Donderdag 04/06/2020

De bloedeloosheid van links

There's something rotten in the state of socialism. Bij de sp.a probeert men twijfelende prinsen, in de coulissen van universiteiten en denktanken, weliswaar niet te vermoorden, maar naar hen luisteren doet men evenmin

Joost Zwagerman, Nick Cohen & Richard Sennett onderzoeken de malaise ter linkerzijde

Meer dan zeven procent, dat is niet niks. Maar dat de sp.a op 10 juni zo fors verloor, hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat links in de touwen ligt. Misschien zegt de uitslag evenmin iets over het marktpotentieel van het socialisme. De afgelopen tien dagen werd er druk gespeculeerd over de vermeende catastrofale effecten van de witte konijnen, over een weinigzeggende reclamecampagne, over de strategische blunder om zo laat in de campagne de hoofddoeken tot een thema te laten uitgroeien. Het imagomanagement, de lijstvorming en de magere slogans kunnen wellicht een deel van het verlies verklaren.

Maar cruciaal is dat allemaal niet. Behalve voor een driehonderdtal medewerkers en de ex-mandatarissen van de partij zelf is het verlies geen catastrofe. Zelfs onder sp.a-stemmers vindt een grote groep een oppositiekuur na 19 jaar machtsdeelname geen ramp. Sommige sociaal geëngageerden kozen op de verkiezingsavond wijselijk voor het vogelperspectief, eerder dan voor de tunnelvisie. Tom Barman, de organisator van 0110 in Antwerpen, behield zijn cool en beseft dat men zijn vijanden goed moet kiezen: hij was blij dat het Vlaams Belang in zijn stad een klein tikje kreeg en associeerde de winst van CD&V/N-VA niet met het stenen tijdperk, of zelfs maar met de jaren vijftig. "Niet panikeren", dat was de boodschap.

Helemaal anders ligt het met het algemene en voortdurende gebrek aan enthousiasme, ontzag of zelfs maar angst voor links, niet alleen in het centrum of aan de rechterkant, maar ook bij de traditionele achterban. Door de uitstekende informatiecampagnes van zowat alle media waren de cafédiscussies op hoog niveau, maar de metaalmoeheid bij verdedigers van links kon niemand ontgaan. Het leeuwendeel van de aandacht gaat dezer dagen vanzelfsprekend naar het stemmenverlies: een deel van het sp.a-publiek nam de erg zichtbare beslissing om op een andere partij te stemmen. Niettemin ligt het waarlijk verontrustende, net als in het betere Griekse drama, in dat wat niet meteen te zien was.

Volgens meerdere intelligente getuigen heeft het verminderde appeal van links diepere oorzaken dan de nietszeggendheid van "JA!". Die oorzaken vielen vooral te rapen bij de burgers die "uiteindelijk dan toch maar" op sp.a hadden gestemd. Zij die "ondanks alles" voor rood gingen, brachten met lange tanden hun lichtpen naar het juiste schermpje, omdat het moest van hun über-Ich, of omdat de andere opties nog slechter waren. Op 10 juni was het meer dan ooit een feit: socialistische geestdrift was een curiosum geworden. Wie voor sp.a stemde deed dat zelden met volle goesting. Men keek jaloers naar de bovenburen met hun SP en hun Jan Marijnissen of men verlangde hevig naar een heel klein beetje oorlog - maar dan liever niet over een lapje stof. Men droomde van een socialistische Bart De Wever.

De Nederlandse romancier en essayist Joost Zwagerman noemt het geaarzel en getwijfel "de schaamte voor links". Het is de titel van een virulent pamflet, waarvan een voorproefje in deze krant is verschenen, een paar dagen voor 10 juni. Wat in dat opiniestuk niet was opgenomen was deze passage over de Tweede-Kamerverkiezingen van 2002, die voor de Nederlandse socialisten van de PvdA dramatisch verliepen. In het licht van het klungelige crisismanagement van vorige week kan de sp.a-top zich in de baard krabben: "Het lijkt wel een psychisch ziektebeeld onder links: na een verkiezingsnederlaag doet men in ijltempo aan een verplichte introspectie en komt dan tot confronterende ontdekkingen over de ideologische en praktische tekortkomingen, waarna men schijnbaar onbekommerd overgaat tot de orde van de dag en alles precies weer even verkeerd doet als daarvoor."

There's something rotten in the state of socialism. Bij de sp.a probeert men twijfelende prinsen, in de coulissen van universiteiten en denktanken, weliswaar niet te vermoorden, maar naar hen luisteren doet men evenmin.

Zwagermans pamflet (een luttele 60 bladzijden) kan ook op andere punten inzicht bieden in de Vlaamse situatie. Geen van die punten zijn nieuw, net zomin als de bloedeloosheid van links voor het eerst door hem zou opgemerkt zijn. Ook in Vlaanderen zegt men al twintig jaar dat de 'sossen' de wijken moeten ingaan. Maar in de wijken hebben ze nog niet veel 'sossen' gezien. Men kan het Zwagerman dan ook moeilijk kwalijk nemen dat hij het enigszins bekende verhaal gewoon nog eens vertelt.

In 2002 werd collega auteur Remco Campert naar zijn kiesintenties gevraagd. Campert zei dat hij wel op de PvdA zou stemmen, maar dat hij "met lood in de schoenen" naar het stembureau zou trekken. Zwagerman grijpt die weerzin aan om de malaise bij links te illustreren, en wel op drie kerndomeinen: "de hardnekkige weigering om morele vragen te durven te stellen (het zogenaamde normen-en-waarden-debat)", de 'multicultuur' en de 'onttakeling' van het onderwijs.

Voor ons is dat laatste het minst relevante punt, want het Vlaamse onderwijs staat nog altijd op hoog niveau. De heftige debatten over het Nieuwe Leren in Nederland kregen hier een echo in het kortschrift van leraar Marc Hullebus, maar al snel groeide een consensus, ergens tussen kennis en vaardigheden in. De "domheid door links", waar Zwagerman het over heeft, door leerlingen te veel inspraak en te weinig stof te geven, is vooralsnog bij uitstek een Nederlands fenomeen.

Multiculturele drama's en Marokkanenproblemen, daarentegen, beheersen hier ook al een jaar of vijftien de politieke agenda. Zwagerman maakt zich vooral boos op de "tirannie van links" die blind bleef voor een van de grootste samenlevingsproblemen van de jaren negentig, en later iedereen de gracht in reed die het drama wél in de smiezen had (Paul Scheffer, Ayaan Hirsi Ali, Pim Fortuyn). Hij noemt de uitspraken van de "linkse kerk" (Fortuyn) over deze opiniemakers "incriminerend" en vergelijkt ze met het verhaal van de man die bij de gemeente klacht ging indienen nadat zijn vrouw door een groepje Marokkanen in mekaar was geslagen. De ongedeerde partner kreeg te horen dat die klaplong van zijn vrouw vervelend was, maar ontving vooral vermanend stemadvies. Dat hij na het voorval op Wilders had gestemd: dat was de échte schande.

Het is voor Zwagerman slechts één voorbeeld van de linkse dwaaltochten door het grote Normen en Waarden-bos: ook buiten Allochtonië lijkt links het noorden kwijt. Zwagerman is niet echt gecharmeerd door 'samen leven, samen werken', het mierzoete ordewoord van Balkenende IV, dat sterk aan Yves Leterme doet denken. Maar de zorgvuldige essayist laat zich niet verleiden tot minachting voor het fermettevolk: "dat credo was nog maar koud de wereld in of de keurtroepen uit de links-liberale grachtengordel wendden zich walgend af bij zoveel kennelijke benepenheid". Zwagerman vindt dat dom: "In het Nederland van 2007, waarin steeds meer individuen zich inspannen om voor zichzelf vrijheden op te eisen, getuigt het in de ogen van de libertijnse cercle van een burgertruttenmoraal als je erop wijst dat de eigen vrijheid pas gegarandeerd is als men de ander eerst diens vrijheid gunt." En vrijheid moet niet alleen een streefdoel zijn op het ethische vlak - het soort vrijheid dat het minste geld kost - maar ook wat betreft financiële ruimte en beweeglijkheid: armoedebestrijding en sociale zekerheid promoten zonder in miserabilisme te vervallen, ook daar zijn de socialisten steeds minder overtuigend in geworden.

Een warme samenleving opbouwen, schrijft Zwagerman, is iets dat bij uitstek een links project zou moeten zijn. De pamflettist merkt met beperkte tevredenheid dat het in linkse kringen hier en daar begint door te dringen dat "morele noties omtrent een verdoolde en verkilde samenleving", die enkel uit lijkt te zijn op "economisch gewin en egomane behoeftebevrediging" juist "bij uitstek thuishoren bij links".

De schaamte voor links is niet de alfa en omega van de kritiek op links en zo is het ook niet bedoeld. Maar als politieke daad zou de publicatie ervan enig effect mogen hebben, te meer omdat het aansluit bij een internationale trend. Ook in het buitenland wordt de relatieve achteruitgang van centrumlinks (in België, Nederland, Frankrijk en in deze Bushjaren ook in de Verenigde Staten) gekoppeld aan ideeënleegte, gebrek aan beginselvastheid en dubbelzinnige boodschappen.

Eén manier om de ellende ter linkerzijde in een groter verband te zien wordt aangereikt door What's Left. How Liberals Lost Their Way. De Britse journalist en politiek commentator Nick Cohen gaat in zijn boek in op de houding van Angelsaksische linksliberalen ten aanzien van grote wereldconflicten, zoals in Joegoslavië en, vooral, Irak. De vlot geschreven analyse, met een woeste rode vuist op het voorplat, kan dienen als een internationale aanvulling op het pamflet van Zwagerman. Cohen, die onder meer columns schrijft voor The Observer, ontketende net als Zwagerman een kleine storm van verontwaardiging, die voorlopig beperkt bleef tot de Angelsaksische wereld. Onder meer door die controverse vindt u het boek vandaag op het plankje van de bestsellers van de Britse boekhandel Waterstone's. Een Nederlandse vertaling is er (nog) niet.

Cohens boek is veel uitgebreider, maar paradoxaal genoeg ook veel meer pamflettistisch dan dat van Zwagerman. Zijn stijl wordt vergeleken met de bijtende satire van Jonathan Swift, maar anders dan bij de man van Gulliver's Travels en A Modest Proposal loopt zijn woede Cohen soms voor de voeten. Want Cohen is kwaad, heel kwaad.

In zijn tirade gaat hij vooral in op de oorlogen tegen het Irak van Saddam Hoessein, ook al gaat hij zijn argumenten op heel verschillende domeinen halen (Duitsland in de jaren dertig, George Orwell, het antisemitisme, de USSR van Stalin). Terwijl Zwagerman nog genuanceerd van een schaamte voor links spreekt, grijpt Cohen meteen naar gewelddadigere beelden: "Zeggen dat het socialisme dood is, is niets nieuws."

In de jaren tachtig, zo schrijft hij, was de positie van westers links op het wereldtoneel nog relatief helder: de meeste niet-radicalen hadden zich na enige kontendraaierij in de jaren vijftig, zestig en zeventig nadrukkelijk van het stalinistische communisme gedistantieerd. Andere totalitaire regimes in de wereld werden rigoureus afgekeurd en in de mate van het mogelijke ook bekampt. Zo verging het aanvankelijk ook Saddam Hoesseins schrikbewind in Irak, met strenge veroordelingen van de martelingen, de schijnprocessen en staatsterreur van de Baathpartij. Cohen herhaalt het bekende verhaal van hoe de Amerikaanse overheid wapens aan Hoessein leverde en zo de afslachting van de Koerden mee mogelijk maakte. Hij benadrukt dat weinigen zich daar op dat moment druk om maakten, maar prijst een aantal links-liberalen die dat toen nog wel deden: Tariq Ali, bijvoorbeeld, en andere intellectuelen rond de New Left Review, maar ook de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. Links deed toen nog wat men van links kon verwachten.

Alles veranderde in 1991, bij het begin van de eerste Golfoorlog, na de inval van Hoessein in Koeweit. Vele van zijn linkse vrienden neigden tot Cohens ontzetting naar een gemakkelijk pacifisme. De Londense intellectuelen - en met hen grote delen van het Westen - bleken geen voorstander van Amerikaans geweld tegen een van de verschrikkelijkste dictators van de late twintigste eeuw. Niet alleen Tariq Ali, maar ook de bekendere Edward Said, auteur van Orientalism, sloegen linkse voorstanders van de oorlog in de ban.

Het boek van Cohen behandelt zeer veel meer dan die cruciale omslag bij links - in een vlijmscherp hoofdstuk rekent hij bijvoorbeeld ook af met postmoderne intellectuelen als Michel Foucault of Judith Butler - maar volgens de auteur ligt in de reactie op de Irakoorlogen het begin van de moreel-politieke verwarring van links. Het anti-amerikanisme was zo sterk geworden, schrijft hij, dat links neutraal bleef tegenover de facto totalitaire regimes. Men verkoos sancties en andere minder gewelddadige oplossingen boven de kans om een bloeddorstige tiran af te zetten. Voor Cohen maakte links het dan ook helemaal te bont toen er op 15 februari 2003 ongeveer één miljoen "linksdenkenden" in Londen op straat kwamen, "om zich te verzetten tegen het einde van een fascistisch regime".

Cohens boek is inspirerend en frustrerend tegelijk. Het grootste probleem van What's Left? is dat de auteur al te makkelijk linkse radicalen als schietschijf gebruikt en 'links-liberaal' als een monolithisch blok beschouwt. Zo gaan niet alle linksdenkenden akkoord met alles wat Noam Chomsky schrijft en was er zowel in 1991 als in 2003 vaak wél aandacht voor de bevrijding van het Iraakse volk. Alleen stelde men vragen bij de motieven van de Verenigde Staten (dat er olie in het spel was, schijnt Cohen op strategische momenten te vergeten) en was er de angst voor wat er met het land zou gebeuren nadat het bevrijd was. Iedereen die de laatste jaren niet op Mars heeft geleefd moet toegeven dat die angst niet zonder grond was.

Toch is het boek van Cohen zeker de moeite waard. Niet alleen geeft het een duizelingwekkend overzicht van de reacties van links op totalitaire regimes, maar het verstoort ook het al te gemakkelijke anti-amerikanisme waar bepaalde delen van links een patent op hebben. What's Left geeft lang niet altijd de juiste antwoorden, maar het stelt wel prangende vragen die het morele comfort van westers links vaker wel dan niet lichtzinnig doen lijken.

Een boek dat, anders dan de twee bovenstaande, niet vertrekt van de malaise bij links, is De cultuur van het nieuwe kapitalisme van Richard Sennett. Sennett staat bekend als een van de bekendste sociologen van het moment en doceert onder meer aan het MIT en aan de London School of Economics. Hoewel deze gebundelde Yalelezingen voor het overgrote deel niet expliciet ingaan op de politieke kant van wat hij het "nieuwe kapitalisme" noemt, kan zijn verhaal zuurstof geven aan een links arbeidsbeleid. Als links zich moet bezinnen over zijn gebrek aan appeal, dan kan deze diepgaande analyse van de "geavanceerde economie" zeer bruikbare tips voor een nieuw socialisme geven: waar zitten de pijnpunten bij de hedendaagse kennisarbeiders? Wat doen de nerveuze kapitaalmarkten en flexibiliseringseisen met mensen die 10 uur per dag voor hun computerscherm zitten? Als Cohen de internationale pendant illustreert van wat Zwagerman en co op Nederlands en Vlaams niveau bekritiseren, dan kan je Sennetts verhaal zien als een constructieve noot over de geglobaliseerde werkvloer, een domein waar links met zijn nadruk op werk succes zou moeten kunnen boeken.

In dit boek focust Sennett op wat hij de problemen van de "geavanceerde economie" noemt, die hij terugvindt in de nieuwe technologiebedrijven en het mondiale geldwezen. De firma's in die sectoren zijn niet langer als een piramide georganiseerd, aldus Sennett, maar eerder als een MP3-speler. In het "sociale kapitalisme" van vroeger zaten werknemers opgesloten in de "ijzeren kooi" van een bureaucratisch systeem, waarin men zich slechts traag en moeilijk kon opwerken. Tegenwoordig, zo schrijft Sennett, kijkt men op het immobilisme van dat soort organisaties neer, maar blijft men tegelijk blind voor de voordelen van die ijzeren kooi: iedereen kreeg een plaats in het sociale systeem en er was het vooruitzicht van een langdurige, redelijk stabiele carrière. Omdat de bevelen van de top van de piramide stapsgewijs naar beneden druppelden, kreeg iedereen bovendien de vrijheid om de bevelen op zijn eigen niveautje te interpreteren, wat voor een gevoel van eigenwaarde zorgde.

Vandaag werken de geavanceerde economieën als een I-Pod: "het MP3-apparaat kan zo worden geprogrammeerd dat het maar enkele groepen uit zijn repertoire speelt; zo kan ook de flexibele organisatie op elk moment slechts enkele van haar vele functies kiezen en uitoefenen". Zelf geeft hij het voorbeeld van een hightech softwarebedrijf dat zich een paar maanden richt op innovatieve imagingtechnologie en zich vervolgens weer een tijdje bezighoudt met routineuze coderingsondersteuning. Die doorgedreven flexibilisering is het gevolg van een nerveuze wereldmarkt, met onder meer de verschuiving van de macht van het management naar de aandeelhouders van de grote bedrijven. Managementgoeroes juichen die nieuwe uitdagingen toe, maar Wired of Business Weekly heeft weinig oog voor de minder gespeelde deuntjes van de I-Pod.

Als econoom begrijpt Sennett perfect wat hier gaande is, maar als sociaal geëngageerd wetenschapper let hij vooral op de gevolgen voor de werknemers. De explosieve groei van uitzendarbeid en de daaruit voortvloeiende jobonzekerheid is er een van, maar het MP3-model leidt ook tot de afbouw van vakmanschap, omdat werknemers almaar sneller compleet andere taken moeten uitvoeren.

Op het ethische vlak zijn de veranderingen navenant. Sennett spreekt van drie "sociale gebreken": geringe "institutionele autoriteit" (werknemers hebben geen binding met bedrijven die zelf geen loyauteit ten opzichte van hen tonen), een afname van het "informele vertrouwen" onder werknemers onderling (in een bedrijf waar je voortdurend andere collega's krijgt weet je niet meer op wie je kunt rekenen) en een verzwakking van de "institutionele kennis". Werknemers, ook op het allerlaagste niveau, vergaarden vroeger veel kennis over hoe de bureaucratie in hun bedrijf werkt - die kennis verdwijnt nu samen met de werknemers zelf.

Dat is zeer kort samengevat Sennetts hoofdlijn, maar er staan veel meer ideeën in het korte boekje dan bovenstaande schets kan doen vermoeden. Een en ander maakt De cultuur van het nieuwe kapitalisme bijzonder rijk, maar ook vrij moeilijk. Een voorbeeldje van de ideeënrijkdom is te vinden in zijn interpretatie van de toenemende invloed van consultants, die vaak wordt verdedigd op basis van hun vermeende objectiviteit en neutraliteit. Volgens Sennett worden ze vooral ingeschakeld om aan de aandeelhouders te tonen dat men constant aan het optimaliseren is en om de verantwoordelijkheid voor pijnlijke reorganisaties, synergieën en naakte ontslagen van zich af te kunnen schuiven. Sennett merkt fijntjes op: "In de praktijk zijn er maar heel weinig consultants die naderhand gaan werken bij het bedrijf dat zij reorganiseren."

De cultuur van het nieuwe kapitalisme bevat eigenlijk te veel ideeën voor 160 pagina's, maar kan als een wegwijzer dienen naar zijn vorig werk, dat het veldwerk meer ruimte geeft. Sennett is namelijk geen 'armchair academic', maar baseert zijn bevindingen op honderden interviews met werknemers. Critici kunnen met enige overtuigingskracht aanvoeren dat de nieuwe MP3-cultuur ook positieve aspecten heeft - sommige mensen, zeker in de jongere generaties, vinden het gewoon plezierig om hun brein met korte 'attention span' in te zetten voor kleine 'shock and awe' opdrachten - maar Sennetts getuigenissen laten zien dat velen in totale verwarring achterblijven.

Wie Sennetts analyses leest, merkt hoe de media bepaalde modieuze aspecten van de ingrijpende evoluties in de spotlights plaatsen, en minder aangename verdonkeremanen. Een linkse politiek kan de sociale gevolgen van de economische modes van de laatste twintig, dertig jaar niet ongestraft negeren. Misschien kan het in de kritiek van Sennett, net als in de opmerkingen van Zwagerman en Cohen een nieuw elan vinden. Misschien kan men daar inspiratie vinden voor een groter verhaal dat sp.a-stemmers wél naar het stemlokaal doet huppelen. Een waarlijk wervend links appeal, dat zou nogal iets zijn.

In 1991 capteerde de Ierse band U2 de Zeitgeist na de Muur zoals weinigen sindsdien hebben kunnen doen. Op 'Acrobat', het elfde nummer van hun plaat Achtung Baby zingt Bono deze simpele regels: "And I'd join the movement/ if there was one I could believe in/ Yeah I'd break bread and wine/ If there was a church I could receive in".

De kostprijs van de individualisering wordt nog opgemeten, en zo lang dat duurt, gaat ze vrolijk verder. Maar vage metafysische gevoelens lijken vandaag nog bereikbaarder dan breed engagement. Niemand die het zestien jaar geleden kon vermoeden, maar voor westerlingen lijkt Bono's tweede optie, een religieus reveil van boeddhistische, christelijke of islamitische snit, nog dichterbij dan een wervende sociale beweging. Dat is doodjammer. Bono is dan maar zelf de deur bij Bush en Blair gaan platlopen, maar ook hij brengt niet het leiderschap waarrond mensen zich kunnen verzamelen.

Bij rechts weet iedereen wie waar staat. De posities zijn helder, het appeal is dat ook. Maar waar blijft de linkse staatsman, de sociaal geëngageerde politicus met charisma, visie en een verhaal?

Terwijl Zwagerman nog genuanceerd van een schaamte voor links spreekt, grijpt Cohen meteen naar gewelddadigere beelden: 'Zeggen dat het socialisme dood is, is niets nieuws'

Nick Cohen

How Liberals Lost Their Way

Fourth Estate, Londen, 405 p., 12,99 pond.

Richard Sennett

De cultuur van het nieuwe kapitalisme

Oorspronkelijke titel: The Culture of The New Capitalism

Vertaald door Willem van Paassen

Meulenhoff, Amsterdam, 160 p., 17,90 euro.

Joost Zwagerman

De schaamte voor links

Querido, Amsterdam, 63 p., 34,75 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234