Donderdag 26/11/2020

Interview

De Antwerpse kleermaker die de hel van Auschwitz overleefde

Vijfenzeventig jaar geleden werd Auschwitz-Birkenau bevrijd, het vernietigingskamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog meer dan een miljoen Joden de dood vonden. Nu de laatste getuigen van de horror sterven, dreigen ook hun verhalen te verdwijnen. Daarom reconstrueerde schrijver David Van Turnhout (37) samen met professor Dirk Verhofstadt (64) het levensverhaal van zijn grootvader: een kleermaker die zijn vrouw en kinderen verloor in de gaskamers en zelf 29 maanden Auschwitz overleefde.

Kleermaker Ide Leib Kartuz zag de hel. In 1942 werd hij vanuit Antwerpen gedeporteerd naar Auschwitz. Na meer dan twee jaar in het kamp moest hij drie dodenmarsen lopen in de vrieskou. Hij stierf bijna in een werkkamp in Oostenrijk, ondervoed en omringd door duizenden lijken. Toen de geallieerden Kartuz in mei 1945 vonden, was hij buiten westen. Hij woog 38 kilo.

Daarvan was decennia later niets meer te merken. Kartuz, ‘Jules’ voor de vrienden, blies pas in 1995 zijn laatste adem uit op de gezegende leeftijd van 90 jaar, als kleermaker op rust. “Ik kende hem als een warme en joviale man, steeds strak in het pak. Hij zag zijn kleinkinderen zielsgraag. Ik herinner me nog hoe hij ons knuffelde en met ons speelde”, vertelt David Van Turnhout wanneer we hem in de Mechelse Dossinkazerne ontmoeten.

Van Turnhout: “Mijn research heeft dat beeld bevestigd: mijn grootvader was een man die sterk in het leven stond, die niet verbitterd was door wat hij had meegemaakt. Hij verdween uit mijn leven toen ik zes was. Mijn moeder brak met mijn biologische vader, en daardoor kon ik mijn opa niet meer zien. Dat kwam hard aan. Mijn opa had in korte tijd een grote indruk op mij gemaakt. Ik ben me altijd blijven afvragen hoe het met hem ging. Pas enkele jaren geleden heb ik vernomen dat hij gestorven was in 1995. Ik heb nooit afscheid kunnen nemen.

“Ik wist dat hij ooit gedeporteerd was door de nazi’s. Van de Dossinkazerne – waar hij voor zijn deportatie enkele dagen gevangen zat – kreeg ik een summier dossier met enkele gegevens, zoals zijn geboortedatum en wanneer hij in Auschwitz aankwam. Ik las ook dat hij nog vóór hij mijn grootmoeder leerde kennen al een vrouw en twee jonge kinderen had. Met die info moest ik het stellen, dacht ik. Tot ik Dirk Verhofstadt leerde kennen. (lacht)

Verhofstadt: “Ik zei meteen: we moeten een boek schrijven! (lacht) Wie was zijn grootvader? Wat maakte hij mee? De laatste getuigen van de Holocaust sterven, zelfs de kinderen van toen zijn nu heel oud. Er blijven weinig ooggetuigen over. Ik vind het zeer belangrijk om de persoonlijke verhalen te blijven vertellen, omdat veel jonge mensen de Holocaust beschouwen als een fait divers uit de geschiedenisboeken. Gelukkig hebben we het verhaal van Ide vrij accuraat kunnen reconstrueren.”

De toegangs­poort naar Birkenau. ‘Ide moet snel beseft hebben dat het een kamp was waar mensen werden vernietigd.’

Wie was de jonge Ide Leib Kartuz?

Van Turnhout: “Mijn grootvader groeide op in een klein dorpje in Polen, waar hij de stiel van kleermaker leerde en verliefd werd op een jonge vrouw, Chaja. Ze trouwden en trokken samen naar België. In 1929 stapten ze van de trein in Antwerpen-Centraal.”

Verhofstadt: “Veel Polen emigreerden in die periode. Omdat het economisch niet liep in het land, maar ook door het steeds toenemende antisemitisme. Antwerpen was een gastvrije plek, een open en multiculturele stad waar een Jood niets te vrezen had.”

Van Turnhout: “Het hielp ook dat hier al heel wat Poolse Joden woonden. De Joodse wijk achter Antwerpen-Centraal bestond toen al.”

Verhofstadt: “Ide en Chaja hebben de mooiste tijd van hun leven beleefd tijdens die eerste jaren in België. We hebben foto’s in handen gekregen van gezellige feesten en van uitjes naar Blankenberge.”

Van Turnhout: “Het jonge koppel kreeg twee kinderen: zoontje Charles-Victor en dochtertje Simonne. Geen Joodse namen: een teken dat het gezin wilde integreren in de moderne Antwerpse wereld. Ide werkte hard als zelfstandig kleermaker. Het was een gelukkige periode, maar de tijden werden grimmiger.”

Het antisemitisme nam toe in de jaren 30, Europa polariseerde.

Verhofstadt: “Na de economische crisis van 1929 was er nauwelijks werk. In een paar jaar tijd verloor 80 procent van de mensen in de Antwerpse diamantsector zijn job. Veel werkloze Joden werden leurders. Overal in Europa hoorde je dezelfde reactie bij nationalisten: ‘De Joden pakken ons werk af.’

“De haat nam toe. Het begon met leuzen als ‘Joden buiten’, maar het evolueerde naar geweld en verordeningen. Joden moesten een ‘J’ in hun paspoort laten zetten en de Belgische administratie stelde een Jodenregister op. Dat zou later van onschatbare waarde zijn voor de Duitsers, die zomaar alle namen en woonplaatsen van Joden in handen kregen. Ze hadden hen maar uit hun woning te plukken en op de trein te zetten.”

Van Turnhout: “Er ontstonden rellen in de Joodse wijk na de vertoning van een nazistische propagandafilm, wat leidde tot de ‘kleine kristalnacht’ in Antwerpen: Joodse zaken werden kort en klein geslagen, relschoppers plunderden synagogen, er werd brand gesticht. De politie greep niet in en belette de brandweer zelfs om het vuur te blussen. In de nasleep van de rellen werd een avondklok ingesteld voor de Joden. Ze mochten niet meer naar het buitenland, ze werden niet toegelaten in parken, mochten niet meer met de fiets rijden… Tot iedereen, zelfs kinderen van zes jaar, een Jodenster moest dragen op straat. Aangezien mijn grootvader kleermaker was, heeft hij wellicht eigenhandig de Jodenster in zijn kleren moeten naaien, en in die van zijn vrouw en kinderen.”

Verhofstadt: “Ide liet het allemaal niet zomaar gebeuren: hij sloot zich aan bij het verzet. ’s Nachts verspreidde hij clandestiene pers en plakte hij manifesten, of bracht hij geld naar ondergedoken Joden.”

Van Turnhout: “Met gevaar voor eigen leven. Als hij betrapt werd, zou hij gedeporteerd of gefusilleerd worden.”

Wanneer pakten de Duitsers hem op?

Van Turnhout: “Correctie: de Duitsers én de Vlaams-nationalisten. Er waren veel Vlamingen die actief Joden opspoorden en de nazi’s hielpen. Al wordt dat in Vlaanderen vaak geminimaliseerd.”

Verhofstadt: “Ide werd in juni 1942 opgepakt, vlak bij zijn deur, en vervolgens naar Breendonk gebracht. Enkele dagen later zat hij hier, in de Dossinkazerne in Mechelen. Hier heeft hij zijn vrouw en kinderen voor het laatst gezien. In gescheiden wagons zijn ze op de trein gezet naar Auschwitz, samen met 992 andere Joden. Bij aankomst werd bijna iedereen meteen vergast. Ook de vrouw en kinderen van Ide vonden de dood in de gaskamers. Maar uit het konvooi werden ook kleermakers geselecteerd, onder wie Ide.”

Besefte hij meteen op wat voor plek hij terechtgekomen was?

Van Turnhout: “Hij moet dat snel begrepen hebben. Getuigen die op dezelfde trein als Ide zaten, merkten eerst hoe mooi Auschwitz was: ze zagen bloemen, een poort met ‘Arbeit macht frei’ in sierlijk gietijzer, een hemelsblauwe lucht. Het was een prachtige zomerdag. Maar al snel wandelden de kleermakers voorbij opgehangen Joden. In de gracht lagen lijken. Ide zag natuurlijk ook dat de schoorsteen as en rook blies. De gevangenen trokken snel hun conclusies: dit was een wreed kamp, hier werden mensen vernietigd.”

David Van Turnhouts grootvader moest als kleermaker de gestreepte plunjes van de gevangenen herstellen.

Ide werkte liefst 29 maanden in Auschwitz. Hoe overleeft een mens zoiets?

Verhofstadt: “Hij overleefde omdat hij nuttig was. Zijn job was: de streepjesplunjes van gevangenen en de SS-uniformen herstellen. Hij moet een zéér begenadigd kleermaker geweest zijn. Meerdere bronnen bevestigen dat hij zelfs lingerie moest maken voor de vrouw van één van de SS-officieren. Wellicht heeft dat hem een beetje extra eten opgeleverd. Zo kon hij ondervoeding voorkomen. We weten ook dat hij stukken karton en textiel onder zijn plunje verstopte, om warm te blijven.”

Van Turnhout: “Het hielp ook dat hij amper 1,57 meter was. Omdat hij klein en tenger was, had hij veel minder calorieën nodig dan de kloeke mannen, die soms al na enkele weken stierven. En als kleermaker werkte hij binnen, natuurlijk. De stevigste mannen moesten in de vrieskou wegen aanleggen: zoiets overleven was bijna onmogelijk.”

Verhofstadt: “Toch bleef het ook voor Ide gevaarlijk. Voor elke kleinigheid kon hij doodgeschoten worden. Na de oorlog vertelde hij een vriend dat hij voortdurend in doodsangst had geleefd. Hij werd ook aangepakt door de bewakers. We weten dat hij zware klappen gekregen heeft in Auschwitz. Tot zijn dood heeft hij geklaagd over darmproblemen.”

Zag hij de terreur van dichtbij?

Van Turnhout: “Zeker. Mijn moeder vertelde hij ooit dat hij eens gewekt werd door SS’ers: er zou buiten een groot feest gevierd worden, met muziek. Eenmaal buiten zag hij dat enkele kompanen publiekelijk opgehangen werden terwijl het orkest speelde. Dat gebeurde geregeld wanneer iemand iets mispeuterd had of probeerde te ontsnappen.

“Hij is ook eens beschoten. Mijn grootvader deed alsof hij getroffen was en bleef roerloos liggen. De soldaten zeiden lachend: ‘Onnozelaar, sta recht, we weten dat we je niet geraakt hebben.’ De bewakers verveelden zich gewoon.”

Verhofstadt: “Absoluut te vermijden was de ziekenboeg. Het besmettingsrisico was enorm, en als gevangene riskeerde je geselecteerd te worden voor vergassing of medische experimenten. Ide moest er toch één keer heen, voor een zwaar ontstoken teen. Zonder behandeling zou hij zijn voet verliezen. Hij werd behandeld door Władislaw Dering, een arts die na de oorlog aangeklaagd werd voor medische experimenten op gevangenen. Maar Ide redde hij. De SS’ers wilden zo’n goede kleermaker niet kwijt.”

Nogal wat Joden pleegden zelfmoord in Auschwitz. Hoe ging Ide volgens jullie om met de dagelijkse horror?

Van Turnhout: “Hij moet meteen in overlevingsmodus gegaan zijn. Bij aankomst haalden de nazi’s meteen de ziel uit de Joden, door ze uit te kleden, kaal te scheren en een nummer op hun arm te tatoeëren.”

Verhofstadt: “Zonder hoop had hij het nooit gered. Er kwamen in de loop der maanden steeds meer Joden aan die Ide kende uit Antwerpen. Zij vertelden hem over het Duitse verlies bij Stalingrad, de landing van de Amerikaanse troepen, de afzetting van Mussolini.”

Van Turnhout: “Ik denk niet dat hij het gehaald zou hebben als hij had geweten dat zijn vrouw en kinderen dood waren. Hij wist ook niets over het lot van zijn ouders.”

‘Ik herinner me hem als een warme mens, die niet verbitterd was door wat hij had mee­gemaakt.’ De kleine David Van Turnhout naast zijn grootvader.

Toen Ide in 1929 naar Antwerpen vertrok, bleven zijn ouders achter in Polen. Hoe is het hun vergaan?

Verhofstadt: “Afschuwelijk. We hebben Plawno bezocht, het geboortedorp van Ide. Op een vernield Joods kerkhof na is er nauwelijks nog iets te zien van de Joodse geschiedenis. Dat geldt voor heel Polen, trouwens.”

Van Turnhout: “Joodse grafstenen werden in de jaren 30 en 40 gewoon gebruikt om straten mee aan te leggen. Het antisemitisme in Polen was héél fel. De familie van Ide heeft honger geleden in Plawno. Veel mensen kwamen om van de honger, omdat Poolse nationalisten de Joden allerlei restricties oplegden. Uiteindelijk is zijn familie afgevoerd naar het vernietigingskamp van Treblinka.”

Verhofstadt: “Auschwitz hebben we enkele keren bezocht, maar Treblinka… Dat was pas écht een mokerslag.”

Van Turnhout: “Daar heb ik het bijzonder lastig gehad. Auschwitz is voor veel mensen een soort attractie. Op de parking staat een kraam, met in grote letters ‘SNACKBAR’. Dan denk je even aan de mensen die daar honger hebben geleden en stierven door ondervoeding. Treblinka is anders. Het is een doodse plek.”

Verhofstadt: “Treblinka was, anders dan Auschwitz II-Birkenau, louter een vernietigingskamp. Mensen werden met honden van de trein gejaagd en werden allemaal, zonder uitzondering, meteen vergast. Hun lijken werden in een diepe put gegooid, tot SS-leider Himmler in 1942, toen de oorlog in het nadeel van de nazi’s begon te draaien, opdroeg om de lijken weer op te graven en te verbranden. Dat moet vreselijk werk geweest zijn.”

Van Turnhout: “Het sadisme heeft mij diep geraakt. De Joden schoven in Treblinka aan in een slangvormige rij, zoals in een pretpark. De ‘Himmelstrasse’ heette die, ‘de weg naar de hemel’. Daar hebben mijn voorouders hun gruwelijke dood tegemoet gewandeld. Mijn grootvader is dat pas na de oorlog te weten gekomen.”

Ide werd kort voor de bevrijding door de nazi’s ‘geëvacueerd’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Verhofstadt: “Aangezien de Russen het kamp naderden, dwongen de SS’ers de overgebleven gevangenen om richting Duitsland te wandelen. Dat zijn de beruchte dodenmarsen. Ide en duizenden andere gevangenen vertrokken in januari 1945 om 1 uur ’s nachts uit Auschwitz. Het was min 20 graden. Na 63 kilometer wandelen werden de Joden in open veewagons gezet richting Mauthausen, een kamp in Oostenrijk. Het was ijskoud, de sneeuw dwarrelde in de wagons waar de Joden ingepropt waren. In het midden van de massa was het nog enigszins leefbaar, langs de buitenkanten moet het ondraaglijk koud geweest zijn.

“Tijdens die dodenmars en het treintransport zijn nog eens duizenden slachtoffers gevallen. Door ondervoeding, onderkoeling, maar ook omdat de nazi’s systematisch zwakkere Joden doodschoten. Ide moest vanuit Mauthausen nóg eens twee dodenmarsen lopen, naar kampen verderop.”

Van Turnhout: “Tijdens die marsen verdween zijn nut als kleermaker. Toen is hij echt door het oog van de naald gekropen. Zeker op de laatste plek van zijn odyssee, in Gunskirchen.”

Verhofstadt: “Gunskirchen is een klein plaatsje in de Oostenrijkse bossen waar in de lente van 1945 zo’n 17.000 Joden in zes barakken moesten verblijven. Daar konden ze enkel slapen door op elkaars knieën te zitten. Zo stierven de mensen: op elkaars schoot. Ze kregen nauwelijks eten en water, ze mochten slechts op bepaalde tijdstippen hun behoefte doen. Wie toch naar het toilet moest – niet meer dan een put in de grond – werd doodgeschoten.

“Gunskirchen werd in mei 1945 bevrijd door de Amerikanen. Het lag er bezaaid met uitwerpselen en dode lichamen. Er moeten duizenden lijken gelegen hebben. Er was zelfs sprake van kannibalisme. De geur, zo blijkt uit getuigenissen, was er niet te harden. De Amerikanen hebben de lokale bevolking meegenomen naar het bos om te tonen wat ze stilzwijgend ondersteund hadden. Zelfs tijdens de dodenmarsen gooiden de Oostenrijkers nog met stenen naar de onderkoelde Joden.”

Van Turnhout: “Ik heb me tijdens onze zoektocht altijd sterk gehouden, maar toen ik over Gunskirchen schreef, ben ik gecrasht. Mijn grootvader was ondervoed, eenzaam, omringd door de dood. De gedachte aan zijn kinderen moet hem toen overeind gehouden hebben. Dochter Simonne die papieren bloemen verkoopt op het strand in Blankenberge, Charles-Victor die speelde in het zand… (stil) De tranen rolden over mijn wangen toen ik me in mijn grootvaders plaats stelde.”

Verhofstadt: “Wanneer de Amerikanen in het bos arriveerden, was Ide wellicht buiten westen. Het eerste wat hij zich herinnerde, is dat hij wakker werd in een hospitaal. Hij woog op dat moment 38 kilogram. Als de Amerikanen twee of drie dagen later waren gekomen, had hij het niet gehaald. En dat bijna drie jaar na zijn deportatie.”

Van Turnhout: “Dat hij al die episodes overleefd heeft, is onwaarschijnlijk.”

Opvallend: eind mei 1945 werd Ide gerepatrieerd naar België, één jaar later had hij al een nieuwe, jonge vrouw aan de haak geslagen. Kort erna kregen ze kinderen, waaronder jouw biologische vader, David.

Van Turnhout: “(knikt) Bizar, toch? Hij is vrij snel een nieuw leven gestart met mijn grootmoeder. Misschien was dat een soort vlucht. We hebben er het raden naar, want veel getuigenissen uit die tijd hebben we niet. Meteen na de oorlog is hij weer aan de slag gegaan als kleermaker in Antwerpen.

“Hij maakte veel reisjes. Naar ziekenhuizen in andere landen voor zijn gezondheid, maar ook mooie vakanties om te genieten van het leven en de vrijheid. Alsof hij de verloren tijd wilde inhalen. Ik heb ook de indruk dat hij steeds een kostuum droeg. Ik heb dat altijd gezien als een soort statement: ‘Mijn waardigheid, die pakken ze me nooit meer af.’”

Was hij zwaar getraumatiseerd?

Van Turnhout: “Hij had geregeld nachtmerries. Meer dan eens werd hij badend in het zweet wakker.”

Verhofstadt: “Hij huilde ook vaak, om zijn kinderen die hij verloren had tijdens de oorlog. Zijn hele familie was weggevaagd. De enigen die het overleefd hadden, waren zijn schoonbroer, zijn schoonzus, en hun kinderen. Helemaal op het eind van onze zoektocht hebben we in de VS nog een nichtje teruggevonden: Mimi, de dochter van Ides schoonzus.”

Van Turnhout: “Dat was een fantastisch moment. Mimi is intussen eind de tachtig. Toen de oorlog begon, was ze een klein meisje van acht jaar oud. Ze leefde met haar zus ondergedoken op een zolder in Ukkel, bij een katholiek gezin.”

Verhofstadt: “Ze kwamen drie jaar lang nauwelijks buiten. Eerst leerden ze hoe ze zich snel konden verstoppen als er onverwacht bezoek kwam. Mimi was heel klein en moest zich in een wasmand in de keukenkast verbergen, onder de vuile was. Haar zus Elaine moest zich in de kelder achter een kolenbak verstoppen. Overdag kreeg Mimi les van haar zus. Het laatste wat Elaine nog op school had geleerd, waren breuken. Mimi leerde daarom drie jaar lang niets anders dan dat.

“De meisjes hebben veel geluk gehad. Een Vlaams-nationalistische vrouw verklikte hun schuilplaats, maar de zussen konden net op tijd elders onderduiken. Na de bevrijding is er nog een vergeldingsraket op het huis van de buren gevallen. Mimi’s zus raakte daarbij zwaargewond, maar overleefde het. Later is Mimi naar de VS getrokken. Het is een wonder dat ze alles kan navertellen.”

Ontmoette zij Ide nog na de oorlog?

Van Turnhout: “Ja, maar pas weken na zijn repatriëring. Mimi mocht hem pas zien wanneer hij er niet meer uitzag ‘als een skelet’, zeiden haar ouders. Maar bitter is mijn opa nooit geweest. Hij was wel heel negatief over ‘den Duits’. Hij bewaarde zijn betalingsbewijsjes van de apotheek minutieus, ‘want den Duits moest hem alles terugbetalen’.”

Verhofstadt: “Hij maakte gebruik van alles wat de Duitse overheid aanbood in het kader van de Wiedergutmachung. Daar had hij recht op, vond hij.”

Van Turnhout: “Wat mij gechoqueerd heeft, is de houding van de Belgische overheid na de oorlog. Langzaam sijpelde door wat de Joden hadden meegemaakt, maar veel mensen hadden het zeer moeilijk om erkend te worden als slachtoffer. Mijn grootvader kreeg pas erkenning als verzetsstrijder toen hij met pensioen was. Als nabestaande van zijn vrouw en kinderen is hij zelfs nooit erkend. België maakte het de Holocaust-overlevers niet makkelijk.

“Tussen mijn grootvader en mijn grootmoeder Joséphine is het op een bepaald moment fout gelopen, onder meer door het leeftijdsverschil. Daarna is hij altijd alleen geweest. Maar hij hield zielsveel van zijn kinderen en kleinkinderen. Uiteindelijk is hij in een rusthuis gestorven met kleindochter Kathy aan zijn zijde, een nichtje dat ik door de familiebreuk niet kende. (denkt na) De manier waarop mijn grootvader omging met zijn verleden, hoe hij in het leven stond na zoveel onrecht: dat is uitzonderlijk.”

Dirk Verhofstadt: ‘De alarmbellen rinkelen steeds luider: kijk maar hoe Joodse graven beklad worden. Als we het verleden vergeten, slaan we elkaar morgen weer de kop in.’

Nadat het boek geschreven was, restte David Van Turnhout en Dirk Verhofstadt nog één symbolische daad: samen een steentje op Ides graf plaatsen.

Verhofstadt: “Eén van de grootste talenten van de mens is zijn vermogen om te vergeten. Maar zolang we spreken over Ide en de andere slachtoffers, blijven ze leven.”

Is dat waarom jullie het boek geschreven hebben?

Verhofstadt: “Als we het verleden vergeten, slaan we elkaar morgen opnieuw de kop in. En de alarmbellen rinkelen steeds luider. Kijk naar wat er allemaal gebeurd is in de twee jaar waarin we het boek schreven: antisemitisch geweld, Joodse graven die beklad worden, de reportage over Schild & Vrienden… Eén foto in ons boek vat het voor mij samen: een Joods kerkhof dat aangepakt is door vandalen, met op de achtergrond de boodschap: ‘Wir sind zurück’. ‘Wij, extreemrechts, zijn terug’.”

Zijn de jaren 30 terug?

Verhofstadt: “We zien vandaag een groeiend antisemitisme en een enorme afkeer van moslims, vluchtelingen en asielzoekers. Het aantal gewelddaden tegen minderheden neemt sterk toe. Dat is een parallel met de jaren 30 in Europa.”

Van Turnhout: “Rik Torfs tweette onlangs dat we niet voortdurend naar de jaren 30 mogen verwijzen. Ik heb hem geantwoord: ‘De Holocaust is niet begonnen in de gaskamer, maar aan de toog.’ Die toog is vandaag virtueel. De Holocaust wordt op sociale media openlijk ontkend, er wordt zonder gêne rassenhaat verspreid.”

Verhofstadt: “In de buurt van Ide begon het ook met wat slogans als ‘Joden buiten’. Een paar jaar later leverden Vlaamse nationalisten Joden over aan de nazi’s.

“Het grote gevaar, in mijn ogen, is dat extreemrechts in Vlaanderen genormaliseerd wordt. De N-VA draagt een verpletterende verantwoordelijkheid door Vlaams Belang salonfähig te maken. Het is een teken des tijds dat een democratische partij twee maanden lang vergadert met Vlaams Belang, terwijl we zeer goed weten welke figuren daar huizen.”

David Van Turnhout (links): ‘Tijdens het schrijven ben ik één keer gecrasht. De tranen rolden over mijn wangen toen ik me in mijn grootvaders plaats stelde.’

Van Turnhout: “Filip Dewinter, Dries Van Langenhove, zelfs mensen die de Hitlergroet brengen in Breendonk – waar mijn grootvader dus óók gevangen gezeten heeft.”

Verhofstadt: “Die Hitlergroet is een goed voorbeeld: even heisa in de pers, maar het passéért uiteindelijk gewoon. Vlaams Belang kan zo hoog scoren omdat het perfect gedijt in een samenleving waar een extreem discours normaal is. Maar woorden zijn niet onschuldig. Die boodschap proberen we met ons boek te brengen.”

Overschatten jullie de rol van politieke partijen niet?

Van Turnhout: “Volgens mij niet. In onze hersenen zit nog een restant van tribaal denken, uit onze tijd als jager-verzamelaars. We zijn eigenlijk niet afgestemd op de diverse samenleving van vandaag. Het is ergens logisch dat we vijandig staan tegenover nieuwe groepen. Maar ik geloof ook dat we het product zijn van onze opvoeding en onze omgeving. Racisme is niet per se des mensen.

“Populisten gaan voor electoraal gewin door onderhuidse haat te stimuleren en groepen tegen elkaar op te zetten. De nazi’s zijn daar op indrukwekkende wijze in geslaagd. Ze hebben een marketing- en vernietigingscampagne opgezet en haat geïnstitutionaliseerd. We mogen nooit vergeten waartoe rassenhaat kan leiden. Dat geldt trouwens ook voor extreemlinks, hoor – de Britse Labour-leider Jeremy Corbyn tolereerde ook al antisemitische uitspraken.”

Verhofstadt: “Politici komen in de media, hun woorden klinken luid. Door hun extreem discours vallen morele barrières weg voor de burger. De haat wordt niet tegengesproken, maar gestimuleerd. En dat ‘loont’, want het aantal antisemitische incidenten neemt de laatste jaren fors toe. Het is belangrijk om te erkennen dat de ideeën van extreemrechts tot diep in de Vlaamse samenleving beginnen door te dringen. Ik vrees niet meteen een nieuwe Holocaust, maar wel steeds meer clashes en uiteindelijk zwaar geweld tegen moslims, Joden en vluchtelingen.”

Van Turnhout: “(knikt) Dit boek gaat niet over antisemitisme, maar over rassenhaat en xenofobie in het algemeen.”

Verhofstadt: “Ik vrees dat Hitler binnen honderd jaar bekeken wordt zoals Napoleon vandaag. Een bizarre man met een snorretje, een wat zonderling figuur. Dat is een groot risico: dat mensen niet meer weten hoe het echt was, hoe zo’n genocide ontstaat.”

Hebben we daar genoeg aandacht voor op school?

Verhofstadt: “De kennis over de Holocaust is zeer beperkt. Daarom leggen wij in het boek ook nog eens uit hoe de nazi’s bij hun gaskamers uitkwamen. Hier en daar met de nodige details: dat zelfs Himmler misselijk werd toen er hersenen op zijn uniform spatten bij het doodschieten van Joden. Daarom zocht hij naar manieren om de Joden afstandelijker uit te moorden, met minder psychologische belasting voor zijn soldaten. Zo ontstonden gaskamers en massavernietigingskampen: gradueel.

“De Holocaust zou moeten worden opgenomen in de eindtermen. Élke middelbare scholier, ook bso- en tso-leerlingen, zou zes jaar lang minstens twee uur per week geschiedenisles moeten krijgen. En iedereen zou de Dossinkazerne moeten bezoeken. Van hieruit werden ruim 25.000 Joden en zigeuners gedeporteerd naar Auschwitz II-Birkenau. Ik ben ervan overtuigd dat zo’n directe confrontatie met de feiten onze jongeren beter zal wapenen tegen de lokroep van nationalisme.”

Tot slot: hebben jullie het gevoel dat jullie Ide nu kennen?

Verhofstadt: “Ik denk het wel.”

Van Turnhout: “De zoektocht naar het levensverhaal van mijn opa is de voorbije jaren een obsessie geworden. Dat hoor je wel vaker bij nabestaanden van Holocaust-slachtoffers. Je zoekt naar je afkomst, en daardoor eigenlijk ook naar je eigen identiteit. Ik lijk ook uiterlijk wat op mijn opa. (lacht)

“Gisteren heb ik iets anders ontdekt: mijn grootvader langs moederskant was blijkbaar een SS’er. Ik las een brief waarin hij zich bij de bezetter kandidaat stelt om Liers schepen te worden. ‘Heil Hitler’, schrijft hij op het einde. Ik heb er de hele nacht slecht van geslapen. Dirk en ik weten weer wat te doen. Ons volgend boek gaat over collaboratie – en ik heb opnieuw een opa om over te schrijven, jammer genoeg.”

Kleermaker in Auschwitz, David Van Turnhout en Dirk Verhofstadt, Uitgeverij Houtekiet.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234