Woensdag 08/04/2020

Preventie kindermisbruik

De beste preventie tegen misbruik: je kinderen opvoeden tot weerbare wezens met een krachtig ego, een sterke wil en veel zelfrespect

Kristel Bovijn (maatschappelijk werkster in het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling in Oost-Vlaanderen): "Kinderen die meer veerkracht hebben, mondiger zijn, meer steun ervaren van hun directe omgeving, kunnen het misbruik mogelijk sneller onthullen."Beeld Eiko Ojala

Wanneer seksueel misbruik van minderjarigen aan het licht komt, is de ontzetting van de omgeving groot. Hoe is het toch kunnen gebeuren? Hoe komt het dat het zo lang onopgemerkt voorbij is gegaan? En vooral: had het voorkomen kunnen worden? Kinderen extra weerbaar maken, helpt.

'Stap nooit in witte bestelbusjes!’ ‘Neem geen snoepjes aan van grote meneren!’ ‘Ga niet mee met onbekenden!’ Wie is niet grootgebracht met die waarschuwingen? Je moet je kind op het hart drukken dat het moet oppassen voor onbekenden, zo wil het cliché. “Maar dat is veel te zwart-wit”, zegt Eveline De Bie van Sensoa. “In sommige noodsituaties mogen kinderen wél een beroep doen op onbekenden: als ze verdwalen in een pretpark, als de bus niet komt opdagen, als ze een ongeluk krijgen in het verkeer. Je moet ze natuurlijk wél leren hoe ze dat soort situaties kunnen inschatten. Het is ook belangrijk dat ze steeds iemand inlichten waar ze heen gaan.”

“Bovendien”, zegt Kristel Bovijn, maatschappelijk werkster in het Vertrouwens­centrum Kindermishandeling in Oost-Vlaanderen, “laten de cijfers zien dat het overgrote deel van het misbruik gebeurt door bekenden van het kind. Dat ze moeten oppassen voor onbekenden, begrijpen kinderen meestal snel. Maar ‘nee’ kunnen zeggen tegen iemand die dichterbij staat, is zo veel moeilijker. Zelfs de meest weerbare kinderen zijn kwetsbaar in relatie tot bekenden. Maar wel is het zo dat kinderen die meer veerkracht hebben, mondiger zijn, meer steun ervaren van hun directe omgeving, het misbruik mogelijk sneller kunnen onthullen.”

Onbekenden kunnen minder makkelijk misbruik maken van weerbare kinderen. In 2004 schreef therapeute Amy Hammel-Zabin het relaas neer van Alan (pseudoniem), een man die 1.100 aanrandingen van kinderen en jongeren op zijn kerfstok heeft en vijf keer levenslang heeft gekregen. De man heeft berouw van zijn daden en stuurde samen met zijn therapeute een soort handleiding de wereld in: hij wilde mensen leren hoe je kinderen kunt beschermen tegen figuren als hij.

Alan zei dat hij er altijd de meest kwetsbare, eenzame en weerloze kinderen uit pikte. Die waren aanvankelijk blij met de aandacht die hij hen gaf, waardoor hij hen makkelijker kon manipuleren. “De beste preventie tegen misbruik is je kinderen opvoeden tot weerbare wezens met een sterk ego, een sterke wil en veel zelfrespect”, zegt hij.

Op schoot bij tante

Wat betekent dat, een kind weerbaar opvoeden? Eveline De Bie: “Weerbare kinderen kunnen verwoorden wat ze wel of niet leuk vinden, komen voor zichzelf maar ook voor anderen op, bedenken zelf oplossingen voor problemen en kunnen en durven hulp te vragen. Met andere woorden: ze weten waar hun grenzen liggen en kunnen die bewaken.” Weerbaarheid gaat dus over veel meer dan alleen maar ‘nee’ durven te zeggen als iemand iets met je uithaalt wat je niet wilt. “Kinderen en jongeren zijn weerbaar als ze op een passende manier voor zichzelf kunnen opkomen, met respect voor de anderen. En dat heeft veel te maken met een gezond zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld.”

Een kind weerbaar doen opgroeien, begint al bij de geboorte. “Daar wordt al de basis gelegd voor een goede weerbaarheid”, zegt De Bie. “Wees warm in je opvoeding, raak je kind met genegenheid aan, geef het een veilig gevoel.

“Iets later, maar eigenlijk al zodra je kind kan praten, is het belangrijk om seksualiteit bespreekbaar te maken. Al heel vroeg. Dat zit in kleine dingen. Benoem de dingen zoals ze zijn: zeg gerust piemel of vagina, niet per se muisje of plassertje of een ander eufemisme. Verstop je maandverband of tampons niet angstvallig, maar leg ze open en bloot in de badkamer.

“Als kinderen zelf allerlei vragen stellen over hun lichaam of over seksualiteit, moet je daar niet raar of afwijzend op reageren. Geef gewoon een correct antwoord, rustig en helder. Vergeet niet dat kinderen vanaf de geboorte beginnen aan hun seksuele ontwikkeling. Kinderen zijn dus ook seksuele wezens, die nieuwsgierig zijn naar hun eigen en andermans lichaam. Dat is normaal. Leer je kind daarom dat seksualiteit en lichamelijkheid deel uitmaken van het leven.”

Bij elke stap in de seksuele ontwikkeling, horen verschillende gevoelens en gedragingen. De Bie: “Kinderen worden verliefd en spelen doktertje. Jongeren experimenteren, al dan niet online. Ook dat is normaal en bijlange geen reden tot paniek.”

Hoe leg je dan uit dat er soms wel grenzen getrokken moeten worden, dat sommige zaken wél kunnen, en andere niet?

“Je moet je kind helpen om stil te staan bij wat het voelt. Zodat het die gevoelens ook kan uitdrukken. Dat gaat trouwens niet alleen over seksuele aanrakingen. Stel, je kind wordt vaak op schoot getrokken door een tante, maar je ziet dat het dat eigenlijk helemaal niet leuk vindt. Het lijkt misschien onbeleefd dat te weigeren, maar beleefd of onbeleefd, dat doet er hier niet toe. Leg uit dat ‘nee’ zeggen tegen tante mag. Dat je kind zich door niemand moet laten verplichten. Dwing je kind zeker niet om lichamelijk contact, van welke aard dan ook, te ondergaan. Weersta aan de druk van buitenaf: wat je kind wil, is belangrijker.”

“Seksualiteit in de opvoeding valt niet te reduceren tot dat ene ‘Gesprek’, zoals vaak het geval is”, zegt Liesbeth Kennes, medewerker seksueel grensoverschrijdend gedrag CAW Oost-Brabant. “Ik vergelijk het graag met verkeersopvoeding: je geeft een kind van 12 ook niet zomaar een fiets om het dan in zijn eentje het verkeer in te sturen. Verkeersopvoeding begint rond 2,5 jaar, wanneer je zegt: ‘Eerst kijken we naar links en dan naar rechts.’ Iets later kun je je kind bij het oversteken van de straat vragen: ‘Wat doe je nu?’ In diezelfde lijn kun je seksualiteit als thema in de opvoeding zien. Het seksuele verkeer, zou je kunnen zeggen.”

Een kind dat niet bij tante op schoot wil, is bijvoorbeeld een belangrijk ‘leermoment’ in de opvoeding. “Als ouder geef je de weerbaarheid van je kind niet enkel vorm door het te zeggen wat het moet doen, maar ook door zelf het goede voorbeeld te geven. Het is heus oké om tegen een 4-jarige die bij je op schoot wil ‘plakken’ te zeggen ‘nu even niet’, als je dat niet wilt”, zegt Liesbeth Kennes.

Vertrouwenspersoon

Je kunt kinderen aanleren wat normaal seksueel gedrag is, en wat niet – zo kunnen ze situaties juist inschatten, en op een veilige manier relaties beleven, met respect voor zichzelf en voor de anderen. Eveline De Bie: “Daar zijn zes eenvoudige basisregels voor. Die regels moet je niet zomaar uit het niets gaan opdissen, in een formeel gesprek, dat voelt geforceerd. Een concreet voorval – je kind betrappen terwijl het naar de piemel van een vriendje kijkt, bijvoorbeeld – kan wel een goede aanleiding zijn om dat gesprek te openen.”

Op basis van die zes basisregels ontwikkelde Sensoa richtlijnen om gepast om te gaan met seksueel gedrag van kinderen en jongeren. “Je kunt seksueel gedrag op basis van die zes regels indelen in vier soorten”, zegt De Bie. Bij elke soort hoort ook een gepaste reactie, van bevestigen over bestraffen tot hulp zoeken. Het vlaggensysteem, noemen we dat. We maken ook pakketten om scholen en jeugdbewegingen bewust te maken van dat systeem, zodat ze adequaat kunnen reageren op kinderen en jongeren die seksueel gedrag stellen.

“Twee tienermeisjes die elkaars borsten aan het betasten zijn, en zich daar allebei comfortabel bij voelen, krijgen een groene vlag – je mag ze gewoon laten begaan. Geef ze niet het gevoel dat ze iets fout doen. Twee jongens van veertien die een meisje van twaalf dwingen tot seksuele spelletjes, krijgen een zwarte vlag: ze moeten worden berispt en bestraft.”

De manier waarop je als ouder spreekt over seksualiteit en lichamelijkheid, is erg belangrijk. Als je je zelf ongemakkelijk voelt bij het onderwerp, of je schaamt, pikt je kind dat op. “Vanaf een bepaalde leeftijd, zo rond tien jaar, beginnen de meeste kinderen het vervelend te vinden om met hun ouders over seksualiteit te praten”, zegt Kristel Bovijn. Ze vinden het vies, wijzen die gesprekken af, schamen zich. Ouders zijn dan niet meer de eerste bron van informatie: ze richten zich naar vriendjes, of, naar het internet. Dat is op zich normaal en dus niet zorgwekkend – zolang een kind weet dat het altijd bij jou terechtkan, als er iets is.”

Eveline De Bie: “Maar het is ook belangrijk je kind te leren een vertrouwenspersoon te zoeken buiten het gezin. Een leerkracht, een leider bij de jeugdbeweging. Sommige dingen deel je niet zo makkelijk, omdat er familie bij betrokken is, omdat je bang bent dat je ouders boos zullen zijn.”

Verschillende soorten geheimen

Misbruikers dwingen hun slachtoffers vaak tot zwijgen. Ze geven hen het gevoel dat ze medeplichtig zijn aan wat er is gebeurd, en dat ze er dus zelf belang bij hebben te zwijgen. Dat was ook een favoriete tactiek van misbruiker Alan. Hij creëerde zelfs extra geheimpjes, om de stiekeme band met zijn slachtoffers te versterken – hij liet ze drinken, roken, of schelden op hun ouders. Dat werd dan deel van hun geheim, waardoor de kinderen begonnen te geloven dat ze zelf een aandeel hadden in het misbruik. Het is dus belangrijk om uit te leggen hoe een kind moet omgaan met geheimen.

“Je kunt leren dat er verschillende soorten geheimen zijn”, zegt De Bie. Er zijn leuke geheimen, zoals het stiekem maken van een cadeautje voor Moederdag. Maar er zijn ook geheimen die niet oké zijn. Dingen die pijn doen. Dingen die iemand je verplicht geheim te houden.”

Kristel Bovijn: “Vaak schaamt een kind zich en spreekt het zich daarom niet snel genoeg uit over misbruik. Dat betekent helemaal niet dat het mee de schuld draagt – dat denken slachtoffers zelf helaas vaak. Maar een weerbaar kind spreekt wel sneller. Het belangrijkste is dat je je kind het gevoel geeft dat je luistert. Dat je hem of haar serieus neemt, dat hij of zij altijd bij je terechtkan. Kinderen die zeker weten dat er naar hen geluisterd wordt, zullen sneller durven spreken. Dat werkt ook preventief: daders zijn op hun hoede voor mondige kinderen: die durven ze minder snel te benaderen.”

Een weerbare opvoeding is zeker geen garantie dat een kind nooit misbruikt zal worden, maar toch: een weerbaar opgevoed kind uit een veilige thuisomgeving ruikt sneller onraad, kan zijn of haar grenzen stellen en roept eerder hulp in. Maar, en daar wringt het schoentje, niet elk kind groeit op in een veilige context, niet alle ouders leggen netjes de regels uit en hanteren het vlaggensysteem. In haar recente boek Help, mijn kind denkt aan seks!, kaartte Goedele Liekens die problematiek aan. Haar cijfers zijn nogal onthutsend: 30 procent van de jongens en meisjes tussen negen en twaalf heeft nog met niemand besproken wat seks is: niet op school, niet met vriendjes, en ook niet met de ouders. Een even grote groep zegt het nog nooit te hebben gehad over grenzen trekken.

Daarom is het zo belangrijk dat die kinderen en jongeren een goede relationele en seksuele vorming elders krijgen, op school bijvoorbeeld. En daar loopt het weleens fout. In de lagere school zit relationele en seksuele vorming (RSV) nauwelijks in de ontwikkelingsdoelen, en dus zelden in het schoolbeleid. De Vlaamse middelbare scholen zijn wel allemaal verplicht om RSV te geven, maar er zijn geen specifieke eindtermen en doelstellingen, zoals voor aardrijkskunde of Frans. Enkel de eindtermen voor biologie liggen vast: daar moeten de leerlingen alles leren over hoe de voorplanting werkt. Maar openhartige groepsgesprekken over relaties of grenzen leren stellen, zitten daar niet bij. Die hete aardappel wordt vaak doorgeschoven naar de leraars zedenleer of godsdienst. Er is geen controle of die zich goed van hun taak kwijten. Toch lopen jongeren die goed ingelicht zijn over seksualiteit en relaties, minder risico om het slachtoffer te worden van seksueel geweld.

Signalen

In Nederland streeft de organisatie SexMatters naar meer seksuele gelijkwaardigheid. Ze organiseren workshops voor jongeren, op scholen, maar ook op sportverenigingen of festivals – zo hebben ze een breder bereik. De workshop ‘consent’ gaat specifiek over het leren kennen en aangeven van grenzen. Dennis Bontje is voorlichter bij SexMatters. “De meeste mensen weten helemaal niet wat consent betekent. Ik leg het meestal zo uit: consent gaat over aangeven wat je wel en niet wilt. Het is een soort overeenkomst die je hebt, een afspraak over wat je wel en niet gaat doen. Meestal is dat onuitgesproken, en blijkt uit de context wat ongepast is, of uit lichaamstaal wat iemand wel of niet wil. Maar vaak is dat nogal onduidelijk.

“Het is dus vaak nuttig uit te spreken met welke afspraak je akkoord gaat, waar je met andere woorden consent voor geeft. De kennis van jongeren reikt vaak niet verder dan ‘nee is nee’. Als je dan doorpraat, blijkt dat ze toch veel dingen vaag vinden – over wat anderen willen, maar ook over hoe ze zelf duidelijk moeten maken wat ze niet willen.

“Uit de oefeningen die ik geef, blijkt dat de meesten het best moeilijk vinden bepaalde emoties uit te beelden of te raden, en dat twee mensen dezelfde emotie op een andere manier kunnen uiten of interpreteren. Ook blijkt duidelijk dat sommige emoties makkelijker zijn (woede, vreugde, verdriet) dan andere (nieuwsgierigheid, verwarring, schaamte). Zo laat ik ze zien dat non-verbale communicatie vaak niet toereikend is, dat er veel verwarrende grijze gebieden bestaan. Vervolgens leer ik ze hoe ze die verwarring kunnen benoemen, om te voorkomen dat ze in een grijze zone terechtkomen of iets doen wat ze eigenlijk niet willen.”

De workshops van SexMatters focussen vooral op interacties tussen jongeren onderling, maar Dennis Bontje is ervan overtuigd dat jongeren die zich bewust zijn van consent, minder snel grenzen overschrijden en weerbaarder zijn. “Trouwens, ik merk dat de meeste volwassenen ook baat hebben bij zo’n workshop. Vaak hebben zij nooit goed geleerd om te gaan met consent.”

Maar wat als een kind of jongere toch misbruikt wordt, en wel blijft zwijgen? Hoe kun je als volwassene – als leraar, als opvoeder, als leider in de jeugdbeweging, als familielid – alert zijn voor de signalen van seksueel misbruik?

“Dat is zo ontzettend moeilijk, zegt Kristel Bovijn. “Er is niet echt gedrag dat er eenduidig op wijst dat een kind of jongere wordt misbruikt. Maar er zijn een paar dingen waarop je kunt letten: plotselinge veranderingen in gedrag. Gedrag dat niet bij de leeftijd hoort. Angst voor lichamelijk contact, of het tegenovergestelde, een neiging tot aanklampen.”

Dat betekent allemaal nog niet per definitie dat er echt iets aan de hand is. “Als je zoiets opmerkt, moet je een gesprek aangaan. Stel gerichte vragen, op een vriendelijke, niet-bedreigende manier. Geef het kind of de jongere altijd het gevoel dat hij of zij vrijuit kan praten, dat je hem of haar serieus neemt. Dat is zo ontzettend belangrijk.”

Vaak is zo’n gesprek ook lastig te interpreteren: is er echt iets aan de hand, of ben je spoken aan het zien? “Bij de minste twijfel kan iedereen, kinderen, jongeren, volwassenen, bellen naar 1712.”

“Uit onderzoek blijkt dat kinderen en jongeren die misbruikt worden dat vaak aan een leeftijdgenootje vertellen”, zegt Liesbeth Kennes. “Als er een vertrouwensband is, zullen die kinderen dat op hun beurt aan hun ouders vertellen. Die moeten dan actie ondernemen. Als ouder, leerkracht of familielid moet je ingaan op het minste signaal. Volwassenen die als kind zijn misbruikt, vertellen me vaak dat hun omgeving het écht niet wilde horen. Mensen willen vaak niet weten dat iemand uit hun omgeving zulk verwerpelijk gedrag stelt. Waardoor het misbruik jarenlang kan blijven doorgaan.”

Beroepsgeheim

1712 is een hulplijn voor verschillende soorten geweld: kindermishandeling, partnergeweld, seksueel misbruik (al dan niet van minderjarigen).

In 2012 ging de hulplijn van start. Deze hulplijn wordt in elke provincie georganiseerd door de vertrouwenscentra kindermishandeling (VK) en de (autonome) centra voor algemeen welzijnswerk (CAW). Ervaren hulpverleners zitten daar aan de telefoon. Ze geven je informatie en advies of verwijzen je door naar verdere hulp.

Bellen naar 1712 kan helemaal anoniem en verschijnt niet op de telefoonrekening. Er is ook een website, waar je meer informatie kunt vinden en een contactformulier kunt invullen. Liesbeth Wyseur, woordvoerster van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, dat 1712 in 2012 in het leven riep: “Door die brede scope willen we voor iedereen toegankelijk zijn. Voor slachtoffers, maar ook voor bezorgde omstanders. Van alle leeftijden. Bij specifiekere afbakening sluit je per definitie mensen uit. Nu kan iedereen die vragen heeft over elke vorm van geweld bij 1712 terecht. Zo bellen slachtoffers vaak met een andere vraag omdat ze wat hen echt overkomen is nog niet zomaar durven uit te spreken.”

De vertrouwenscentra voor kindermishandeling werken nauw samen met 1712. Kristel Bovijn: “Aan de lijn zitten specialisten die luisteren en die je helpen de situatie in te schatten. Als je misbruik vermoedt, helpen ze je verder met nog meer gerichte vragen. Bellen naar 1712 is dus niet hetzelfde als officieel melding doen van misbruik. Aarzel dus zeker niet.”

Als het nodig blijkt, wijzen de mensen van 1712 de weg naar andere hulpverleners: dat kan een centrum voor leerlingenbegeleiding zijn, of een vertrouwenscentrum kindermishandeling. “Dan schieten wij in actie, dan kunnen we een gesprek in het vertrouwenscentrum organiseren. Vaak wordt er in de loop van het traject een huisbezoek afgelegd of vinden gesprekken ook plaats op de school of de voorziening waar een jongere verblijft. De politie of het gerecht schakelen we niet in. Het vertrouwenscentrum kan het wel, als een kind zich in acute onveiligheid bevindt, net zoals iedereen die gebonden is aan beroepsgeheim, in hoogdringendheid melden bij het parket. Maar dat is zeldzaam. We kunnen ook doorverwijzen naar het parket wanneer we verontrust blijven én we geen akkoord kunnen bereiken met de ouders en/of jongeren om de noodzakelijke hulpverlening te starten. Het jeugdparket beslist dan of er al dan niet een jeugdrechter wordt gevorderd.”

Een kleine rondvraag in mijn omgeving, wijst uit dat weinig mensen 1712 kennen. Liesbeth Wyseur: “Daar werken we aan. Jaarlijks lanceren we één of twee publieke campagnes om 1712 aan bekendheid te doen winnen bij het brede publiek. We sturen ook affiches die specifiek op jongeren zijn gericht naar scholen, sportcentra, de cultuur- en jeugdsector. Daarnaast trachten we met verscheidene media afspraken te maken: het zou fijn zijn als ze standaard het nummer 1712 afdrukken onder artikels die over geweld gaan.”

Kristel Bovijn: “Wij merken dat mensen de weg wel makkelijk vinden: gewoon ‘kindermisbruik’ googelen, brengt je al op het juiste pad.”

Er is geen toverformule om kinderen en jongeren weerbaar te maken tegen seksueel misbruik. Maar een open, niet-gecrispeerde seksuele en relationele vorming, een gevoel van veiligheid en een alerte omgeving, zijn ontzettend belangrijk. Dat bevestigt ook misbruiker Alan: “Kinderen naar wie geluisterd wordt en die zich begrepen voelen, zijn veel veiliger.”

Dit artikel maakt deel uit van het dossier 'Preventie seksueel kindermisbruik'. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234