Zaterdag 06/06/2020

'De Bij was een nest'

'Er is g�ne mee gemoeid om het over de grote mens te hebben die Geert Lubberhuizen was. En weet u waarom? Omdat Geert het zelf niet zou willen.

In het Vlaanderen van de jaren vijftig bevocht Ivo Michiels zijn eigenste bevrijding. Weg van het reactionaire en het katholicisme, weg van de verblindende oorlogsjaren. De ommekeer, zeg maar 'de bevrijding', was pas compleet toen hij Geert Lubberhuizen leerde kennen. De dag dat hij zijn roman Het afscheid (1957) naar De Bezige Bij stuurde, veranderde Michiels' leven én het gezicht van de Vlaamse literatuur. Herinneringen aan 'het feest van De Bij' en aan 'Geert, een minzame reus, een ongelofelijk groot mens'. Door Filip Rogiers

Hoger Honing

60 jaar De Bezige Bij

De Bezige Bij, Amsterdam, 224 p., 25 euro.

In het begin van de jaren tachtig namen ze afscheid. Ivo Michiels trok met zijn vrouw Christiane, in armoe, naar de Franse Provence. Hij wilde tijd voor zijn eigen schrijven, na decennialang draven voor de Vlaamse socialistische uitgeverij Ontwikkeling, na onafgebroken pendelen tussen Vlaanderen, de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (1959-1978), en Nederland, de redactie van Randstad (1961-1969), na vele jaren 'kantoortijd teksttijd' (Dixi(t)). En dan was er nog al dat leven dat geleefd moest worden in die roesjaren.

"Ik reed twee dagen per week met de wagen heen en terug van Antwerpen naar Amsterdam. 's Nachts schreven we, we rookten als gekken en slikten pillen om wakker te blijven. Want we moesten op de radio en televisie, en we hadden ons daglichtwerk. Kantoortijd besteedden we vooral aan andermans teksten. Het boek alfa (1963) is integraal 's nachts geschreven. Op een dag zat Christiane naast mij in de wagen en hoorde ze mijn hart bonken. 'Het moet maar eens uit zijn', zei ze. We werkten ons te pletter omdat we vol vuur zaten, maar ook om den brode."

Michiels kocht voor de prijs van enkele schilderijen (erfgoed van de jaren vijftig die de auteur meemaakte in de branding van de kunstbewegingen Cobra en Zero), een huisje aan de voet van de Mont Ventoux. En hij begon aan het levenswerk dat hij al omstreeks 1960 had 'aangekondigd': zijn tiendelige romancyclus Journal brut.

Geert Lubberhuizen leefde toen al de helft van het jaar teruggetrokken in Cornamona, Ierland, waar hij in 1984 zou overlijden.

"Contact met de familie is er nadien amper nog geweest", zegt Michiels twintig jaar later op een dakterras in Le Barroux. "Ook Geerts vrouw, Cor, heb ik niet meer gezien."

Stiltes, enkel doorbroken door klokgelui en het gesjirp van krekels, zijn er altijd in de Provence. "Ach, herinneringen. Ze zijn intiem. Ik kan er u over vertellen, ik kan er mijn liefde en enthousiasme voor uitdrukken, over wat mij bindt met dat verleden, over die banden die de literatuur en het uitgeversbedrijf overstijgen, maar ik zou het nooit kunnen neerschrijven. Dat haalt het papier niet. Er is gêne mee gemoeid om het over de grote mens te hebben die Geert was. En weet u waarom? Omdat Geert het zelf niet zou willen. 'Ach, drink toch een borrel!', zou hij zeggen."

Waarom klopte u eind jaren vijftig bij De Bezige Bij aan?

"Dat was de uitgeverij van iedereen die jong was en ambitie had. En een groot iemand was ons vanuit Vlaanderen voor gegaan naar Amsterdam: Hugo Claus. Tja, het was de uitgeverij die aantrok. Op een dag reed ik naar Amsterdam om het contract op te maken voor een heruitgave van Het afscheid (1957). 'We doen het jongen', zei Geert. 'We doen het. U hoeft zeker geen voorschot?' 'Jawel', antwoordde ik, 'ik hoef wél een voorschot.' 'O, toch een zakenmannetje', zei hij. Dat spelletje tussen ons is heel vroeg begonnen. Het baadde van meet af aan in kameraadschap. De Bij was een coöperatieve onderneming, we waren allemaal aandeelhouder in de uitgeverij en ons dividend werd niet enkel op de verkoop van het eigen werk maar ook op de literaire waarde berekend. Zo kon wie literair hoog gequoteerd stond maar niet al te best verkocht, toch mee genieten van het succes van de hele uitgeverij. We waren allemaal aandeelhouder en we hadden dus niet alleen recht van spreken, maar ook plicht van spreken. We kregen en we wilden ook allemaal onze zeg krijgen in alle facetten van het bedrijf, van het financiële plaatje tot het ontwerp van de omslagen. Dat schiep een samenhorigheidsgevoel. Precies door die geest bestaat de uitgeverij vandaag nog altijd."

De Bezige Bij was geen gewone uitgeverij, Geert Lubberhuizen had een missie. De Bij kwam uit het verzet, The Busy Bee was Lubberhuizens verzetsnaam. Het was broeiend modern en links. Dat stond haaks op uw afkomst en toch voelde u zich er meteen thuis?

"Ik had dan ook al een hele weg afgelegd. Ik kwam inderdaad uit een rechts katholiek milieu. Ik weet dat er mensen zijn geweest, Vlamingen, die naar Geert Lubberhuizen toe zijn gestapt om te zeggen dat hij mij niet mocht uitgeven. Hij heeft daar niet naar geluisterd, geen moment. Er kleefde iets aan de figuur Ivo Michiels dat niet hoorde. Maar Geert heeft me daar nooit op vastgepind.

"'Hij zag niets in geweld', schreef Marten Toonder over Lubberhuizen. Dat kon je beter aan de Duitsers overlaten, vond hij. Het lag voor de hand dat mensen in nood geholpen werden, maar dat kon je op allerlei manieren doen. Door het uitgeven van mooie boekjes bijvoorbeeld. Want die kon men verkopen voor veel geld, en met dat geld waren er onderduikadressen, bonnen en zelfs persoonsbewijzen te krijgen."

Lubberhuizen hielp joden onderduiken, in Dixi(t) schrijft u met veel schuldgevoel over wat de joden in de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. In veel van uw werk klinkt berouw en boosheid om de ideologische verblinding van de jaren dertig en veertig door.

"Op het ogenblik dat Geert mij als auteur in zijn fonds aanvaardde, was Dixi(t) nog niet verschenen. Toen lagen enkel Het afscheid en de eerste teksten van Journal brut, waaronder 'Ikjes sprokkelen', op tafel. Maar ja, ik had de ideologische verleiding gekend. De geschiedenis verscherpt en versimpelt veel. Het wordt zwart of wit, terwijl het in die jaren zelf vaak grijs was. Toen werd er makkelijker aanvaard dat er een troebele periode in je leven was. Ik ben Geert allerpersoonlijkst dankbaar dat er nooit een onvertogen woord over dat verleden is gezegd. Ik heb er met hem over gesproken. 'Geen enkel probleem', zei hij. En ik heb in Nederland, waar ik lezingen hield met Remco Campert en Lucebert en anderen, ook nooit enig probleem ervaren. En voor alle duidelijkheid: ik heb enkel intellectueel in rechts vaarwater gezwommen. Er is ooit gesuggereerd dat ik naar het Oostfront ben getrokken, maar dat is onzin. Zoals ik eerder al eens zei: wat had ik daar te zoeken, er waren geen meisjes!"

Voor Het afscheid kreeg u in 1958 de Arkprijs van het Vrije Woord. Heeft de geest van de uitgeverij en Geert Lubberhuizen ervoor gezorgd dat uw schrijven daarna een nog veel radicalere wending nam?

"Dat denk ik niet. Wel heeft die geest ertoe geholpen dat ik mij zo vrij mogelijk heb kunnen uitspreken. Ik voelde mij echt vrij en thuis. Mijn schuldcomplex bleef, maar daarbinnen heb ik vanaf dat moment altijd kunnen zeggen wat ik wou. De Bij was ook een nest met immens veel menselijke warmte. Dat is precies wat de uitgeverij ook zo rijk maakte, zonder dat daar grote woorden voor gebruikt werden. Dat is zo verbazingwekkend gebleven: dat diepmenselijke wàs er gewoon, maar het werd niet uitgeschreeuwd."

De Bij was meer dan een verzameling auteurs ook een vriendengroep?

"Ja, het was een soort thuis. Op alle vlakken. Wanneer ik in Amsterdam was, sprong ik altijd even binnen in galerie De Appel van Wies Smals op de Nieuwezijds Voorburgwal. Als ik de verleiding niet kon weerstaan om een schilderijtje te kopen, dan hoefde ik maar naar de uitgeverij te rijden, even aan te kloppen bij de boekhouder en ik kreeg prompt enige gulden mee. We waren collega's en vrienden. En na al die jaren, na alle ups en downs, zowel economisch als literair, blijft De Bij aanwezig. Enkele jaren geleden hadden we met Vlamingen en Nederlanders een optreden in Barcelona. Ik zat daar met Hugo Claus en Harry Mulisch aan een tafeltje voor het hotel. Zei Harry ineens: 'Nou, op Simon Vinkenoog na de hele redactie van Randstad'. En in 2003 waren we ook weer samen op het Salon du Livre. Ik bedoel maar: we zijn er nog. Al is er dan veel veranderd, al is Geert Lubberhuizen gestorven, de geest van De Bij wordt nog altijd voortgezet. Op een gegeven ogenblik kwam Remco Campert naar Antwerpen wonen. Wat gebeurde er? De hele Bij zat in Antwerpen en hield een groot diner met Campert en Bert Schierbeek erbij. Wat voordien Amsterdam was, werd nu ook gedeeld met Antwerpen. Wanneer ik nu nog toevallig in Amsterdam ben, en Remco ziet mij vanuit de verte, dan komt hij toegelopen. 'Hé Ivo!' En Cees Nooteboom! Je kunt geen stap zetten of je botst op Cees!

"Ook in de redactie van Randstad, het tijdschrift van De Bij, heerste die speelse, kameraadschappelijke geest. We maakten met vier redacteurs, twee voor Nederland, Simon Vinkenoog en Harry Mulisch, twee voor Vlaanderen, Hugo Claus en ikzelf, dertien nummers tussen 1961 en 1969. Bij elke redactievergadering was de eerste vraag én van Mulisch én van Claus hoe hoog hun verkoopcijfers waren. Geert Lubberhuizen die de vergaderingen bijwoonde, had een papiertje bij zich met de precieze cijfers erop. De ene keer verkocht Mulisch wat beter, de andere keer was dat Claus. Dit spelletje, niet zonder ernst, hebben ze jarenlang volgehouden. Ook Lubberhuizen speelde het met een ongelofelijke efficiëntie."

Het waren ontzettend drukke jaren voor u. In 1958 staat u mee aan de wieg van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (NVT), in 1961 stapt u in Randstad. In Vlaanderen zit u onder meer met Hubert Lampo, Karel Jonckheere en Herman Teirlinck rond de tafel. In Nederland zit u te midden van de jonge garde. Hoe groot was het cultuurverschil? Voor Randstad kon het nooit modern genoeg zijn, in het NVT was er soms iets meer discussie nodig.

"Ik was niet de enige jongere in het NVT. Ook Hugo Claus zat zowel in Randstad als het NVT. Maar het klopt dat naarmate het NVT evolueerde er teksten zijn gepubliceerd die veel redacteuren te 'experimenteel' vonden, wat ze achteraf bekeken helemaal niet waren. Het NVT bleef binnen een klassieker binnenlands literair stramien. Randstad was internationaal en minder exclusief literair georiënteerd. We publiceerden wel teksten van auteurs als Samuel Beckett, Alain Robbe-Grillet of Alberto Moravia, maar er waren ook de schandaalteksten over Wilhelm Reich, de theoreticus van het volmaakte orgasme en de seksuele revolutie. We publiceerden het beruchte Liefdesconcilie van Panizza en interviews met Claudia Cardinale en een stripteaseuse. Die teksten hadden nooit in het NVT gekund.

"Als er al een cultuurverschil was, dan toch vooral in de stijl van de redactievergaderingen. Die van Randstad waren uiterst ludiek. We vergaderden weleens in een heel chic restaurant waar een antieke koffer stond. Simon Vinkenoog mocht daar dan graag in kruipen. En als het menu werd voorgelegd, bedekten zowel Harry als Hugo de namen van de gerechten met een servet en kozen ze gewoon het duurste op de kaart. Dat speelse zat ook in de publicatie zelf. We waren eigenlijk grote kwajongens. En het paste allemaal zo precies. Geert Lubberhuizen is zelf zijn leven lang een speelse kwajongen gebleven. Toch pakte hij de zaken ernstig aan. Als hij zei: 'Jongens, aan het werk', dan deden we dat ook. Hij gebruikte niet veel woorden, maar zijn openheid kende geen grenzen."

Voor Randstad keken jullie vooral naar het buitenland. Hoe zochten jullie nieuw materiaal?

"Hugo Claus had ontzettend veel contacten en ook ik volgde bijzonder veel buiten het eigen taalgebied. Op de redactievergadering legden we dan ook ter tafel wat we toevallig hadden gelezen. De eerste die Malcolm Lowry had gelezen, was Hugo Claus. We gaven aan elkaar onze lectuur in het Engels, Frans of Duits door. Maar vaak moest het dan eerst vertaald worden. Dat vroeg ontzettend veel voorbereidend werk."

Over de opzet van Randstad schreef u: 'Opsporen van al wat in de jonge wereldliteratuur enig belang had en daarmee de Nederlandse literatuur confronteren.' Waarom 'confrontatie'? Het suggereert dat u en uw collega-redacteuren vonden dat het in eigen taalgebied armoe troef was.

"Dat zeg ik niet, maar de literatuur in Vlaanderen en Nederland had - met uitzondering van Hugo Claus misschien - niet de internationale trends mee.

"Niet enkel literair, er was na de oorlog ook The Living Theatre dat uit de Verenigde Staten kwam overgewaaid. Er gebeurde zoveel in de wereld. En in onze literatuur zat je met Gerard Walschap, Marnix Gijsen en de jongeren van toen, Ward Ruys-linck en Hubert Lampo. Die schreven wel goede dingen, maar Jack Kerouac of Allen Ginsberg, dat was toch een andere wereld. Het was precies onze bedoeling om die andere wereld te introduceren in ons taal- en kennisgebied. Dat was de confrontatie die we zochten, een soort injectie van jongheid en vuur, ruimte en zuurstof creëren. Mijn persoonlijke kennis van het 'reactionaire' was te groot om niet te beseffen dat zo'n 'bevrijding' niet van een leien dakje verliep. Ik heb altijd groot respect gehad voor iemand als Walschap. Toen ik naar school ging, mocht ik hem niet lezen. Hij stond op de index. Adelaïde, Carla, Eric, dat lazen we natuurlijk wel. Dat was voor ons snaken een openbaring, zowel literair als menselijk. Dat zo'n literatuur bij ons kon bestaan, daar waren we fier op. Die stimulans om te vernieuwen, te verjongen, om het vuur aan te wakkeren, dat dreef ons."

Gerard Walschap zat ook in de redactieraad van het NVT. Werd u op uw 'Nederlands' werk, wat u deed voor Randstad en in de schoot van De Bij, niet aangesproken in het NVT? Walschap heeft zich wel vaker laatdunkend uitgelaten over uw, in zijn ogen, nieuwlichterij.

"Ja, hij was vrij negatief, maar zodra het nieuwe in het NVT ter sprake kwam, stak hij geen spaken in de wielen. En ook Herman Teirlinck stond daar borg voor. Sommigen deden wel denigrerend over al het nieuwe, maar niemand kon of wou om Hugo Claus heen. Hij was de Vlaamse vlag in Nederland, maar ook van het NVT. Zo fel kon men dus niet uithalen. Mijn teksten waren veel experimenteler in hun ogen en die werden dan wel even strenger bekeken, ja. Ook later, toen Ontwikkeling al failliet was en Angèle Manteau en Julien Weverbergh het NVT hadden opgekocht. Ik zie me nog naast Marcel Coole opstappen naar een vergadering met Weverbergh. Coole zei: 'Nu je wat ouder bent geworden, Ivo, hou toch 's op met dat experimentele geschrijf.' Hij was vol goede wil, maar al die jaren zijn die teksten hem toch een beetje als een graat in de keel blijven steken. Ik heb koppig mijn eigen literatuur doorgedreven. Die koppigheid spreidde ik niet tentoon, maar ik dreef ze wel door wanneer ik op mijn eigen bladzijden zat te werken. Op die manier heb ik mij wellicht ook bevrijd van alle mogelijke invloeden van de vele teksten die ik als redacteur van Ontwikkeling, het NVT en Randstad te lezen kreeg.

"Voor Gerard Walschap waren Ward Ruyslinck en Hubert Lampo goede schrijvers. Die waren aanvaard. Met alle respect, ik val niemand aan."

Uw nadeel, uw 'reactionaire' achtergrond, werd in Nederland een voordeel? Het hielp u in De Bij-jaren zestig bij het scouten van het nieuwe?

"Ik heb dat nooit direct gezegd, maar als ik ergens tegenstand of pleinvrees ontwaar, zeg ik altijd: 'Ik weet waarover ik spreek, ik ken ze goed genoeg, de reactionairen.' Het is moeilijk om dat als argument naar voren te brengen, maar geloof me, ik weet waarover ik het heb. Ik ben altijd een beetje beducht voor die troep die de horizon zeer, al te zeer wil beperken. Dat heb ik in mijn bevrijdingsjaren, die wat laat zijn gekomen, geleerd: dat die horizon vrij moet blijven, moet kunnen wijken."

Het heeft van u persoonlijk een enorme krachttoer gevergd?

"Waarschijnlijk wel, maar tegelijkertijd gebeurde het ook zeer spontaan. Het is zoals ademen, de longen gaan open, je denkt er niet bij na. Ik heb een grenzeloze bewondering voor mensen als Nelson Mandela. Weet u dat ik 's nachts soms wakker word en zijn naam prevel? Wat die man heeft doorstaan. Bovenmenselijk noem ik dat, terwijl hij toch een eenvoudige man is gebleven. Nee, juister, hij is een van die mensen die mens zijn gebleven. Ik trek mij nog elke dag aan hem op. Hij is een mens die nooit eng is geweest, altijd groots."

Was Herman Teirlinck, toch al een waardige senior toen u zich in de wilde Bij-jaren stortte, zo iemand voor u?

"Ja, dat was een wonderbaarlijk man. Hij werd wel gerespecteerd, maar hij werd volgens mij nooit echt naar waarde geschat. Ik bewonder hem, niet alleen om wat hij voor mijn teksten heeft gedaan, maar voor zijn algehele openheid. Ik trok ook naar hem met de teksten van Krijgelmans. 'Onmiddellijk publiceren in het NVT', zei hij. Teirlinck bezat een enorme ruimheid van denken, hij begreep veel. En dat was, voor die tijd, gemeten naar de mentaliteit van zijn collega's, toch merkwaardig. Die man is altijd zeer jong van geest gebleven."

Herkende u die instelling ook bij Lubberhuizen?

"Lubberhuizen had het ook, maar hij zou het nooit zeggen. Zijn houding sprak voor zich. Hij heeft nooit één negatief woord gezegd over wat in Randstad is verschenen. Nooit. Teirlinck bleef de schrijver, en dat was Lubberhuizen niet. Hij zei wel: 'Ik ben bezig een boek te schrijven.' Jarenlang zei hij dat. 'Jullie zullen allemaal verbaasd staan.' (lacht) Dat was Lubberhuizen. Ik zie hem nog door Amsterdam fietsen. Hij was voor ons een beetje God de vader. En wij waren allemaal hemelingen. We voelden ons zo opgenomen in dit grote vriendenverband. Er was geen hiërarchie. Geert was wel directeur en het zakelijke werd strak georganiseerd. Er waren jaarvergaderingen en er was een wisselend bestuur. Op die vergaderingen werd een jaarverslag voorgelezen, een financieel rapport ook, want we hadden een fonds dat belegd moest worden en over hoe dat moest gebeuren, werd heel ernstig gepraat. Hoe vrij, hoe vrolijk, hoe hecht en hoe vol vriendschap het ook stak, er was geen amateurisme."

Hoe streng was Lubberhuizen in zijn oordeel over teksten? Hoe goed kende u hem, in zijn voor- en afkeuren?

"Hij wilde vooral teksten brengen die op een of andere manier iets openden, losgooiden, zoals de uitgeverij en Geert zelf dat van meet af aan deden. Dat was die verzetsmentaliteit. Het moest bevrijdend zijn, weerbarstig. Daarom konden moeilijker teksten zoals die van Krijgelmans, of teksten van Hugo Raes of Gust Gils later. De druk die van Geert uitging, was op zich bevrijdend."

In 1963 verschijnt Het boek alfa bij De Bij. Had u het gevoel dat dit boek, en de vier daarop volgende boeken van de cyclus, nergens anders hadden kunnen worden uitgegeven?

"Daar ben ik vast van overtuigd. Op dat ogenblik kon het wellicht bij geen enkele andere uitgever. De Bij durfde dat aan. Ten slotte hebben die boeken, en dat is toch ook verbazingwekkend, een enorme oplage gehad met tal van herdrukken. Uitgeven was voor Geert een avontuur en dat moesten ook de teksten zijn, als leeservaring. Niet alles beklijfde natuurlijk. Er zijn jammer genoeg ook auteurs weggevallen. Marc Andries, Astère Michel Dhondt. Als Vlamingen bleven we binnen het Nederlandse aanbod ook een minderheidspositie bekleden. Dat kon moeilijk anders, maar het was op zich geen probleem. Niemand bleef daar stil bij staan. Geert verwelkomde met open armen alles wat uit Vlaanderen kwam en potentie bezat."

Wat Geert Lubberhuizen als uitgever in Nederland was voor de naoorlogse literatuur, was Angèle Manteau in Vlaanderen. Was er ooit enig contact in die jaren of zag ze met lede ogen al dat Vlaamse talent naar Nederland trekken?

"Dat weet ik niet precies. Angèle Manteau heeft me op een dag wel gevraagd of ik directeur wou worden van haar uitgeverij. Dat was ik zelf vergeten tot ik onlangs in mijn archief de kladjes terugvond van twee brieven die ik schreef naar Angèle Manteau en Karel Jonckheere. Daarin bedankte ik voor het aanbod. Ik vreesde dat ik zo'n functie niet aankon. Ik was actief in twee uitgeverijen, Ontwikkeling en De Bij, en ik wist dus hoeveel werk erbij kwam kijken. Er stond in die brief zelfs dat ik het liefst bij Ontwikkeling weg wou om mij als vrij schrijver te ontpoppen. Ik wilde mij op mijn eigen schrijven concentreren. Ik stond toen net aan het begin van de Alfa-cyclus en ik had nog een hele resem andere literaire projecten waarin ik geloofde. Het ontbrak mij toen al aan tijd en later nog meer, toen ik mij ook intensief met film bezig ging houden: ik gaf les, schreef scenario's en werkte mee aan films. Het is een van de redenen waarom ik ten slotte naar Frankrijk ben verhuisd. Ik publiceerde weinig in die tijd. Tussen elk boek van de Alfa-cyclus lag ongeveer een periode van vijf jaar. Achteraf heb ik gehoord dat enkele mensen mevrouw Manteau hebben bezocht om haar te zeggen dat ik een slecht directeur zou zijn. Uiteindelijk ben ik het niet geworden. Maar er bestond dus blijkbaar wel een waardering die niet gebonden was aan één welbepaalde groep, al is De Bij dan mijn thuis gebleven."

De Bij en Randstad wilden aan de boom schudden, mensen een geweten schoppen. Maar lukte dat ook? Weekten jullie veel reactie los?

"In het begin werd Randstad, op enkele laatdunkende opmerkingen na, zeer gunstig onthaald. Natuurlijk kwamen er negatieve reacties op zoiets als Panizza's Liefdesconcilie. Maar daar waren we dan ook op uit. Wij deelden prikjes uit. Als het vuur er na dertien nummers uit was, kwam dat niet door de inhoud, wel door de onregelmatige publicatie. Het zou een kwartaaltijdschrift zijn en dat lukte in het eerste jaar. Later ontbrak de regelmaat, wat het tijdschrift als commercieel product niet ten goede is gekomen. Wij vonden dat op zich ook niet erg. Wij waren geboeid door en bezig met heel veel zaken, en Randstad was daar een van."

Reageerden jullie op negatieve reacties? Gingen jullie de polemiek aan?

"Nee. Trouwens, de redacteuren schreven zelf niet in het tijdschrift. Het tijdschrift bestond zogezegd op zich, wij bestonden in wezen niet, we reageerden dus ook niet."

Jullie waren als vier God de vaders?

"(lacht) Zoiets. Eigenlijk was zo'n redactievergadering een gebeuren van vier, en met Geert erbij, vijf mensen die literair high waren."

Hoe zwaar woog de politieke en maatschappelijke context door bij De Bij?

"Er zijn mensen die bij De Bij gebleven zijn en die belangrijke teksten hebben geschreven op het politieke vlak. Henk J.A. Hofland bijvoorbeeld, die ook in Randstad schreef. Die heb ik altijd zeer hoog ingeschat. Hij schreef de Kronieken in het tijdschrift. Die geest zat mee in De Bij. Er werd niet met vaandels gezwaaid, maar de politieke geest was er wel."

In de jaren zestig heerste er een soort dwang ten aanzien van de literatuur om 'geëngageerd' te zijn. Was dat ook zo bij De Bij?

"Nee, dat heb ik nooit geweten. Ja, De Bij was links. Ik zie niet in dat bijvoorbeeld iemand die katholiek geëngageerd was toen kopij zou hebben ingestuurd voor De Bij of Ontwikkeling, die overigens soms ook co-edities opzetten. Die tegenwind in eigen huis bestond sowieso al niet. En de verplichting om geëngageerd te schrijven, was er ook niet. Iemand als Gust Gils was een buitenbeentje, maar je kunt moeilijk zeggen dat hij geëngageerd schreef. Van Paul Snoek kon je ook niet zeggen dat hij echt politiek geëngageerd was. Een visie was er wel, maar geen echt engagement. De Bij had een zeer brede sokkel. Kijk ook maar naar de zeer verscheiden keur van buitenlandse auteurs die De Bij in pocket uitgaf : Albert Camus, Eugène Ionesco, Julien Green - wél een katholiek auteur -, Jean Anouilh, Jean Genet, Jack Kerouac, Stendhal, Jean Giraudoux... Zo breed, zo divers. Daarom noem ik het ook een grote uitgeverij. Groot, omdat ze steeds weer haar eigen grenzen probeerde te verleggen, zich nooit wilde laten opsluiten. Toen Ulysses van James Joyce voor het eerst in het Nederlands verscheen, in een vertaling van John Vandenbergh, deed De Bij alles om duidelijk te maken dat dit een gebeurtenis van formaat was. Er werden grote blauwwitte stickers gemaakt voor achter op de auto: 'Ik heb Ulysses wél gelezen!' Er werden grote vergaderingen en panels georganiseerd. Het gonsde. Joyce stond voor iets revolutionairs."

De geest van contestatie zat er wel degelijk in bij De Bij?

"Zeker en vast. Als er bijvoorbeeld moest worden geprotesteerd tegen censuur, stond de ploeg van De Bij vooraan. Op een bepaald ogenblik was er in Vlaanderen sprake van Playboy te verbieden. En hoewel niemand van ons per se de rijke baas van Playboy wilde steunen, stonden we toch op het podium om te zeggen: 'Godverdomme, néé, je mag best tegen Playboy zijn, maar je mag het niet verbieden.' En De Bij stond ook mee aan de spits toen Hugo Claus voor de rechter moest verschijnen omdat hij in Masscheroen (1968) drie acteurs naakt op de scène had gebracht. We publiceerden in Randstad ook teksten als het interview met Maurice Girodias, stichter van de Olympia Press in Parijs in 1953. Dat was een van die kleine, 'ondergrondse' uitgeverijen die in de Angelsaksische wereld verboden boeken publiceerden. Girodias' vader, Jack Kahane, publiceerde bij de door hem opgerichte Obelisk Press als eerste de boeken van Henry Miller. Dus ja, we wilden zo ruim mogelijk kijken, in eigen taalgebied en daarbuiten. Dàt was wat ik voor mezelf altijd het feest van De Bij heb genoemd. Dat was het feest van het scheppen, het feest van het maken, het feest van het doen, het feest van het denken, het feest van het zijn."

Ook filosofisch-intellectueel waren het roerige jaren in Amsterdam en Parijs, met het existentialisme van Jean-Paul Sartre.

"Ik was in mijn eerste jonge, katholieke, rechtse jaren zeer anti-existentialistisch. Nee, correctie, dat was ik níét. Ik was pro-Albert Camus, pro-Heinrich Böll, pro-Karl Jaspers, maar niet pro-Sartre. Zijn negativisme stond me tegen. Ik zag er geen opening in. Maar op een bepaald ogenblik schreef de pers dat mijn werken eigenlijk ook existentialistisch waren. Toen riep Jan Walravens: 'Jawel, meneer Michiels, u bent ook een existentialist geworden!' Zo zat ik toch nog goed. (lacht) Nogmaals, ik ben vooral Lubberhuizen allerpersoonlijkst dankbaar dat er nooit een onvertogen woord over dat weifelende verleden van mij is gezegd."

We horen niets dan positieve geluiden als u het over uw ervaringen met De Bij en Lubberhuizen heeft. Zijn er ook moeilijke momenten geweest, strubbelingen?

"Geen seconde. Geen seconde. Het is een wondermooie tijd geweest. En Geert, ach, hij was een minzame reus, een ongelofelijk groot mens. (stilte) Op een dag verliest Bert Schierbeek zijn echtgenote in een auto-ongeluk. Bert is er kapot van, hij geraakt er niet over. Lubberhuizen had een optrekje in Formentera. Hij heeft Bert Schierbeek opgepikt, is naar Formentera gereden, en daar bracht hij hem elke morgen kaviaar en champagne op bed. Dat is Lubberhuizen. Ongelooflijk. (stokt) Nog altijd, als ik aan hem denk, krijg ik de tranen in de ogen. Hij gebruikte geen grote woorden. Hij liet zich daar niet op voorstaan. Je hoorde dat later zelf van anderen, het werd niet aan de grote klok gehangen. Dit is ongelofelijk mooi, zo mooi. En die grootheid zit ondanks alle veranderingen nog altijd in de Bezige Bij. Die krijg je daar niet meer uit. Ontbreek je op het jaarlijkse feestje van De Bij? Dan komen ze je desnoods thuis ophalen. In 2003 was Gerard Reve er niet bij. Die kreeg prompt een telefoontje. Hoe of het daar was in België? 'Prima', zei hij, 'het regent, maar het grote voordeel hier is dat het, anders dan in Nederland, enkel regent wanneer het nodig is.' (lacht) Zo'n telefoontje, even horen hoe het ermee is, dat deed Geert ook.

"Op een zekere dag moet ik tegen Geert eens gezegd hebben: 'Je komt mij nooit eens opzoeken?' Hij zei: 'Je hebt het mij nooit gevráágd.' 'Dan vraag ik het je nu', zei ik. Dezelfde week nog stond hij daar. Ik woonde toen nog in Zonnegem bij Aalst, Oost-Vlaanderen. Hij heeft onderweg twee keer moeten bellen omdat hij de weg niet precies vond. Maar daar stond hij op het erf, die boom van een vent uit Amsterdam, twee meter lang. We zijn elkaar om de hals gevallen.

"Dat zegt wellicht weinig over De Bij, maar voor mij toch ook zo verdomd veel. Wat mensen bindt, laat zich niet altijd gemakkelijk uitspreken, laat staan neerschrijven. Ik weet niet of ik dit mag vertellen maar ik doe het toch. Toen ik bij De Bij kwam, werkte er een jongedame. Cor heette ze. Ze vond Het afscheid zo'n goed boek, zei ze, en dat maakte mij heel blij. Ik was verliefd op haar. Plots hoorde ik dat Geert Lubberhuizen met haar zou trouwen. Ze is zijn vrouw gebleven. (zucht) Er is nooit echt over gepraat. Ik heb mijn liefde nooit verklaard. Het is zeker niet op schrift gesteld. Dat zijn geestesbanden, die zitten hier ergens en hier (wijst naar hoofd en hart), dat zijn geen verhalen waarmee je een uitgeverij tekent. Maar onderhuids is het er wel en blijft het daar aanwezig tot wijzelf er niet meer zijn."

Filip Rogiers

Van Ivo Michiels verschijnt in 2005 bij De Bezige Bij het eerste deel van de nieuwe cyclus 'Terrasjes pikken'.

'Ach, drink toch een borrel!', zou hij zeggen''We vergaderden weleens in een heel chic restaurant waar een antieke koffer stond. Simon Vinkenoog mocht daar dan graag in kruipen. En als het menu werd voorgelegd, bedekten zowel Harry als Hugo de namen van de gerechten met een servet en kozen ze gewoon het duurste op de kaart. We waren eigenlijk grote kwajongens''Als er moest worden geprotesteerd tegen censuur, stond de ploeg van De Bij vooraan'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234