijlen en nog eens mijlen, zover het oog reikt: kuilen waarin de aarde leek te sudderen als vet, vol water en slijk. Het slagveld is met geen woorden te beschrijven. Het beeld zou je achtervolgen in vreselijke dromen."

(R.A. Colwell, Engels soldaat, Passendale, januari 1918)

De empathie van de museumbezoeker voor de vechtende en vloekende stakkerds van destijds wordt nog kracht bijgezet door een originele kunstgreep: je kunt in de huid kruipen van iemand die de Eerste Wereldoorlog zelf heeft meegemaakt. Dat gebeurt via een 'personenkiosk' aan de ingang van het museum. De computer stelt je een paar vragen (wil je een man of een vrouw zijn, een militair of een burger?) en meet je vervolgens een nieuwe identiteit aan uit een archief van ongeveer tweehonderd biografieën. Met een soort streepjescode kun je dan terecht bij nog eens drie personenkiosken die op het parcours staan opgesteld, om te horen hoe het je verder is vergaan.

Fascinerend is vooral dat het om authentieke verhalen gaat, en dat je vooraf niet weet hoe het zal aflopen. Een zeldzame keer heb je geluk en overleef je de oorlog. Maar al te vaak wordt je levensdraad abrupt en bloederig afgeknipt in de oorlog in de Salient. Soms is de naam van je personage dan nog terug te vinden op een van de vele monumenten en begraafplaatsen in de buurt... als een van de negen miljoen doden van de Grote Oorlog.

"Jullie zullen nooit meer de bergen zien, de bossen, de aarde,

mooie ogen van mijn soldaten die amper twintig waren en die sneuvelden in de laatste lente, toen het licht zachter scheen dan ooit."

(Gerrit Engelke, Duits soldaat en dichter, gesneuveld in oktober 1918)

Bedoeling is de computer voortdurend met nieuwe personages te voeden, tot hij uiteindelijk tweeduizend van die biografietjes telt. Een levend archief, dat meteen de grootste verzameling verhalen uit de Eerste Wereldoorlog bevat. Wie dat wil kan ook het verhaal van zijn eigen grootmoeder of overgrootvader in de personenkiosken laten opnemen. Desnoods stuur je het via e-mail vanuit Australië of Canada naar de webstek van het museum.

Wie het meer voor maquettes heeft, komt in de laatste zalen aan zijn trekken. Een reusachtig schaalmodel toont het zwartgeblakerde Ieper tegen het einde van de oorlog: een spookstad waar een ruiter dwars doorheen kon kijken, zo grondig was alles verwoest. Alleen de stomp van de hallentoren stond nog overeind. In een wijde straal eromheen viel geen leven te bespeuren. Nergens een boom, met uitzondering van enkele dode stronken die er buitenaards en spookachtig uitzagen. Geen vogel, geen rat, geen grasspriet. De dood was alomtegenwoordig en van de boerderijen bleef niets overeind.

Op 11 november 1918 kondigde de Britse eerste minister David Lloyd George in het parlement eindelijk het verlossende nieuws aan: "Om elf uur vanmorgen eindigde de gruwelijkste en vreselijkste oorlog die de mensheid ooit heeft geteisterd. Ik hoop dat we mogen zeggen dat, op deze historische ochtend, aan alle oorlogen een eind is gekomen." "Een mooie maar ijdele hoop," zegt Piet Chielens schamper. "Tachtig jaar later zijn de bomen op de oude slagvelden van de Westhoek eindelijk weer groot. Het patina doet het heropgebouwde Ieper opnieuw op een echte middeleeuwse stad lijken, al is het dan ook allemaal nep. Maar sinds 1918 is er geen dag voorbijgegaan zonder dat ergens ter wereld een gewapend conflict werd uitgevochten. Het Rode Kruis reserveert het woord 'oorlog' voor brandhaarden waarbij meer dan 10.000 dodelijke slachtoffers vallen. Als je die definitie hanteert, hebben we er sinds 1918 al meer dan honderd achter de kiezen."

Het exacte aantal wordt nu bijgehouden op een muur van het museum. Telkens als zich een nieuwe oorlog voordoet, trekt een vermoeide conservator een streep door het oude getal en krabbelt het nieuwe ernaast. Nonchalant, zonder ooit de oude cijfers weg te vegen.

In Flanders Field op de Grote Markt van Ieper (lakenhallen) opent zijn deuren op 3 april. Het museum is elke dag open van 10 tot 18 uur.

'Ze vielen elkaar aan met vlammenwerpers en bommen, met tanks en handgranaten. Ze groeven gangen onder de vijandelijke stellingen en vulden die met zware explosieven. Ze bestookten elkaar met twaalf soorten gas. Maar geen van de legers raakte nog een meter vooruit'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234