Maandag 05/12/2022

De beweging betrapt

Het toeval wil dat zowel de Rotterdamse Kunsthal als het Kröller-Müller Museum in Otterlo voor dit najaar een Isaac Israels-tentoonstelling organiseerden. Het resultaat is tot begin januari te zien: twee elkaar aanvullende exposities, die samen voor het eerst een groot overzicht geven van het werk van deze reislustige Nederlandse impressionist.

Judith Wesselingh

Isaac Israels werd in 1865 geboren in Amsterdam als zoon van Jozef Israels (1824-1911), de beroemde schilder van de Haagse School. Hij bleek een wonderkind te zijn, dat al op zeer jonge leeftijd portretjes van zijn vaders kunstvrienden maakte. In het ouderlijk huis in Den Haag stonden geregeld kunstenaars, schrijvers en verzamelaars uit binnen- en buitenland op de stoep, zoals Edouard Manet en Max Liebermann. De invloed van vader Jozef zou lange tijd een stempel drukken op Isaacs werk, maar mede dankzij de stimulerende contacten met de schrijvers en kunstenaars uit de kringen van de Tachtigers vond hij uiteindelijk zijn eigen weg.

Twee uitersten zijn het in de Nederlandse museumwereld: de moderne, publieksgerichte Kunsthal, omgeven door veel beton en glas in het hart van Rotterdam. Daartegenover staat het klassiekere Museum Kröller-Müller, dat in de luwte van het Nationale Park de Hoge Veluwe ligt, in het laatste stukje woest heidelandschap dat Nederland koestert. De twee tentoonstellingen mogen dan wel het werk van dezelfde kunstenaar laten zien, ze hebben een verschillend uitgangspunt. Het Kröller-Müller Museum had al lange tijd het plan om een tentoonstelling te maken met al het werk van Isaac Israels uit zijn collectie, dat nooit eerder in zijn totaliteit bij elkaar hing. Dankzij het verzamelbeleid van Helene Kröller-Müller en dat van de latere museumdirecteur Hammacher kan het museum op de Hoge Veluwe nu 23 schilderijen en ongeveer 300 werken op papier tonen. Vooral tekeningen dus, die onmisbaar zijn in een serieus overzicht van het werk van Isaac Israels.

De Kunsthal daarentegen heeft geen eigen collectie, maar specialiseert zich, zoals directeur Wim van Krimpen het verwoordt, in het opsporen van de minder bekende werken. Dat heeft een verrassende tentoonstelling opgeleverd, die voor bijna de helft is opgebouwd uit onbekend particulier bezit. Het overzicht van zo'n 110 schilderijen geeft bovendien een goed beeld van de hardnekkigheid waarmee Israels' geliefde thema's tijdens zijn schildersleven terugkeerden, onafhankelijk van het land of de stad waar hij zich bevond. Zo zijn er de vele stadsgezichten, waaronder de oplopende rue de Clignancourt in Parijs, geschilderd vanuit het hoge standpunt dat Israels bij voorkeur innam. Zijn penseelstreek is hier breed en de gebruikte kleuren zijn somber, passend bij een najaarse dag in Parijs. Het Noordeinde in Den Haag (ca. 1917) is veel helderder opgezet en de kleuren doen bijna mediterraans aan. Details werkte Isaac al jaren niet meer uit. De figuurtjes op hun fietsen en de slenterende voetgangers zijn opgenomen in het geheel van deze chique winkelstraat. Maar wie de tijd neemt, kan een fietsende vrouw haar hoed zien vasthouden voor de wind en rode geraniums in een bloembak onderscheiden.

Andere veel voorkomende thema's in zijn werk zijn de naaistertjes, de mannequins en de klanten in de paskamers en naaiateliers van de couturiers Hirsch en Paquin. Nadat hij enkele jaren bij het modehuis Hirsch op het Leidseplein in Amsterdam had gewerkt, vertrok Isaac in 1903 naar de Franse hoofdstad, met in zijn tas de toestemming om bij de Franse couturier Paquin te mogen schilderen. Op een prachtige aquarel, Elegante dame voor spiegel, kijkt een klant van onder haar voile naar zichzelf in een passpiegel en keurt de manier waarop de donkere mantel over haar benen valt. Israels legde het vrouwelijk schoon ook vast in het Amsterdamse Vondelpark, in het Parijse Bois de Boulogne, in het Londense Hyde Park en op de Nederlandse en Italiaanse stranden. Sommige vrouwen hebben duidelijk voor hem geposeerd, anderen lijken in één snelle beweging op doek en papier vereeuwigd.

Net als veel Franse kunstenaars rond de eeuwwisseling - Henri-Gabriel Ibels, Henri Toulouse-Lautrec en Georges Seurat -, vond Isaac Israels inspiratie in de wereld van het circus. In Otterlo hangt een mooie serie van revue-artiesten en clowns, zich schminkend in een spiegeltje, afwachtend, uitrustend. Als klein jongetje reisde Isaac Israels met zijn ouders mee door heel Europa. Parijs stond vanaf 1878 op het reisschema van het gezin Israels, omdat vader Jozef daar de jaarlijkse Salon des Artistes Français wilde bezichtigen. Het gemak waarmee Isaac later van de ene op de andere dag een trein pakte zonder van tevoren te weten hoe lang hij ergens bleef, was tekenend voor zijn grote reislust. Zijn reisplannen wijzigde hij vaak pas op het allerlaatste moment. Isaac Israels voelde zich sterk aangetrokken door het wereldje van de reizende circusartiesten en vergeleek zijn werkwijze graag met die van een acrobaat, die zijn stunt eindeloos oefent totdat die lukt.

Maar de schilder was een onrustig mens: een opera- of theatervoorstelling duurde hem te lang. Het afwisselende karakter van de circusvoorstellingen lag hem beter en de verschillende reacties van het publiek waren een welkome inspiratiebron. Het toekijkende publiek, veelal op de rug afgebeeld, krijgt bij Israels een net zo belangrijke plaats als de revueartiesten, koorddansers en de paarden in de ring. Op een studieblad dat in Otterlo hangt, heeft hij tussen de minutieuze krabbels van circusartiesten de rijen hoofden van het publiek weergegeven, de monden wijd open van verbazing.

De lust om te reizen zou Israels nooit verliezen. Spanje, Noord-Afrika, Engeland, Denemarken of Zweden, geen enkele plaats was hem ver genoeg. Een lang gekoesterde wens om naar Nederlands-Indië af te reizen werd in 1921 uitgevoerd. Bang om zich gedurende de vijf weken tellende reis te vervelen, had hij het plan meerdere malen uitgesteld. Hij verbleef uiteindelijk bijna een jaar op Bali en Java, schilderde tot hij erbij neerviel en kwam met veel werk in zijn bagage terug.

Naast de selectie schilderijen hangen in Rotterdam ook nog vijftig aquarellen, pastels en tekeningen, aangevuld met een vijftigtal schetsboekjes. Juist die laatste zijn karakteristiek voor Israels' werkwijze. Hij krabbelde er honderden van vol, tijdens zijn vele reizen maar ook in de jaren dat hij in Amsterdam en Den Haag woonde. Voor Israels was schilderen 'tekenen met olieverf' en waar het voor hem om draaide was het juiste moment te kiezen, als een snapshot van het dagelijkse leven op straat, in de parken, op het strand, in de wereld van vermaak en vertier. Als hij niet tevreden was over een doek, schilderde hij het niet over en hij vernietigde het ook zelden. Hij begon gewoon opnieuw. Een minder geslaagde tekening werd soms doorgestreept met rood krijt, om aan te geven dat de tekening op de andere zijde van het vel belangrijker was.

Voor wie de persoon Isaac Israels niet of nauwelijks kent, bieden in Rotterdam de tekstpanelen aan het begin van de tentoonstelling uitkomst, met daarnaast een goed becommentarieerde serie dia's. Daarin wordt onder andere zijn vriendschap met de schilder George Hendrik Breitner uitgelegd, die tijdens Israels' Amsterdamse jaren een belangrijke invloed op zijn werk zou hebben. Net als Breitner, voor wiens werk hij grote bewondering had, wilde Israels na het lezen van Emile Zola en Edmond en Jules de Goncourt een schilder van het moderne leven zijn. Samen met Breitner trok Israels naar de Amsterdamse Zeedijk om daar op straat en in de danshuizen en kroegen de Amsterdamse arbeiders te tekenen, de schetsboekjes in zijn broekzak. Stadsgezichten of landschappen zonder mensen zijn slechts sporadisch in Israels' oeuvre te vinden, de mens bleef uiteindelijk altijd het middelpunt.

Isaac Israels is dan ook op zijn best in de werken die de straat en haar dagelijkse drukte als onderwerp hebben. De invloed van de fotografie is in dit werk merkbaar: een passerende vrouw loopt als het ware op het verkeerde moment in beeld, op een andere tekening zijn de rug en het achterhoofd van een man afgesneden door de rand van het papier.

Vaak lijken zijn tekeningen onaf en in alle haast gemaakt. Met slechts een enkele vloeiende krul gaf hij de door de wind opbollende rokken van een passerende vrouw aan, een horizontale streep is de rand van een grote dameshoed. Maar dat was juist zijn manier om de beweeglijkheid van de stad weer te geven, de zich voorthaastende voetgangers of fietsers, regen en wind trotserend. Ze doen denken aan de studieschetsen van Pierre Bonnard uit de jaren 1895-'96, maar komen ook dicht bij het werk van Albert Marquet, die aan het begin van deze eeuw bekendheid verwierf met zijn vlotte inkttekeningen van straattaferelen. Die tekeningen waren in 1904 op de Salon d'Automne in Parijs te zien. Isaac Israels, die toen al in de Franse hoofdstad woonde, zal ze ongetwijfeld hebben gezien.

Van Parijs kreeg hij nooit genoeg. Tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was hij er te vinden, maar ook vlak na de Grande Guerre. In 1921 schreef hij aan vriend Willem Witsen: "Het is hier toch wel echt en je ziet wonderlijke dingen." Hij huurde een atelier op de boulevard de Clichy, aan de voet van de schilderswijk Montmartre. Hier zat hij op loopafstand van de cabarets, de danszalen van de Moulin Rouge en de Moulin de la Galette. In de Kunsthal in Rotterdam hangen twee schilderijen met de danszaal van de Moulin de la Galette naast elkaar, gezien vanuit hetzelfde standpunt. Stof tot vergelijking voor het publiek, zo blijkt uit de reacties die de twee schilderijen oproepen. Een man en een vrouw zitten aan een tafeltje, op het ene schilderij hebben ze nog oog voor elkaar, op het andere, grover uitgewerkte schilderij kijkt de vrouw de danszaal in en rookt hij een sigaret. In zijn kleurgebruik zijn het de gedempte tonen die overheersen: de twee doeken zijn voornamelijk opgezet in de donkere kleuren bruin, grijs en zwart, enkele kledingstukken zijn met vegen wit aangezet. Slechts het rood van de dameshoed en van het glas wijn springen eruit.

Isaac Israels bleef, zoals zijn biografe Anna Wagner schreef, altijd zichzelf, onberoerd, maar niet onverschillig te midden van de stromingen van zijn tijd. Hiermee is slechts voor een deel verklaard waarom Israels nooit deel heeft uitgemaakt van de Franse avant-garde die in deze belangrijke jaren in Parijs het fel gekleurde fauvisme met zijn vereenvoudigde realiteit ontwikkelde. Anders dan zijn landgenoot Kees van Dongen bleef Isaac Israels in Parijs buiten de schijnwerpers en zou hij er slechts een paar keer in groepsverband zijn werk exposeren.

Hij had ook nauwelijks contact met de toch grote groep Nederlandse kunstenaars die zich in deze jaren voor de Eerste Wereldoorlog voor korte of langere tijd in het bruisende Parijs ophield. Het lag waarschijnlijk niet in zijn karakter. Isaac Israels was een individualistisch kunstenaar die liever op de achtergrond bleef, weinig contact had met de kunstwereld en gewoon schilderde en tekende omdat hij daarvan hield. Die ingetogenheid weerspiegelt zich ook in zijn werk. Een uitzondering daarop vormen de kleurig uitgedoste revuemeisjes uit het Haagse Scala Theater, die Israels aan het eind van zijn leven vastlegde en die in de Kunsthal de tentoonstelling afsluiten. Deze plotselinge uitbundigheid doet denken aan de Parijse balscènes die Kees van Dongen en Jan Sluijters aan het begin van de eeuw maakten.

Door zijn schetsmatige, vibrerende wijze van werken en zijn lichte palet in de latere jaren wordt Isaac Israels vergeleken met de Franse impressionisten. Maar die laatsten hielden vast aan het credo: "Il faut traiter le sujet pour les tons et non pour le sujet lui-même." En daarin zit juist het wezenlijke verschil met het werk van Israels, voor wie het onderwerp steeds belangrijk bleef.

Zijn wijze van observeren kan omschreven worden als registrerend: er blijft in alle opzichten een zekere afstand tussen de schilder en zijn onderwerp. Sommige naakten maken een vreemde indruk, alsof Israels iets zocht in zijn modellen wat hij maar niet kon vinden. Of is het dat onaffe effect dat voor die indruk zorgt? Het ging Israels niet zozeer om een realistisch of geïdealiseerde weergave van een vrouwelijk lichaam, als om de houding, een gebaar, de gezichtsuitdrukking van zijn model. Als hij die gevonden had, was het schilderij in zijn ogen af. Hij wilde als het ware de beweging betrappen. Tekenend voor zijn zoektocht naar die beweeglijkheid in het dagelijkse leven is het feit dat hij nauwelijks stillevens maakte. In Otterlo hangt één schilderij van een mand met bloemen, dat, kenmerkend voor zijn onderwerpskeuze, toch weer op de stoeptegels staat, daarmee deel uitmakend van het straatbeeld.

Verlichte etalages, mensen op de grachten en de straten, passerende handkarren, de parken en de uitgaansgelegenheden: het stedelijke, drukke leven boeide Isaac Israels tot aan het einde toe. Ironisch genoeg zou de stad uiteindelijk ook zijn dood worden. In 1934 werd Israels op 69-jarige leeftijd door een auto geschept in Den Haag, waar hij drie dagen later overleed.

Isaac Israels, Hollands impressionist, tot 9 januari 2000 in de Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Dinsdag tot zaterdag van 10 tot 17 uur, zondag van 11 tot 17 uur. Tel. 0031/10/4400300. Catalogus: 49,50 gulden (paperback) en 59, 90 gulden (hardcover). Isaac Israels, Chroniqueur van het vlietende leven, tot 2 januari 2000 in het Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo. Dinsdag tot zondag van 10 tot 17 uur. Tel. 0031/318/591241. Catalogus: 39,50 gulden.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234