Woensdag 29/06/2022

InterviewJim Huylebroek

De Belgische fotograaf Jim Huylebroek in Kaboel: ‘Mijn werk is onder de taliban makkelijker geworden’

Jim Huylebroek / Afghanistan, 15 augustus 2021. Een strijder op een Amerikaanse humvee, als de taliban Kaboel binnentrekken. Huylebroek vindt dit zijn belangrijkste foto.  Beeld Jim Huylebroek
Jim Huylebroek / Afghanistan, 15 augustus 2021. Een strijder op een Amerikaanse humvee, als de taliban Kaboel binnentrekken. Huylebroek vindt dit zijn belangrijkste foto.Beeld Jim Huylebroek

Terwijl de meeste westerse journalisten tijdens de machtsovername van de taliban uit Afghanistan vertrokken, besloot de Belgische fotograaf Jim Huylebroek te blijven in het land waar hij al zes jaar woont. Het leverde hem een unieke positie op.

Gijs Beukers

Op 14 augustus staan de taliban, twintig jaar nadat de Amerikanen ze uit de Afghaanse hoofdstad hebben verdreven, weer aan de poorten van Kaboel. Uit angst voor wraakzucht van de jihadisten besluiten westerse media te vertrekken. The New York Times organiseert halsoverkop de evacuatie van 25 medewerkers – de krant heeft in Kaboel 2 Amerikaanse correspondenten in dienst, 6 lokale journalisten plus ondersteunend personeel, onder wie een tuinman – en 100 familieleden.

De krant zegt ook tegen fotograaf Jim Huylebroek (32), die sinds 2015 in de stad woont, dat hij zijn spullen moet pakken. Maar hij is freelancer, ze kunnen hem niet dwingen. Huylebroek besluit te blijven, samen met zijn huisgenoot Matthieu Aikins, die schrijft voor The New York Times Magazine. “Ik heb daar geen moment over getwijfeld”, zegt hij telefonisch vanuit zijn geboorteplaats Antwerpen, waar hij kerst heeft doorgebracht. “De taliban hadden gezegd dat ze westerse journalisten met rust zouden laten, en er waren geen verhalen bekend waaruit het tegendeel bleek.”

De dag zelf verloopt “overweldigend stressvol”, zegt Huylebroek. “We moesten nog geld halen bij de banken, die de volgende dag misschien zouden sluiten. We moesten eten en drinken in huis halen. We moesten zorgen dat onze chauffeur en schoonmaker zich comfortabel voelden om te blijven. Uiteindelijk heb ik die dag, die toch belangrijk is in de geschiedenis, geen enkele foto gemaakt.”

Maar als de taliban de volgende dag Kaboel innemen, blijkt het zo’n vaart niet te lopen. De supermarkten blijven gevuld, de banken open, al staan er lange, chaotische rijen. “Alle druk viel weg”, zegt Huylebroek. “Ik dacht: let’s do this. Laten we dit in beeld brengen. De eerste keer dat ik een talibanvlag in het openbaar zag, dacht ik: ja, dit is de nieuwe realiteit in Kaboel.”

Hij is, zegt hij, een van de vier westerse fotografen die die dag vanuit Kaboel op straat verslag doen. “Dan tel ik de journalisten niet mee die zich op het vliegveld bevonden. Zij stonden onder bescherming van de Amerikanen.”

Maart 2020, twee jongetjes passeren talibanstrijders in de regio Alingar.  Beeld Jim Huylebroek/ANP/The New York Times
Maart 2020, twee jongetjes passeren talibanstrijders in de regio Alingar.Beeld Jim Huylebroek/ANP/The New York Times

In het chaotische verkeer maakt hij een van zijn belangrijkste foto’s. Een bebaarde talibanstrijder met tulband die, zittend op de voorkant van een Amerikaanse humvee, recht in de camera kijkt, een kalasjnikov in zijn rechterhand. Huylebroek: “Een symbolisch beeld.”

De foto is de volgende dag te zien over bijna de volle breedte van de voorpagina van The New York Times. In de week die daarop volgt, is Huylebroeks werk nog drie keer op die prestigieuze plek te zien.

Of hij dat eervol vindt? “Tja”, zegt hij, “ik was eerder gefrustreerd dat bijna al mijn collega’s waren vertrokken, waardoor we niet veel beter verslag konden doen. Ik dacht: wat doen jullie? Dit is dé gebeurtenis van de afgelopen decennia, en dan vertrekken de journalisten. Maar ik begreep ook dat die beslissing niet van henzelf was, maar van de krant.”

Jim Huylebroek. Beeld
Jim Huylebroek.

Wie is deze eigenzinnige fotograaf? Welke afwegingen maakt hij als hij foto’s neemt aan de frontlinie van een oorlog? En hoe is het om te werken onder de taliban?

De liefde voor fotografie begint met zijn grootvader, die al vanaf de jaren zestig alle exemplaren van National Geographic bewaart. Na de middelbare school koopt Huylebroek een ‘deftige camera’ en reist hij met een vriend door Zuid-Amerika, Australië en Azië. “Dat jaar is het een passie van me geworden.”

Na twee jaar stopt hij met de studie kinesitherapie en gaat hij fotografie studeren. Voor zijn afstudeerproject, in 2014, gaat hij naar Mali, waar Franse en Navo-soldaten vechten tegen rebellen van Al Qaida en de Toeareg.

Lees ook

Amerikaanse correspondente Clarissa Ward bleef tot het einde in Afghanistan: ‘Het was moeilijker om CNN te overtuigen dan de taliban’

‘Ze zijn gek! Ze vernietigen onze levens’: Hoe is het in Afghanistan, vier maanden nadat de taliban de macht overnamen?

Graag was hij in het Afrikaanse land gebleven, maar hij merkt al snel dat er voor de oorlog daar nauwelijks aandacht is vanuit Europa. En dat is niet ideaal voor iemand die een portfolio wil opbouwen om daarmee aan te kloppen bij Belgische en Nederlandse tijdschriften. Naar Syrië of Irak dan maar? Die twee landen zijn op dat moment immers volop in het nieuws vanwege de opkomst van Islamitische Staat. Maar dat betekent ook dat er veel concurrentie is van andere fotografen. Bovendien is het er onveilig. “Jonge fotografen zijn er doodgeschoten en gekidnapt.”

Dus koopt hij uiteindelijk een ticket naar een plek waar minder concurrentie is dan in Syrië en Irak, maar waarvoor meer aandacht is dan voor Mali: Afghanistan. De Amerikanen beginnen zich uit het straatarme land terug te trekken. Daardoor zijn de taliban weer in opmars. “Hoe slechter het hier zou gaan, hoe meer ik als fotograaf zou leren”, zegt Huylebroek. “En ik dacht dat ik misschien de kans zou krijgen om op een uniek moment op een unieke plek te zijn.”

Frontlinie

Hij krijgt opdrachten van ngo’s, de VN, de Norwegian Refugee Council. Sociale contacten doet hij op na bombardementen, een macabere ontmoetingsplaats voor journalisten. Zo leert hij Bilal Sarwary kennen, een Afghaanse journalist die al jaren werkt voor de BBC. Huylebroek: “Hij had een kamer over en vroeg of ik bij hem kwam wonen. Hij herkende een drive in me en wilde me helpen met zijn netwerk.”

Huylebroek besluit in Afghanistan, een land van 40 miljoen inwoners, te blijven hangen. Door zijn gesprekken met de “ontzettend gastvrije Afghanen” leert hij Dari, het oostelijkPerzisch dat veel inwoners spreken. “Dat is een redelijk gemakkelijke taal. Pasjtoe, de andere belangrijke taal, is qua grammatica en uitspraak moeilijker. Dat versta ik maar een beetje.”

In 2017 ontmoet hij de Afghaanse The New York Times-verslaggever Mujib Mashal, die belooft dat hij zal proberen om Huylebroek aan de krant te koppelen. “Hij had een interview met een vrouw die op één dag drie zonen was verloren; ze werkten als politieagenten op een checkpoint dat door de taliban was aangevallen. Als ik die dag foto’s van de begrafenis zou nemen, zou hij dat tegen zijn redacteur in New York zeggen. ’s Avonds werd ik gebeld: of ze mijn foto’s konden bekijken en eventueel publiceren.”

De volgende dag ziet Huylebroek zijn foto pontificaal op de voorpagina. “Die eerste keer, dat is iets wat ik zeker en vast nooit meer ga vergeten.”

Tijdens de burgeroorlog tussen het Afghaanse leger en de taliban stond Huylebroek vaak aan de frontlinie. Hoe bepaalde hij of dat veilig was? “Als ik voor The New York Times op pad ging, was dat niet aan mij. De krant heeft een heel veiligheidsapparaat in Kaboel dat groen licht moet geven. Maar als je voor jezelf werkt, is het een kwestie van gezond verstand. Als we aansluiten bij een militie of het Afghaanse leger, moeten we ons buikgevoel volgen.”

Huylebroek werkt voor The New York Times veel samen met Thomas Gibbons-Neff, een Amerikaan die twee keer als marinier werd uitgezonden naar Afghanistan en daarna terugkwam als schrijvend journalist. “Hij is de terughoudende van ons tweeën. Schrijvers kunnen van een afstand rapporteren, maar een fotograaf moet bij de actie zijn.”

Een Amerikaanse soldaat  in een CH-47 Chinook-helikopter boven Kaboel, op 2 mei 2021. Beeld Jim Huylebroek/ANP/The New York Times
Een Amerikaanse soldaat in een CH-47 Chinook-helikopter boven Kaboel, op 2 mei 2021.Beeld Jim Huylebroek/ANP/The New York Times

Twee weken voor de val van Kaboel was het tweetal in Kandahar, de tweede stad van het land. Het leger en de politie vochten daar op dat moment met de taliban. Huylebroek: “Van het leger mochten we er de nacht doorbrengen, maar als zij zouden worden overrompeld, zouden we als ratten in de val zitten. Ik wilde het erop wagen, maar Thomas en onze lokale collega voelden zich daar absoluut niet goed bij. Uiteindelijk zijn we vertrokken. Toen was ik wel even boos, ja.”

Bespreekt hij dit soort afwegingen ook met zijn familie? “Nee, niet dit soort specifieke gevallen. Wel de algemene risico’s. Dat zijn moeilijke gesprekken. Ik weet dat mensen zich zorgen maken om mij. Het is ook moeilijk uit te leggen hoe het in Afghanistan is. Als ik in België hoor over een bomaanslag in Kaboel, vrees ik ook altijd direct het ergste voor mijn vrienden. Maar meestal is het leed kilometers van onze buurt.” Maar niet altijd. “In 2018 zijn in Kaboel negen journalisten bij een aanslag gedood. We weten dat het niet zonder risico is en dat het zwaar is voor onze families.”

Na een bomaanslag die de Belgische pers zal halen, stuurt hij een berichtje naar zijn moeder. “Niet over de aanslag, maar gewoon met ‘hoe gaat het’ of zo. Zodat ze weet dat het goed zit.”

Gek genoeg ervaart hij in België meer stress dan in Afghanistan. “Dan wind ik me ineens op over de file, of dat ik ergens te laat kom. Misschien is dat een uitlaatklep voor de stress die ik in Afghanistan niet voel.”

Begin december fotografeert hij in een ziekenhuis in Kandahar het uitgemergelde meisje Amina. Hulporganisaties zeggen dat de hongersnood deze winter een miljoen kinderen kan doden. The New York Times vindt de foto te heftig en publiceert hem niet. “Terwijl ik dat het sterkste beeld uit mijn reeks vind. Het is toch belangrijk om te laten zien wat de gevolgen zijn van twintig jaar westerse interventie? Maar de krant is voorzichtig met het plaatsen van controversiële beelden die een storm op Twitter kunnen veroorzaken.” Huylebroek plaatst de foto uiteindelijk op zijn Instagram-pagina.

Praat hij met een therapeut om dit soort beelden te verwerken? “Nee, ik weet dat er veel posttraumatische stress is in de oorlogsjournalistiek, maar ik heb daar nog geen last van. Het klinkt gek, maar met mijn lens zit er effectief iets tussen mij en de moeilijke momenten in. Het helpt dat ik me moet concentreren op de compositie, de sluitertijd en het diafragma.”

De hongersnood – verergerd doordat veel landen weigeren noodhulp te sturen naar een voormalige vijand – is een van de tekenen dat het leven voor de normale Afghanen moeilijker is geworden onder de taliban.

Executies

Voor Huylebroek is het tegendeel het geval. “Ik kan niet spreken voor vrouwelijke of Afghaanse collega’s, maar sinds ik van de taliban een officieel werkdocument heb gekregen, is het voor mij absoluut gemakkelijker geworden. Tijdens de oorlog konden we weinig reizen, omdat de kans op kidnapping en aanslagen redelijk groot was. Dat is nu voorbij. Ik heb, voorlopig althans, veel meer toegang tot dorpen op het platteland.”

Zorgelijk is wel dat het perspectief van vrouwen daar onderbelicht blijft, zegt Huylebroek. “Maar dat ligt niet aan de taliban. Op het conservatieve platteland is het al lang een ongeschreven wet dat vrouwen worden afgeschermd van mannen buiten de familie. Daarom is het zo fantastisch dat er nog steeds vrouwelijke journalisten uit Afghanistan en het Westen werken.”

In Kaboel ziet Huylebroek nog steeds vrouwen lopen die niet volledig gesluierd zijn. “De boerka is nog niet verplicht, zoals in de jaren negentig.” Wel hebben de taliban deze week nieuwe regels aangekondigd voor vrouwen. “Ze mogen onder andere geen lange reizen meer maken zonder mannelijk familielid.”

De taliban mogen dan zeggen dat westerse journalisten hun gang kunnen gaan, de vraag is natuurlijk wel of alle strijders de centrale leiding gehoorzamen. “Dat is waar”, zegt Huylebroek. “Maar ik heb zelf nog geen bedreigende situatie meegemaakt – even afkloppen. Überhaupt zijn er nog geen westerse journalisten ontvoerd of gedood door de taliban sinds midden augustus, wat best gek is omdat er na de val van Kaboel heel veel naar Afghanistan zijn gekomen.”

En hoe zit het met de berichten dat de taliban met huiszoekingen jacht maken op voormalige tegenstanders, om hen vervolgens te executeren? “Ik wil absoluut geen woordvoerder zijn van de taliban”, zegt Huylebroek, “maar ik meen dat veel media, ook gerespecteerde, te makkelijk informatie van Twitter overnemen zonder die te verifiëren. Wij zijn bij die huizen langsgegaan, maar hebben geen enkel bewijs voor een campagne van executies kunnen vinden.”

Door simpelweg aan te kloppen bij een huis betrapt hij ook het Amerikaanse ministerie van Defensie op een grove onwaarheid. Als het Pentagon eind augustus claimt dat het met een droneaanval IS-strijders in een auto heeft gedood, gaat Huylebroek daar samen met zijn huisgenoot Aikins naartoe – het rokende karkas van de auto staat 3 kilometer van hun huis. Maar als zij met de familie van de gedode inzittende spreken, blijkt dat hij geen IS-strijder was, maar werknemer van een Amerikaanse hulporganisatie. Bij de aanslag overlijden nog eens negen familieleden van de man, onder wie zeven kinderen.

Twee weken later erkent een Amerikaanse generaal de fout. “Wauw, we hadden bijgedragen aan een publiek excuus van het Pentagon”, zegt Huylebroek. “Maar twee weken geleden is besloten dat niemand hiervoor wordt bestraft. Het is nog de vraag of de getroffen familie een vergoeding krijgt of wordt geëvacueerd, omdat nu bekend is dat de man voor een Amerikaanse organisatie werkte.”

Op langere termijn wil ook Huylebroek weg. Zijn sociale leven is verdwenen: zijn drie vrienden zijn in augustus vertrokken en feestjes, zelfs muziek, zijn verboden. “Ik heb een intieme connectie met het land, dus ik zal altijd blijven terugkeren. Maar ik wil ook graag naar andere regio’s. Ik denk nu na over wat voor mijn carrière de slimste stap zou zijn.”

Wit scherm

Na de val van Kaboel was Huylebroek een van de weinige freelancers van The New York Times ter plaatse. Bij gebrek aan schrijvende collega’s nam hij zelf de pen ter hand. “Het was niet gemakkelijk om foto’s te maken, de logistiek te regelen, de risico’s te analyseren en te schrijven – en dat allemaal in een dag. In het begin heb ik dan ook vaak lang naar een wit computerscherm gekeken. Maar al snel ging dat beter.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234