Donderdag 21/01/2021

De apenkermis van Stabroek

Planckendael-verzorger: 'Zolang hij voldoende voedsel vindt, kan die aap zich perfect aan alle weersomstandigheden aanpassen. Weet je, ze hebben zelfs een middel tegen koude voeten. Als hun tenen dreigen te bevriezen, steken ze er hun handen onder om ze te warmen. Het zijn echte plantrekkers'Çois: 'Als ze zelf de aap willen zien, dat ze dan wat vroeger opstaan, zoals ik. De meeste wandelaars komen hier alleen om hun hond uit te laten, ze raken nooit verder dan de parking van het Ravenhof'

Erik Raspoet

Foto's Stephan Vanfleteren

Volgens de ene is hij donker, volgens de andere wit, volgens weer anderen bestaat hij helemaal niet. In Stabroek heeft iedereen wel een mening over de aap van het Moretusbos. Anders dan de wolf van het Waasland gaat het hier om een goedaardige verschijning. Maar net als de Waaslandwolf blijft ook de aap van Stabroek ongrijpbaar. Waar logeert de aap, vragen politie en boswachter zich nu al drie weken af. Een reportage vanuit een bos waar wel meer excentrieke schimmen rondwaren.

Het is nog erg vroeg als we het dorp binnenrijden. De koffiekoek van de warme bakker komt goed van pas, want ons wacht een aartsmoeilijke opdracht. Op zoek naar de aap van het Moretusbos? "Die heb ik nog niet gezien", roept het winkelmeisje ons achterna. "Maar in de winkel, daar zie ik iedere dag wel een paar apen." Welkom in Stabroek, een grensdorp in de Antwerpse polders dat verscheurd wordt tussen believers en non-believers. Op de parking van het kasteel Ravenhof verzamelen enkele kopstukken van het eerstgenoemde kamp. Boswachter Jan Van Gompel en apenvanger Ludo Van Mierlo maken zich op om de kooien te inspecteren.

Veel hoop hebben ze niet. Het is intussen al meer dan twee weken geleden dat de eerste melding binnenliep. Een wandelaar had hier, op deze eigenste plek, een aap in een vuilnisbak zien snuffelen. Eigenlijk was het al zijn derde ontmoeting met de schooiende primaat, telkens op dezelfde plaats. De eerste twee keer durfde de man echter geen aangifte te doen, uit angst te worden uitgelachen. Onterecht, want de politie van Stabroek nam de zaak ernstig. Immers, de beschrijving van de aap noopte tot grote voorzichtigheid. Een meter hoog, lange armen, zwartbruine vacht, vervaarlijke hoektanden. Dat kon alleen een baviaan zijn, een apensoort met een bijzonder lage aaibaarheidsfactor. In het nauw gedreven deinzen bavianen er niet voor terug een volwassen man aan te vallen. En zo'n monster zou vrij rondscharrelen in een bos dat behalve door joggers en mountainbikers vooral door kinderen en bejaarden wordt gefrequenteerd? De openbare orde en de volksgezondheid waren in het gedrang, kordate maatregelen drongen zich op. Er werden bordjes geplaatst langs de toegangswegen van het vijfentwintig hectare grote domein: 'Baviaanachtige aap in het Moretusbos. Bij het zien geen toenadering zoeken'. Agenten per fiets werden het bos ingestuurd, om uit te kijken naar de aap en om wandelaars te waarschuwen. Dat ze het best geen eten meedroegen, want dat zou de hongerige baviaan alleen maar provoceren. En dat ze de aap in geen geval in de ogen mochten kijken, want dan wordt hij pas echt kwaad. Niet dat de kans op zo'n close encounter groot is. Kort na het publieksalarm liep nog één melding binnen. Een jogger had ergens, hoog in de kruinen, 'een verdacht volume' opgemerkt. Een tweede getuige, die de aap op de parking van het Ravenhof had zien lopen, bekende spoedig dat hij slechts een flauwe grap had uitgehaald. De geringe zichtbaarheid mocht niet deren, een fenomeen was geboren. Apentoeristen stroomden toe naar het kasteeldomein, de vergelijkingen met de in rook opgeloste Waaslandwolf waren niet van de lucht. En natuurlijk werd druk gespeculeerd over de herkomst. Gedropt door een liefhebber die zijn exotische huisdier niet meer de baas kon? Of ontsnapt tijdens een wandeling in het Moretusbos? Een niet bij naam genoemde apenhouder uit Bergen-op-Zoom rijdt in beide varianten over de tong. Intussen ging bij sommige inwoners van Stabroek-Putte een lichtje branden. Die forse kat met die lange staart die vorige week door de tuin liep, het mysterieus verdwijnen van aardappelen uit de stal, het kreeg ineens allemaal zin. En wat waren die rare geluiden 's avonds in het bos, nog het best te vergelijken met het schreien van een baby? Zou dat niet de aap geweest zijn? Vermoedens werden op gedempte toon geopperd, het liefst in vertrouwde kring. Want niet alleen het meisje van de bakker staat klaar met hoongelach.

Boswachter Jan Van Gompel heeft al veel meegemaakt in zijn lange carrière. Het pistool aan zijn heup hangt er heus niet alleen voor de show. Ermee schieten heeft hij nog niet gedaan, maar het wapen kwam al meermaals van pas om door hem op heterdaad betrapte stropers te intimideren. Maar een loslopende aap? "Nooit meegemaakt", zegt hij, "Evenmin als slangen of tijgers. Verwilderde honden zijn het meest exotische dat ik al ben tegengekomen. Mijn eerste reactie was dan ook: dit is flauwekul. Maar sinds zondag weet ik het zeker: de aap van het Moretusbos bestaat." Dat inzicht ontstond nadat vorige zondag een nieuwe melding was binnengelopen. Twee tieners, broers uit de Plantinstraat aan de rand van het bos, beleefden de kick van hun nog jonge leven toen ze oog in oog met de aap stonden. "Het was geen grap", weet de boswachter. "We hebben ze elk afzonderlijk ondervraagd, hun beschrijving was identiek. Dat kan geen afgesproken spel zijn." Vangen zou natuurlijk het ultieme bewijs leveren. Politie en boswachter doen daar alles aan. Specialisten van de Antwerpse Zoo en Planckendael werden in de arm genomen. Op hun advies werden stukken sinaasappel en banaan rondgestrooid om de biotoop nauwkeurig in kaart te brengen. Twee kooien werden geïnstalleerd. Pareltjes van vernuft zijn het, producten van eeuwen jachtexpertise. In het midden van de kooi lacht een heerlijk rijpe banaan de aap toe. Met biolabel, beweren sommigen in Stabroek, maar dat kunnen we op grond van onze waarnemingen niet bevestigen. Hoe dan ook, de vrucht is met een fijne kabel verbonden die bij de geringste aanraking het luik van de kooi muurvast laat dichtklappen. Helaas, blijkt op deze zonnige woensdagochtend, zowel kooi één als kooi twee zijn eens te meer ongerept gebleven. Ludo Van Mierlo laat zich echter niet ontmoedigen. "Vroeg of laat krijgen we hem wel te pakken", zegt hij. "Het is een kwestie van geduld oefenen. Tot dusver heeft de aap geen probleem om aan voedsel te geraken. Apen zijn alleseters, en het ligt hier vol beukennootjes, kastanjes, eikels, paddestoelen en bladeren. Zodra hij dat dieet beu is, zal hij wel in de val lopen."

Aan Ludo Van Mierlo hoef je niet te vertellen hoe je een aap vangt. Als verzorger in Planckendael moet hij regelmatig achter een uitgebroken gibbon aan. Wonderbaarlijke verhalen kan hij daarover vertellen. De gibbon die aan zijn schepnet wist te ontsnappen door in de vijver te duiken en ijlings naar het apeneiland terug te zwemmen, alwaar zijn afwijkend gedrag door de andere gibbons met een pak slaag werd afgestraft. Maar wat meer is: Ludo Van Mierlo weet ook precies welke aap het bos van Moretus onveilig maakt. Hij heeft aandachtig naar de eerste waarnemer geluisterd en een voor Stabroek en omstreken geruststellende conclusie getrokken. "Het gaat niet om een baviaan", zegt hij met grote stelligheid. "De getuige heeft een lange staart gezien. Wel, bavianen hebben geen staart. Zijn beschrijving beantwoordt wel perfect aan het signalement van de slingeraap. Die dieren leven in Zuid-Amerika, in het tropisch regenwoud. Normaal worden ze niet verhandeld, maar je weet hoe dat gaat. Onder de toonbank kun je alles kopen. Gevaarlijk zijn slingerapen niet, al moet je ze ook niet gaan plagen of strelen. Maar dat doe je met een hond ook niet."

Niet gevaarlijk dus. Er is echter ook minder leuk nieuws. Gelet op de aard van het beest zou het wel eens kunnen dat Ludo Van Mierlo nog heel veel geduld moet oefenen. Want, beseft hij zelf, de slingeraap laat zich kwalijk vangen. Om te beginnen laat hij weinig sporen na. Voetafdrukken? Vergeet het maar, als boombewoner daalt hij alleen af om voedsel te zoeken. Zichzelf verraden door zijn roep? De slingeraap is een toonbeeld van discretie. Vroeger, toen hij nog in de Antwerpse Zoo werkte, heeft Ludo ze leren kennen. "Echte acrobaten zijn het", vertelt hij gretig. "Ik zal het nooit vergeten: de opening van het nieuwe apengebouw in 1978. We lieten de dieren voor het eerst uit en onmiddellijk waren al onze slingerapen foetsie. Je had moeten zien hoe ze over dat speciale, extra hoge hek vlogen. De hele dag hebben we erachteraan gezeten, de laatste hebben we in het kantoor van de stationschef van Antwerpen-Centraal gesnapt." Er klinkt respect en zelfs genegenheid in zijn stem. Slimme beesten zijn het, het zou niet de eerste keer zijn dat een slingeraap de valdeur van een kooi met een stokje blokkeert en met het lokaas aan de haal gaat. Ik deel hem mijn bezorgdheid mee. Zal hij zijn missie wel tijdig kunnen vervullen? Straks begint de winter en vriest de aap vanzelf dood. "Nietes", ontkracht Ludo mijn sombere hypothese. "Zolang hij voldoende voedsel vindt, kan die aap zich perfect aan alle weersomstandigheden aanpassen. Weet je, ze hebben zelfs een middel tegen koude voeten. Als hun tenen dreigen te bevriezen, steken ze er hun handen onder om ze te warmen. Het zijn echte plantrekkers."

Een klad bejaarden komt aangesjokt. Nog meer apenwatchers? Toch niet, de pannenkoeken in de taverne van het Ravenhof winnen het van de nieuwsgierigheid. Het is middag, de zon breekt door het tanende bladerdak van het Moretusbos. Ook zonder aap of pannenkoek is deze plek de moeite waard. De oudste eiken en beuken tellen 240 jaarringen die ons in de tijd terugflitsen naar Johannes Moretus, jonker te Stabroek, grootgrondbezitter bij de gratie Gods en nazaat van de vermaarde drukker Christoffel Plantin. Deze schatrijke edelman had in Versailles zijn ogen goed de kost gegeven. Hij liet niet alleen kilometers heideland bebossen, zijn domein werd naar het beroemde voorbeeld met dreven, vijvers en kunstheuvels verlucht. De schepping van de edelman-landschapsarchitect heeft merkwaardig goed standgehouden, wellicht omdat het Moretusbos grotendeels op Nederlands grondgebied ligt. De landsgrens is hier overigens uiterst grillig, het is best mogelijk dat je met het ene been in Putte-Stabroek en met het andere in Putte-Woensdrecht staat. Mochten deze beuken kunnen spreken, ze zouden spannende verhalen vertellen. Over stropers en boswachters, en ook over smokkelaars en douaniers. In de jaren vijftig werden over deze bospaden tonnen Nederlandse boter over de grens gesmokkeld. Nochtans patrouilleerden douaniers dag en nacht, en menige achtervolging ging met geweerschoten gepaard. Wie in de winter werd betrapt, werd meestal voor de kachel gezet. Botersmokkelaars plachten hun handel onder hun slippen te verbergen, en het duurde dan ook niet lang of het bewijsmateriaal gutste hun broekspijpen uit. Surrealistisch in tijden van eenheidsmunten en onbeperkte vrijhandel. En toch, oudere Stabroekenaars kunnen nog altijd moeiteloos de villa's aanwijzen die met de winsten van de botersmokkel werden gebouwd.

Prachtig is ook het Gravenhof, een kasteel met zestig kamers dat tegenwoordig als cultureel centrum van Stabroek fungeert. Over de laatste adellijke bewoner circuleren fantastische anekdotes. Karel Moretus Plantin, een kolos van twee meter en honderddertig kilo, was behalve graaf en eigenaar van de halve gemeente ook burgemeester voor het leven. Op een onderbreking tijdens het interbellum na bleef hij aan de macht van 1912 tot zijn dood in 1960. Zijn imposante gestalte was niet de reden waarom hij als zonderling bekendstond. "Het was een joviale kerel", zegt Nand, een kranige bejaarde die zich op een bank met kasteelzicht heeft gevleid. "Met zijn verjaardag nodigde hij alle voorbijgangers uit om op het kasteel een glas te drinken. Maar je had hem moeten zien. Schatrijk of niet, hij liep erbij als een clochard. Dat jasje van hem, je zou het niet aan je lijf hebben gewild. Een auto had hij niet, hij fietste iedere dag naar het gemeentehuis, zelfs toen hij al een eind in de tachtig was. Dat was telkens een heel ritueel. De graaf reed op een roestbak met een enorm zadel, in het spoor van de boswachter. Eenmaal het gemeentehuis in zicht was, spurtte de boswachter een voorsprong bijeen zodat hij klaarstond om de graaf tegen te houden. De brave man was al zo oud dat hij niet meer kon remmen."

Ach, wat kan het leven van een gepensioneerde mooi zijn. Neem nu deze Nand en zijn compagnon Sus. Wat is er zaliger dan de hond uitlaten op een stralende herfstdag? Nand en de witte poedel, Sus en de zwarte poedel. Terwijl de lieverds elkaar achtersteven besnuffelen, slaan de twee gepensioneerden hun praatje. Het kost weinig moeite het gesprek van de graaf naar een nog exuberanter thema te verleggen. De heisa omtrent de aap? Een uit de hand gelopen grap van een flauwe plezante, daarover zijn ze het roerend eens. "Zeg nu zelf", betoogt Nand. "Wij komen hier iedere dag wandelen. Wel, nog nooit hebben we iets abnormaals vastgesteld. En dan komt er ineens iemand af die beweert dat hij een aap heeft gezien. En niet zomaar één keer, maar liefst drie keer. Nu, ik ken die man van horen zeggen. Dat is een echte dorpsfiguur, een blagueur die zich interessant wil maken. En jawel, iedereen loopt erin. Gisteren hoorde ik hem zelfs bezig op Radio 1. Rechtstreeks, helemaal vanuit Brussel."

Een wat zielloze straat vol neparchitectuur. De bel speelt 'Für Elise', aan de deur verschijnt een forse man. Het T-shirt en de bretellen spannen om de buik, de snor past bij een Brusselse flik. çois Van der Jeught heet dus de man met wie het allemaal is begonnen. Drieënzestig jaren heeft deze gepensioneerde metaalbewerker in volslagen anonimiteit gesleten, maar de voorbije twee weken koestert hij zich in de schijnwerpers. Kranten, radio, regionale televisie, de telefoon staat niet stil, vanmorgen bijvoorbeeld was hij nog met een ploeg van het Nederlandse RTL 4 op stap. Van mediamoeheid is evenwel geen sprake, we hoeven niet aan te dringen om hem nog maar eens naar het Moretusbos te lokken. Bottinnes, wollen trui, regenjas, pet met oorkleppen, aan de kledij herkent men de ervaren woudloper. "Meestal ben ik al om zeven uur op stap", zegt hij. "Ik maak drie keer per dag mijn toer in het bos. Op sommige dagen maal ik veertig kilometer af." De gretige husky aan de leiband, de zes weken oude labrador in de draagzak, zo was het ook die eerste keer. Bij de bewuste vuilnisbak doet hij nog maar eens zijn verhaal. Dat hij tot op tien meter wist te naderen voordat de aap met opgestoken staart de boom invluchtte. De kreet die daarbij werd uitgestoten, kan hij precies imiteren. Een langgerekt griiiiii, het lukt alleen als je ook de bijbehorende grimassen maakt.

Dat ze hem een dorpsfiguur noemen, tot daar aan toe. Maar een fantast? "Pure jaloezie", verwijt hij de non-believers. "Als ze zelf de aap willen zien, dat ze dan wat vroeger opstaan, zoals ik. De meeste wandelaars komen hier alleen om hun hond uit te laten, ze raken nooit verder dan de parking van het Ravenhof." We dringen steeds dieper het bos in, nu eens onder het dichte loof, dan weer in open veld. Allicht tateren we te veel, want niet alleen de aap maar ook de andere dieren houden zich schuil. Nochtans is er aan wild geen gebrek. Fazanten, patrijzen, hazen, reebokken, dit is een paradijs voor jagers. Zijn grote schrik: dat straks, wanneer de jacht op de fazant begint, de aap wordt neergekogeld. "Om het apentoerisme uit te roeien", zegt hij. "Ik ken die mannen: jagers willen rust op hun terrein, die zijn van heisa niet gediend." Çois heeft zelf jarenlang met een karabijn rondgelopen, maar tegenwoordig hanteert hij een ander wapen, de mobilofoon. Sluikslachters, stropers, vogelvangers en andere snoodaards zijn hierbij gewaarschuwd: de geringste anomalie wordt door Çois meteen naar de politie doorgebeld. Wel tien keer rakelt hij het drama op. Hoe voor zijn ogen een reekalfje door een gele crossmotor werd aangereden. Opzettelijk, daar is hij van overtuigd. Het zieltogende reekalfje heeft hij nog naar het Ravenhof gedragen, waar het in zijn armen is gestorven. Als hij die motard te pakken krijgt, die zal er niet goed van zijn. Blackie, de piepjonge labrador, krijgt een tedere aai. Thuis heeft Çois nog zeven poezen, een papegaai en tien kippen. Dieren, de liefde van zijn leven. Is dat de reden waarom de aap van het Moretusbos zich het eerst aan hem heeft geopenbaard? De maagd Maria verscheen toch ook bij voorkeur aan toegewijde zielen? Çois heeft trouwens iets met apen. Uren heeft hij voor het paviljoen van de Antwerpse Zoo gesleten. Lang geleden, toen hij nog op een appartement woonde, haalde hij zelf een chimpansee in huis. "Het was fantastisch", zegt hij glunderend. "Ik liet hem vaak uit zijn kooi, op de duur stonden we samen onder de douche. Het is pas misgelopen toen mijn vrouw per se gordijnen wilde hangen. Je kunt het al raden. De eerste keer dat we de aap uitlieten, kwamen de gordijnen met stokken en al naar beneden. Toen was voor mijn vrouw de maat vol, ik heb het beest moeten wegdoen."

Nee, schudt hij het hoofd, de sceptici hebben geen been om op te staan. Hij is toch allang niet meer de enige getuige? Er is de jogger, er zijn de twee jongens, er zijn de mysterieus verdwenen aardappelen, er zijn de geluiden. De vrouw uit Kenia mag hierbij niet onvermeld blijven. Herhaaldelijk ving ze in het bos vreemde kreten op. "Van de aap", zegt Çois. "De vrouw is formeel. Dertig jaar in Kenia gewoond, als die niet weet hoe een aap klinkt, dan weet niemand het." Het zit hem trouwens mee op deze wandeling. Een voorbijganger maakt er ons attent op: ook de zusters clarissen hebben gisteren iets gehoord. Wij onmiddellijk op onderzoek. Rust en sereniteit is de levenslange queeste van deze slotzusters, rust en sereniteit hebben ze gevonden. In een witte villa, te midden van het groen, gebouwd lang voor er moeilijk werd gedaan over bouwvergunningen. Gisterenavond echter, bevestigt zuster Sabine, werd de sereniteit door een bosvreemd geluid verstoord. Welk geluid precies? De jonge zuster zucht diep, Çois slaakt behulpzaam zijn Tarzan-kreet. Dat was het toch niet helemaal, moet zuster Sabine spijtig vaststellen. Het verzoek om dan maar haar versie van het oergeluid te reproduceren, wordt resoluut van de hand gewezen. In een assisenproces zou het niet standhouden, maar uiteraard heeft Çois intussen ook zuster Sabine als getuige aan zijn zijde geschaard. En nochtans, als advocaat van de duivel of als pleitbezorger van de non-believers zou ik weten op welke spijker te kloppen. Want er is iets vreemds aan de hand met dat geluid. Volgens Çois gaat de roep van slingeraap door merg en been. Volgens de apenverzorger van Planckendael daarentegen is de kwestieuze primaat een schuwe knaap die nauwelijks decibels produceert. Maar de achilleshiel van de believers is de zwart-witdiscussie die in de eigen rangen verdeeldheid zaait. Çois heeft een donkere aap gezien. Zwartbruin, om precies te zijn. Even stellig gewagen de twee broers uit de Plantinstraat van een lichtgetinte aap. Tussen wit en beige, maar alleszins geen zwart. "Optisch bedrog", dondert Çois. "Die kinderen hebben niet de kans gekregen om het dier goed te observeren. Logisch dat ze een witte aap hebben gezien. Dat beest heeft hen de rug toegekeerd en is er onmiddellijk vandoor gegaan. Die jongens hebben alleen zijn handpalmen gezien. Die zijn wit, dat is zoals bij de negers."

Een bezoek aan de Plantinstraat dringt zich op. Helaas, er is belet bij de familie Govaerts-Goossens. Politiechef André Dhoine neemt ons verbaasd op. Lichtjes uit zijn hum, want het is niet de eerste keer dat we vandaag zijn pad kruisen. André Dhoine is dan ook tot coördinator van het apenteam van Stabroek gebombardeerd. Omdat hij toevallig dienst had toen de eerste melding binnenliep, maar ook omdat hij sowieso als de milieuspecialist van de gemeentelijke politie bekendstaat. Aan de telefoon had hij nog enthousiast geklonken. Dat hij in twee weken meer over apen had geleerd dan in alle voorgaande levensjaren samen. Nu echter zit hij met de handen in het haar. Alle getuigenissen worden nog maar eens zorgvuldig gescreend. Want het moet voor eens en altijd worden uitgemaakt: met welke aap hebben we in Stabroek nu eigenlijk te maken? En dus zit André Dhoine met Bruno (16) en Tom (13) in een prentenboek te bladeren. Tientallen apen passeren de revue. "We hebben hem gevonden", zegt Bruno als de plichtsbewuste agent alweer verdwenen is. "Het is een wolaap, een ondersoort van de slingeraap. Wat jammer toch dat ik er geen foto van gemaakt heb. Ik had nochtans mijn camera meegenomen, we waren extra vroeg opgestaan om de aap te zoeken. Tom zag hem het eerst, daarna ben ik stilletjes naderbij geslopen. De aap zat op een boomstronk, hij keek ons recht in het gezicht. Dertig seconden moet het hebben geduurd, dan is hij in de bomen weggevlucht. Ik heb wel geprobeerd een foto te maken, maar het licht zat verkeerd en ik was erg opgewonden." Met of zonder foto, Bruno en Tom twijfelen geen seconde: het was wel degelijk een lichtgetinte aap die ze hebben waargenomen. Langzamerhand dringt zich dan ook de conclusie op. In het Moretusbos in Stabroek zwerven niet één maar twee apen. Als het maar geen plaag wordt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234