Vrijdag 18/10/2019

De armoezaaier die rocker móést worden

Als zoon van een stel muzikaal begaafde waterzigeuners kon Ron Wood wel niet veel anders dan rockmuzikant worden. Maar voor hij de geschiedenis inging als Rolling Stone diende hij natuurlijk wel een leerschool te doorlopen. En dat deed hij samen met Rod 'the Mod' Stewart, de man die nooit goed wist of hij een sportwagen nodig had om mooie vrouwen te versieren of een mooie vrouw reden genoeg was om een sportauto te kopen.

ie op de ochtend van 28 april 1975 over de New Yorkse Fifth Avenue liep, kreeg een interessant fenomeen te zien: een open vrachtwagen die zich traagjes een weg baande tussen het verkeer en waarin een rockband stond te spelen. De vijf mannen lachten zich te pletter terwijl ze naar de massa journalisten wezen die hen te voet achterna zat. "Fuck off", riepen ze. "Ga toch terug naar huis, stelletje stumpers." Waarna de chauffeur het gaspedaal indrukte en de pennenlikkers noodgedwongen dienden af te druipen.

De mannen in kwestie vormden de Rolling Stones. Ze hadden een persconferentie belegd in het Feathers Restaurant, op de hoek van Ninth Street en Fifth Avenue, waar ze de details van hun nieuwe tournee bekend zouden maken. Maar in plaats van braafjes aan een tafeltje te gaan zitten om de muziekpers de gewilde interviewtjes te bezorgen waren ze dus op die vrachtwagen geklommen en hadden ze de eerste noten van 'Brown Sugar' ingezet. Voor het restaurant hadden ze even halt gehouden om het journaille de tijd te geven naar buiten te stormen, waarna ze de chauffeur teken hadden gegeven weer verder te rijden.

De rockers amuseerden zich kostelijk, dat zag iedereen, maar één man leek een nog bredere glimlach op zijn gezicht te hebben dan de anderen: Ron Wood. Hij had dat jaar wel al een aantal keer gitaar gespeeld op een concert van de Stones, maar officieel maakte hij toen nog geen deel uit van de band. Pas op 1 juni 1975, precies op zijn 28ste verjaardag, zou hij zijn eerste echte Stonesconcert geven, in Baton Rouge, en daarmee zou zijn leven een totaal andere wending krijgen.

Toen Ron in 1947 geboren werd in de kleine, knusse sociale huurwoning gelegen aan Whitethorn Avenue in Yiewsley, een plaatsje nabij Heathrow, was hij na zijn broers Ted en Art nog maar de derde Wood die op het vasteland ter wereld kwam. Zowel langs vaders als langs moeders zijde stamde hij immers af van waterzigeuners die op boten leefden en hun kost verdienden met allerhande klusjes. Het waren vrijbuiters die liever arm maar onafhankelijk waren dan welgesteld maar gebonden. Opa Fred bijvoorbeeld leek met zijn houten been nog het meest op een piraat, en wanneer hij langs de kant van de weg ging staan, in zijn ene hand een smeulende sigaar en in zijn andere een fles rum, ging menig voetganger toch maar liever een straatje om.

Armoede was voor de Woods de gewoonste zaak van de wereld. Omdat het huis te klein was voor vijf mensen diende de kleine Ron tot zijn vijftiende in het berghok te slapen. Vlees kwam er niet op tafel en het gezin leefde vooral van gestolen fruit. Een tv was er vanzelfsprekend niet, maar als de Woods iets wilden zien, wipten ze gewoon even binnen bij de buren. Wie het niet breed heeft, wordt automatisch vindingrijk, en geldgebrek, zo blijkt uit het levensverhaal van Ron Wood, hoeft nog niet meteen tot emotionele of intellectuele verwaarlozing te leiden.

Wat Art, Ted en Ron misten aan materiële luxe kregen ze immers meer dan voldoende gecompenseerd in liefde en muziek. Vader Archie maakte deel uit van een vierentwintigkoppige harmonicaband en hij ging nergens heen zonder zijn instrument. Ieder familielid bespeelde wel het een of het ander, met als hoogtepunt natuurlijk tante Ethel, die pianiste was geweest en in de bioscoop stomme films had begeleid.

Maar de modale Wood maakte muziek met minder hoogstemmende instrumenten. Wanneer er een familiefeest werd georganiseerd, haalde iedereen op een gegeven moment - wat te voorspellen was aan de hand van de schamele hoeveelheid alcohol die nog in de fles restte - zijn kam, papier, kazoo of lepels boven, waarna er een bijzonder origineel concert volgde. En ook de kleine Ron liet zich niet onbetuigd. Op zijn negende was hij al zo goed in het bespelen van het wasbord dat hij door zijn twee oudere broers werd meegenomen voor een optreden in de Marlboroughcinema, samen met de Candy Bison Skiffle Group, een band die de geschiedenisboeken niet had gehaald als dat kleine schriele ventje, dat zo op een meisje leek dat het voor de grap wel eens Ronda werd genoemd, er geen deel van uitgemaakt had.

Zijn eerste platenspeler had Ron trouwens ook aan zijn broers te danken. Hij kreeg een fragiele Dansette cadeau en draaide er, bewonderd door zijn hele familie, platen op van Elvis, Jerry Lee Lewis, Big Joe Williams en Count Basie. Ook Fats Domino lag goed bij de Woods, uitgezonderd die ene keer, toen Ron 'I'm Walking' draaide en daarmee het gezin op zijn eerste fade-out trakteerde. Naarmate de muziek stiller werd, boog moeder haar hoofd dichter naar de kleine ingebouwde luidspreker toe, zich afvragend waar het geluid naartoe ging. Toen het eindelijk stil geworden was, richtte ze zich weer op en zei licht geïrriteerd: "Neem die plaat maar weer mee en koop er een met een fatsoenlijk einde!"

Ron deed allerlei klusjes en op zijn veertiende had hij genoeg geld gespaard om zijn eerste gitaar te kopen. Hij tokkelde erop los, nam het ene na het andere moeilijke akkoord en bleek begiftigd met een uitzonderlijk aanleg. "Er is niets aan", zei Johann Sebastian Bach ooit. "Het enige wat je moet doen, is de juiste noten op precies het juiste moment aanslaan, dan bespeelt het instrument zichzelf." Zo ongeveer moet het ook voor Ron geweest zijn. In de band van zijn broers mocht hij echter niet spelen. Daar werd hij nog niet goed genoeg voor geacht. Die musiceerden immers liever met ene Mick Jagger en Charlie Watts, twee beginnelingen die niet veel later Keith Richards en Brian Jones tegen het lijf zouden lopen, waarna de Rolling Stones een feit waren.

Nee, als hij het ergens wou brengen, zou hij het zelf moeten doen en daarom richtte hij samen met een aantal vrienden de Thunderbirds op, een band die al vlug zijn naam diende te veranderen in The Birds omdat er een animatieserie op tv liep met die titel en de makers ervan niet echt opgezet waren met dat stelletje langharig gespuis dat zich op hun kosten wou verrijken. Al was verrijken natuurlijk een groot woord.

Als ze gecontracteerd waren voor een gig laadden The Birds hun instrumenten op een steekkar en gingen ze op stap, er angstvallig over wakend dat ze onderweg niets verloren, wat steevast gebeurde natuurlijk. Geld voor fatsoenlijk vervoer was er niet, en dat bleef zo tot ze door hun eerste manager aan de haak werden geslagen. Die man bezorgde hen een aftandse bestelwagen, maar voor al die goede zorgen rekende hij zoveel geld aan dat ze hem sommige weken meer dienden te betalen dan ze verdienden.

De carrière van The Birds nam een hoge vlucht en toen ze nog maar een jaar bestonden, speelden ze al op het Glad Rag Ballfestival, naast grootheden als The Kinks, The Hollies en The Who. Ze werden tot de twintig beste livebands van het land gerekend, maar hadden nog nooit een hit gescoord, wat veranderde met 'You're on My Mind', een nummer dat bij nader inzien verdacht veel gelijkenissen vertoonde met 'There's a Certain Girl' van de Yardbirds. Wood schreef het nummer echter op zo'n manier dat niemand dat op het eerste gezicht merkte, daarmee bewijzend dat het belangrijkste in het leven niet is wat je jat, maar wel de manier waarop je dat doet. Het leverde The Birds een stek op in de top 50 en een platencontract bij Decca.

De eerste helft van de jaren zestig stond in Groot-Brittannië in het licht van de strijd tussen de mods en de rockers. Het was een bizarre tijd waarin alles draaide om welke kleren je droeg, waar je op reed en van welke muziek je hield. De rockers vonden de mods verwende, rijke jochies die rondreden in mooie auto's of op Vespa's en Lambretta's en stoned werden van lsd. De mods vonden de rockers op hun beurt dan weer herrieschoppers uit de arbeidersklasse die rondreden op Triumphmotoren en zich laveloos zopen aan goedkoop bier. Mods droegen mooie kleren en hielden van jazz, blues, soul, r&b, Jamaicaanse bluebeat en ska. Rockers droegen jeans en leer, dachten dat ze de Engelse versie van de Hell's Angels waren, kamden hun vette haren achterover en waren weg van Elvis, Gene Vincent en Eddie Cochran.

Nu was die tegenstelling op zich niet echt een probleem zolang de twee groepen maar uit elkaars buurt bleven. Maar dat was niet altijd mogelijk, en dan volgde steevast een knokpartij, met als hoogtepunt het Pinksterweekend van 1964, toen duizenden mods en rockers met elkaar op de vuist gingen in Brighton, Margate en Broadstairs.

Ron Wood was een mod en toen hij op een dag in 1965 in zijn favoriete pub rustig een glas zat te drinken zag hij een geloofsgenoot de deur opensteken. Deze droeg een geruit Pipo de Clownjasje en had zijn haar bijna net zo hoog staan als Ron. Daar was een gelijkgestemde ziel, zo besefte deze meteen, en alhoewel hij toch een beetje geïmponeerd werd door het blauwe oog van de vreemdeling, geraakten ze toch aan de praat, iets wat hij nooit betreurd heeft.

De jongeman bleek immers niemand minder dan Rod 'the Mod' Stewart te zijn, een veelbelovende zanger die met 'Good Morning Little School Girl' net de hitparade was binnengekomen. Ron en Rod bleken van dezelfde muziek te houden en het bijzonder goed met elkaar te kunnen vinden. Hun favoriete band bleek The Small Faces te zijn.

Rod Stewart was zonder enige twijfel de kleurrijkste figuur uit Ron Woods vroege carrière. In feite wou hij helemaal de muziek niet in, maar had hij zijn ambities in de voetballerij gelegd. Omdat hij niet goed genoeg was, diende hij echter wel te gaan musiceren. Toen hij Ron nog maar net ontmoet had, troonde hij deze mee naar zijn ouderlijke huis in het burgerlijke Highgate om hem zijn verzameling modeltreinen te tonen, wat echt geen eufemisme was om eens flink te gaan rollebollen onder de tafel met de modelspoorbaan. Nee, Rod hield van vrouwen, en van sportauto's natuurlijk, en wat er daarbij het eerst kwam is nooit duidelijk geweest. Rod hield immers de theorie hoog dat je een sportauto nodig had om een vrouw te versieren. En dat was de reden waarom hij straatmuzikant was geworden, omdat hij zo dacht genoeg bij elkaar te kunnen harken om zo'n auto te kopen.

Toen eind 1966 The Birds een vroege dood stierven en niet veel later ook de Yardbirds het kopje kwamen te leggen, veranderde er heel wat in muzikaal Londen. De Yardbirds bestond immers uit een aantal muzikanten met een bijzonder groot ego - wat samenwerking altijd moeilijk maakt natuurlijk - die het later ieder op hun manier nog ver zouden schoppen: Eric Clapton, Jeff Beck en Jimmy Page. Beck wou na het roerige afscheid van de andere Yardbirds zijn eigen band oprichten en vroeg daarom Ron en Rod of ze niet bij hem wilden komen spelen, wat ze maar al te graag deden. Er volgden grandioze jaren. De Jeff Beck Group bleek aanvankelijk een dolle bende te zijn die zich in hetzelfde clubcircuit begaf als Sly and the Family Stone, Cream, de Greatful Dead en Jethro Tull - die ze steevast Jethro Dull, Bore 'Em at the Forum noemden.

Mettertijd groeiden echter de spanningen binnen de Jeff Beck Group, voornamelijk omdat hun manager zijn kracht en aandacht op Jeff en Rod richtte en de rest van de band aan zijn lot overliet. Omdat Wood dit niet over zijn kant kon laten gaan, werd hij in maart 1969 aan de deur gezet. Maar na een kort intermezzo bij het psychedelische Creation, waar hij gevraagd werd om gitaar te spelen met een strijkstok en te schilderen op het podium, stond hij vlug terug bij Beck. De man bleek geen vervanger te kunnen vinden voor Wood, wat deze een aardige machtspositie opleverde - en het loon van 2.000 pond per week. Maar lang bleef ook dat niet duren. Twee weken voor ze zouden optreden op het vermaarde Woodstockfestival splitte de Jeff Beck Group en stond Wood op de stenen.

Ieder mens neemt wel eens een verkeerde beslissing en soms lijkt het lot wel een heel rare toekomst voor ons weggelegd te hebben, maar pech - en geluk natuurlijk - lijkt in het leven van Wood wel heel doorslaggevend geweest te zijn. Toen de Yardbirds splitten, werd hij bijvoorbeeld gevraagd voor een doorstart van de groep. Hij zag dat niet zitten en kreeg daar spijt van toen die band niet veel later zijn naam veranderde in Led Zeppelin.

Echt al te bar werd het in 1970, toen Mick Jagger hem belde met de vraag of hij niet bij de Stones wou komen spelen. Toevallig nam Woods vriend Ronnie Lane toen de telefoon op. Hij aanhoorde Jaggers vraag en antwoordde toen droogjes: "Ronnie is gelukkig op de plek waar hij nu zit, dank je wel." Waarna hij de hoorn inlegde en Mick Taylor vijf jaar lang de gitarist van de Stones zou zijn.

Maar dat betekent natuurlijk niet dat Ron Wood die vijf jaar met zijn vingers zat te draaien. Samen met Rod Stewart trad hij toe tot de Faces, de vroegere Small Faces die zich nu groot genoeg achtten om dat Small te laten vallen. In 1971 leverde hen dat een eerste optreden in Top of the Pops op. John Peel speelde mandoline, Stewart rotzooide wat met een voetbal en het publiek smulde ervan.

De Faces groeiden mettertijd uit tot een ware sensatie, deels omdat ze goeie muziek brachten, maar ook wel omdat ze zichzelf zo weinig serieus namen. De helft van de tijd stonden ze te lachen op het podium omdat een van die "vijf jongens met hetzelfde kapsel, maar slechts één föhn" - zoals Rod Stewart hen typeerde - een verkeerde noot had gespeeld, en de fans op de festivalweides lachten maar al te graag mee. Hun grootste successen behaalden ze in de VS, waar ze uitgroeiden tot de tweede grootste band, na de Stones.

Windeieren legde dit Wood niet. In 1971 kocht hij de Wick, een prachtig achttiende-eeuws huis met twintig kamers en een groot park in het Londense Richmond. Het eerste wat hij deed, was de kelder verbouwen tot een opnamestudio met het idee er een soloalbum op te nemen. Dat plan zette kwaad bloed bij de andere leden van de Faces, maar toch niet voldoende om echt verontrustend te zijn.

Toen in 1975 Mick Taylor het niet langer zag zitten bij de Stones en Jagger Wood opnieuw vroeg om gitarist te worden van zijn band, koos deze resoluut voor de Faces. Hij wilde zijn oude kompanen en zeker Rod Stewart niet afvallen. Wat hij echter wel deed, was als freelancer aan de slag gaan bij de Stones, wat de andere Faces net zo goed als verraad zagen natuurlijk. In de zomer van 1975 toerde Wood zowel met de Stones als met de Faces, wat meteen ook de laatste concerten zouden worden van deze compleet uitgeleefde band.

Vertaald en bewerkt door Marnix Verplancke

Morgen

Wood wordt in 1975 dan toch gitarist bij de Stones

Iedereen neemt wel eens verkeerde beslissingen. Ron Wood sloeg het voorstel af om bij de groep te gaan spelen die later Led Zeppelin zou worden. En toen Mick Jagger hem de eerste keer vroeg voor de Rolling Stones, weigerde een vriend die de telefoon opnam in zijn plaats

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234