Maandag 23/09/2019

De architecten van de Amerikaanse macht

In Running the World werpt academicus en gewezen Witte Huis-medewerker David Rothkopf een blik achter de schermen van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad.

David Rothkopf

Running the World.

Public Affairs, New York, 554 p., 29,95 dollar.

ellicht heeft u nog nooit van Steve Hadley gehoord, want ook in zijn vaderland Amerika doet zijn naam niet meteen een belletje rinkelen. Volledig ten onrechte, want Hadley draagt de titel 'assistant to the president for national security affairs', wat wil zeggen dat hij een sleutelrol speelt binnen de Nationale Veiligheidsraad. En dat zijn toevallig wel de 'architecten van de Amerikaanse macht'.

Die omschrijving komt uit Running the World, een boek waarin David Rothkopf deze even mysterieuze en onbekende als machtige groep politieke leiders doorlicht.

Mysterieus omdat de veiligheidsadviseur in tegenstelling tot andere topfunctionarissen nooit op de rooster wordt gelegd in het volle licht van de schijnwerpers.

Onbekend door de wat wazige structuur omdat er eigenlijk meer dan één Veiligheidsraad is. De kern wordt gevormd door de president zelf, zijn adjunct, de ministers van Buitenlandse Zaken, Defensie en Financiën en de functionaris die oorspronkelijk als een bescheiden secretaris had moeten fungeren maar intussen, vooral sinds de charismatische Henry Kissinger, is uitgegroeid tot een sleutelfiguur: de nationale veiligheidsadviseur. En naarmate zijn macht toenam, groeide ook zijn staf uit tot een veiligheidsraad op zichzelf.

Machtig omdat de Nationale Veiligheidsraad het product is van de ideologie en de stijl van de president en dus diens beleid weerspiegelt.

De Nationale Veiligheidsraad werd gevormd in 1947, twee jaar na de dood van president Franklin Roosevelt. Hij werd opgevolgd door zijn adjunct, de tot vice-president opgeklommen oud-winkelier Harry Truman, die bij zijn aantreden door veel kenners werd afgedaan als een lichtgewicht. In werkelijkheid drukte hij in enkele jaren een reeks maatregelen door die de dominante positie van oorlogstriomfator en kernmacht Amerika formaliseerden en ook een belangrijke weerslag hadden op de rest van de wereld. Truman liet atoombommen gooien op Hiroshima en Nagasaki, wat leidde tot de Japanse capitulatie; hij drukte het Marshallplan door dat het herstel van Europa inluidde; hij stond aan de wieg van de Verenigde Naties en hij ontvouwde een naar hem genoemde doctrine die decennialang de hoeksteen zou vormen van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Ook in Washington zelf veranderde hij veel. Zo werden de verschillende militaire departementen samengevoegd tot één ministerie van Defensie; zo werd de CIA gesticht en kwam er, als gevolg van Trumans ervaringen met de 'alleenheerschappij' van Roosevelt (die zijn vice-president zelfs niet op de hoogte bracht van zijn atoomproject) een poging om te komen tot een transparanter leiderschap. Met als kern de Nationale Veiligheidsraad, die het staatshoofd moest adviseren, opdat de verschillende departementen en de strijdkrachten op het vlak van de nationale veiligheid beter zouden samenwerken.

Wat daar in de praktijk van terechtkwam, beschrijft Rothkopf in een chronologisch overzicht van de manier waarop de elf naoorlogse presidenten hun buitenlands beleid uitstippelden en van de rol die daarbij was weggelegd voor de veiligheidsadviseur, de ministers - en natuurlijk de 'inner circle' van presidentiële vertrouwelingen. Dat allemaal tegen de achtergrond van de eindeloze reeks crisissen, hoogte- en dieptepunten die het beleid markeerden. De Koreaanse oorlog, de Cubaanse rakettencrisis, de manier waarop Amerika wegzonk in het Vietnam-moeras, het Watergate-schandaal dat Richard Nixon tot aftreden dwong en het Iran-contra-schandaal dat de 'Teflon-president' Ronald Reagan net wel overleefde, de genocide in Rwanda, de uitbarsting in ex-Joegoslavië, het komt allemaal aan bod, net als de 'constanten': de aanslepende span- ningen in het Midden-Oosten en de Koude Oorlog die de wereld op de rand van een kernoorlog bracht.

Die thema's wegen door op de staat van dienst van Amerika's leiders. En dienen daarmee ook als maatstaf voor de doeltreffendheid van de Nationale Veiligheidsraad - of juist het ontbreken ervan. Want er waren natuurlijk 'grote veiligheidsadviseurs' als Henry Kissinger, die onder president Nixon als eerste echt vorm gaf aan deze functie en wiens invloed nog altijd voelbaar is. Of Brent Scowcroft (onder Ford en George Bush sr). Of Zbigniew Brzezinski (onder Jimmy Carter). Maar van anderen die deze post bekleedden, is hoogstens een voetnoot in de geschiedenisboeken overgebleven en er waren ook regelrechte mislukkingen als Robert McFarlane of generaal Poindexter - al kun je dat hen niet helemaal kwalijk nemen, want zij dienden onder Ronald Reagan en die zorgde voor wat Rothkopf beschrijft als een dieptepunt in de geschiedenis van de Nationale Veiligheidsraad. Een ontwikkeling die trouwens fysiek werd gesymboliseerd door de vernederende verhuizing van de veiligheidsadviseur van een prestigieus hoekkantoor in de 'West wing' naar de kelder van het Witte Huis.

Kortom, de hoop dat de komst van de Nationale Veiligheidsraad zou zorgen voor meer openheid, minder gekrakeel en grotere presidentiële verantwoordingsplicht, werd lang niet altijd waargemaakt. De manier waarop de Raad functioneerde onder de presidenten Dwight Eisenhower, die zorgde voor een "militair gestructureerde, doeltreffende structuur", en onder George Bush sr., vindt nog genade in de ogen van de auteur. Dat hij ook Clintons adviseurs Tony Lake en Sandy Berger lof toezwaait, lijkt echter vooral te zijn ingegeven door loyaliteit aan een ploeg waarvan hij zelf (op bescheiden niveau) deel uitmaakte. En voor het overige bevat dit boek één lange opsomming van bittere gevechten om macht, invloed en toegang tot de president. Denk maar aan de spanningen tussen Jimmy Carters adviseur Brzezinski en minister Cyrus Vance. Of tussen Ronald Reagans ministers Weinberger en Shultz.

Ook de meer recente tweespalt in en rond het Witte Huis komt aan bod, want Running the World gaat vanzelfsprekend in op de positie van de Nationale Veiligheidsraad onder de door de auteur niet echt bewonderde George Dubyah. Rothkopf laat er weinig twijfel over bestaan dat de raad van George W. Bush tot dusver geen lichtend voorbeeld is. Op het eerste gezicht merkwaardig, want zoals dit boek grafisch aantoont "heeft elke regering sinds die van Richard Nixon een bijdrage geleverd aan de ploeg van George W. Bush". Waarmee hij bedoelt dat Powell, Cheney, Rumsfeld, Rice en Hadley stuk voor stuk het politieke bedrijf leerden van Henry Kissinger of van mensen die bij hem in de leer waren geweest en dat zij dus veel gemeen zouden moeten hebben.

De praktijk is echter anders, zeker sinds 11/9, toen defensieminister Donald Rumsfeld en de ongewoon machtige vice-president Richard Cheney (wiens staf wordt beschreven als "een mini-NSC") minister van Buitenlands Zaken Colin Powell in de tang namen. Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice bood daar weinig weerwerk tegen. Deels misschien omdat ze, in een van de 130 interviews die de ruggengraat vormen van dit boek, zelf zegt dat zij "de baby" was binnen de door ervaren krijgers bemande "kern-NSC". Maar vooral omdat Bush toeliet dat het duo 'Rummy' en Cheney haar Raad negeerden. "De president had stelling moeten nemen en moeten zeggen: 'dit moet ophouden'", aldus de auteur, "maar dat gebeurde niet."

Of zij een sterkere stempel zal drukken op het beleid nu ze minister van Buitenlandse Zaken is geworden en daarmee na Kissinger de eerste functionaris is geworden die beide posten heeft bekleed, blijft onzeker. Volgens Rothkopf "zal haar unieke relatie met president Bush haar in staat stellen een tegenwicht te vormen voor Rumsfeld". Maar voorlopig onderschrijft zij de ideeën van Bush met zoveel enthousiasme dat er nog lang geen sprake is van een eigen 'Condi-doctrine' - ook al droeg een recent artikel in Time die titel. Misschien zullen de pogingen die momenteel in de Senaat worden gedaan om de behandeling van Amerikaanse krijgsgevangenen te verbeteren (en waartegen Cheney en Rumsfeld zich fel verzetten) Condi Rice tot een stellingname dwingen. Van haar opvolger Hadley hoeven we dat in elk geval niet te verwachten, want hij wordt in Washington weggehoond als 'Condi's tweede assistent'.

David Rothkopf sluit zijn boek nogal filosofisch af met een analyse van de onoverzichtelijke wereld die zich nu aandient, met de vaststelling dat Bush het morele gezag van de VS danig heeft ondermijnd en met een optimistisch pleidooi voor een beter geïnformeerde en invloedrijkere publieke opinie. Best leesbaar allemaal, maar zeker niet de voornaamste reden om van dit boek een aanrader te maken. Running the World is niet zozeer boeiend en belangrijk door wat er wordt voorspeld, maar wel door wat er wordt vastgesteld. Dankzij de achtergrondkennis van de auteur, de vele interviews die hij erin verwerkte en de leuke anekdotes die het geheel verluchtigen (zoals de hilarische manier waarop Bill Clinton voorkwam dat Yasser Arafat tijdens een top in Washington de joodse leider Rabin een kus op de wang zou drukken waar die niet van gediend zou zijn).

De belangrijkste conclusie blijft dat "het succes van de Nationale Veiligheidsraad uiteindelijk wordt gedefinieerd door de president". Want hij kiest wie de raad leidt en wie erin zetelt. Met andere woorden: hij bepaalt of het de bedoeling is dat zijn persoonlijke opvattingen worden gediend dan wel het nationale belang. Dat was al zo ten tijde van Harry Truman (hij weer), die niet voor niets op zijn bureau het beroemde bordje zette met de woorden 'the buck stops here'. En dat is nog steeds, en heel nadrukkelijk het geval in het Witte Huis van George W. Bush.

Hans Muys

Boeiend door wat er wordt vastgesteld. Dankzij de achtergrondkennis van de auteur, de vele interviews die hij erin verwerkte en de leuke anekdotes

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234