Woensdag 23/09/2020

De bijbel, deel 2 (van Paul Celan tot Tom Waits)

Jerome Rothenberg en Pierre Joris geven de wereldpoëzie zuurstof voor een nieuw millennium

Stel je voor dat het Theaterfestival alleen KVS- of NTG-producties zou bevatten. Of dat een cursus filmgeschiedenis zou bestaan uit lessen over 'het huwelijk', 'de dood' en 'de natuur' en dat ter illustratie enkel Hollywoodfragmenten zouden worden getoond. Of dat bij een overzicht van de hedendaagse klassieke muziek wel de neo-Bach-composities van Glenn Gould zouden worden gespeeld, maar niet het werk van Xenakis of Stockhausen. Onwaarschijnlijke, misschien zelfs onzinnige scenario's. En toch wordt de poëzie precies op die manier aan het grote publiek voorgesteld. De meest geraadpleegde anthologieën in ons taalgebied (het Grote Gezinsverzenboek van Jozef Deleu, de bloemlezingen van het Davidsfonds, Dichters van deze tijd van Hugo Brems, Spiegel van de moderne Nederlandse poëzie van Hans Warren, Gerrit Komrijs Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, De mooiste van de hele wereld van Koen Stassijns en Ivo van Strijtem) presenteren de poëzie als een tijdloos genre: dichters worden er alfabetisch of volgens geboortejaar geordend, hun werk wordt in afdelingen verdeeld volgens de Grote Thema's (Geboorte, Liefde, Dood). Steeds opnieuw wordt de poëzie zo in een mausoleum begraven: Diepe en Schone Gedachten Van en Voor Eenzame Lieden Op een Vrij Moment.

Dat velen de dichtkunst beschouwen als een bezigheid voor wereldvreemden heeft volgens mij te maken met de manier waarop het genre via dit soort bloemlezingen wordt verspreid. Nergens wordt aangegeven dat ook voor de poëzie geldt wat als vanzelfsprekend wordt aangenomen voor het theater, de beeldende kunsten, de film of de muziek: dat het een levende kunstvorm is, die beïnvloed wordt door wat zich in de wereld afspeelt, die commentaar levert op alle belangrijke gebeurtenissen in die wereld, die evolueert en zichzelf moderniseert. Vooral dat laatste aspect wordt in die bloemlezingen vaak weggeretoucheerd: zeldzame momenten van radicale vernieuwing worden genegeerd ten koste van zogenaamd klassiek geworden 'rijper' werk van bepaalde dichters. De indruk wordt gecreëerd als zou de poëzie beantwoorden aan een godgegeven set van basisregels waar niet van wordt afgeweken.

Hoe beperkend en vals die indruk wel is, wordt bewezen in de twee weergaloze bloemlezingen Poems for the Millennium van Jerome Rothenberg en Pierre Joris. In 1995 verscheen deel één van dit tweeluik, From Fin-de-Siècle to Negritude. In ruim achthonderd bladzijden toonden ze de bronnen van de moderne poëzie (Blake, Hölderlin, Dickinson, Mallarmé), de verschillende avant-gardebewegingen uit de eerste helft van deze eeuw (futurisme, expressionisme, dadaïsme) en het werk van de talrijke namen die aan deze stromingen ontsnapten (Yeats, Rilke, Mandelstam, Huidobro). Er waren wel eens eerder internationale poëziebloemlezingen samengesteld, maar nooit werden op zo'n instructieve en tegelijk speelse manier zowel de oeuvres van zowat alle belangrijke dichters ter wereld geïntroduceerd, als de algehele context waarin zij hadden geleefd en gewerkt. Voor lezers met vastgeroeste ideeën over wat poëzie kan zijn, bevatte dit boek een hele reeks verrassingen: niet alleen gecanoniseerde dichters als Van Ostaijen of Eliot kwamen aan bod, maar ook klankgedichten van anonieme aboriginals of bluesteksten van Bessie Smith.

Het zopas gepubliceerde tweede deel van Rothenbergs en Joris' megaproject is in menig opzicht nog indrukwekkender. De vooroorlogse periode ligt immers zo ver achter ons dat er intussen een consensus is gegroeid over wat er uit die periode zal overblijven aan het begin van het volgende millennium. De naoorlogse periode is echter niet alleen nog volop aan de gang, de versplintering die zich internationaal gezien op alle vlakken (en dus ook op dat van de poëzieproductie) manifesteerde, zorgt ervoor dat niemand nog kan beweren enig overzicht te hebben, laat staan te kunnen bieden van wat er allemaal aan de gang was en is. De samenstellers zijn niet in de val getrapt: hun boek is geen misplaatste poging om een contemporaine internationale canon op te stellen, maar wel "a mapping of the possibilities" van wat poëzie vermag, van wat ze kan en wil zijn. En dat blijkt - hoeft het nog gezegd - heel wat.

De ondertitel van deel twee, From Postwar to Millennium, is meer dan een aanduiding van de hier bestreken periode: hij geeft aan dat de gedichten in het begin van het boek (van onder meer Celan, Achmatova en Sankichi) proberen om te gaan met de horror van de Tweede Wereldoorlog (holocaust, verwoesting van wereldsteden, atoombom) en dat de verzen aan het eind onderzoeken hoe de poëzie van de volgende eeuw eruit zou kunnen zien ('Toward a Cyberpoetics. The Poem in the Machine').

Wat zich in de tussenliggende achthonderd bladzijden afspeelt, is nauwelijks samen te vatten. Na een overgangsafdeling waarin een brug wordt geslagen met deel één (werk van onder anderen Gertrude Stein, Wallace Stevens, André Breton, Henri Michaux, Pablo Neruda en Gunnar Ekelöf), wordt een eerste galerij internationale dichters gepresenteerd die debuteerden tijdens de jaren veertig of vijftig. Steeds krijg je een selectie gedichten, aangevuld met poëticale uitspraken of relevante biografische informatie. Zo maak je kennis met fragmenten en achtergronden van het meesterwerk 'Een nacht met Hamlet' van de Tsjechische dichter Vladimir Holan of met de Chileense antidichter Nicanor Parra of het ook in muziekkringen bekende cultboek My Life in the Bush of Ghosts van Amos Tutuola.

Er zit uiteraard ook 'bekender' werk tussen: maar liefst 21 gedichten van Paul Celan (de hele eerste afdeling van Atemwende) of een hele brok uit John Ashbery's superlange gedicht 'Flow Chart' uit 1991 (zopas verscheen eindelijk ook een goedkope paperbackeditie van deze 'Four Quartets' voor onze tijd) of verzen van Chinua Achebe en Anne Sexton. Tussendoor worden aparte dossiers gepresenteerd waarin bepaalde stromingen worden voorgesteld: de Vienna Group (met onder anderen H.C. Artmann, Friederike Mayröcker en Ernst Jandl), de Arabische Tammuzi-dichters (waarvan Adonis de bekendste is), Cobra (waarin aandacht voor zowel de 'Logogrammes' van Dotremont als de verzen van Karel Appel, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Alechinsky en - de enige Vlaming in het boek - Hugo Claus), de concrete poëzie (Finlay, Haraldo de Campos) en de Beat-poets (Burroughs, Ginsberg, Kerouac, Diane di Prima). Dit eerste deel wordt afgesloten met een ruime selectie poëticale manifesten: van de Meridian-lezing van Paul Celan en de al even bekende statements van Charles Olson en John Cage, over het Fluxus-manifest van George Maciunas, de Afro-Amerikaanse rant 'Black Dada Nihilismus' van Amiri Baraka en het feministische discours van Adrienne Rich, Rachel Blau duPlessis en Carolee Scheemann, tot de theorieën over klankpoëzie van Bob Cobbing en Henri Chopin of de visuele poëzie van de Canadees Steve McCaffery. De hidden agenda van de samenstellers blijkt op het eind van die reeks manifesten: samen met onder anderen Anne Waldman en Nathaniel Tarn ondertekenden Rothenberg en Joris in 1989 een tekst van de door hen opgerichte Council on Counterpoetics. Net als de meeste andere dichters in deze bloemlezing pleiten ze hier voor een open, multi- en interculturele poëzie waarin veel aandacht is voor de bronnen van de lyriek (godsdienst, sjamanisme, performance), waarin technologie niet als bedreiging maar als mogelijkheid wordt gezien en waarin pretechnologische instrumenten als het lichaam, de stem en allerhande rituelen worden geïncorporeerd.

Dit alles staat natuurlijk mijlenver af van de bravige en veelal ambitieloze poëziewereld in onze gewesten. Hoe beperkt onze Nederlandstalige visie op poëzie wel is, blijkt ook uit de 'tweede galerij', waarin dichters worden opgenomen die sinds de jaren zestig publiceerden: het overweldigende 'Le ventre' van Tchicaya U Tam'si (Kongolees dichter en vriend van Patrice Lumumba) of de aangrijpende fragmenten van de in het Spaans schrijvende Alejandra Pizarnik. En tussen de grote namen in deze reeks (Tomas Tranströmer, Paavo Haavikko, Sarah Kirsch, Michael Palmer) zijn opnieuw inleidingen en bloemlezingen opgenomen: over orale poëzie (waarin niet alleen voodoodichters of een getranscribeerde skat van Dizzy Gillespie, maar net zo goed de bluesgod Robert Johnson en het prachtige 'Swordfishtrombone' van Tom Waits), recente Japanse, Italiaanse en Chinese poëzie en de Amerikaanse LANGUAGE-stroming. Het boek wordt afgesloten met het aangrijpende 'After the Turning' van Robert Duncan en programmatische gedichten van de bloemlezers zelf.

Het spreekt vanzelf dat elke lezer enkele favorieten zal missen (opvallend afwezig zijn bijvoorbeeld Andrea Zanzotto, Hans Faverey, Oskar Pastior en Yves Bonnefoy) en ook de - door de samenstellers zelf aangegeven - disproportionele aanwezigheid van Amerikaanse dichters zet extra in de verf hoe relatief deze selectie is. Maar tegelijkertijd is ze dat helemaal niet: nergens krijg je een zo verscheiden beeld van poëzie uit de hele wereld die zich bezint op zichzelf én op alles wat in die wereld gebeurt (ecologische rampen, oorlogen) en die evoluties in de maatschappij mee stuurt of ondersteunt (de verschillende emancipatorische bewegingen). De manieren waarop dat alles gebeurt zijn radicaal verschillend: van de introspectieve, door bijbelse beeldspraak gestutte lyriek van Yehuda Amichai tot de met the international code of signals in elkaar gezette rebussen van Hannah Weiner ben je er getuige van hoe dichters op zoek gaan naar hun eigen vorm, hun eigen stem en waarheid. Dit alles geeft misschien de indruk dat de samenstellers (en de enthousiaste recensent) er een vooruitgangsoptimistische visie op de ontwikkeling van de poëzie op na houden: steeds mooier, steeds beter. Dat is echter allerminst het geval. Evolutie gaat niet over verbetering, maar over variatie. De belangrijkste reden waarom dit tweeluik volgens mij dé poëziepublicatie van de eeuw is, heeft niet zozeer te maken met de intrinsieke kwaliteiten van de teksten. Poems for the Millennium bevat vele gedichten die mij niet raken, waar ik niet ín geraak of die ik zelfs triviaal vind. Daar gaat het echter niet om. Dit boek toont op een zonder meer overweldigende manier de mogelijkheden van het genre en zo meteen ook van - en nu word ik zowaar even pathetisch - de wereld en het leven. De door media en onderwijs in alle lagen van ons bestaan en bewustzijn ingepompte ideologie heeft ervoor gezorgd dat we ons nog nauwelijks een alternatief durven voor te stellen voor onze hyperkapitalistische, laat-twintigste-eeuwse maatschappijvorm. Hetzelfde geldt voor de poëzie: zeg 'gedicht' en iedereen denkt 'al dan niet in rijm gegoten zielenroersel'. Poems for the Millennium ontmaskert deze beide status-quo's als totalitaire dogma's. Er bestaan eindeloos veel verschillende manieren, een ongedacht aantal mogelijkheden en nieuwe invullingen om met de wereld en dus ook de poëzie om te gaan. Het gedicht, als de gebonden taalvorm bij uitstek, is het ideale vehikel om onze vrijheden op dit vlak te onderzoeken. Zo beschouwd is Poems for the Millennium niet alleen een must voor iedereen die van literatuur houdt, maar eigenlijk voor iedereen die zich afvraagt waar het met de wereld naartoe kan.

Ik had nooit gedacht dat ik dit soort beschouwingen nog ooit aan een poëziepublicatie zou kunnen en durven wijden. De tijden zijn misschien donker, ze blijken echter ook vol spanning en mogelijkheden. De eenentwintigste eeuw begint nu.

Jerome Rothenberg & Pierre Joris (red.), Poems for the Millennium. The University of California Book of Modern & Postmodern Poetry. Volume Two: From Postwar to Millennium, University of California Press, Berkeley/Los Angeles/London, 871 p., 24,95 dollar (850 frank). John Ashbery, Flow Chart. A Poem, The Noonday Press, New York, 215 p., 15 dollar (510 frank)..

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234