Maandag 21/06/2021

De alp der Alpen

Prestige te koop op L'Alpe d'Huez, de col met de 21 haarspeldbochten

Vandaag eindigt de laatste Alpenetappe op L'Alpe d'Huez, een col met een reputatie die zijn hoogte van 1.860 meter ver overstijgt. Een col ook waar de Tour vaak in een beslissende plooi is gelegd. L'Alpe d'Huez is nochtans niet de steilste, de moeilijkste of de meest legendarische col uit de Tourgeschiedenis. Dat laatste predikaat komt Galibier, Tourmalet en Mont Ventoux toe. Maar dé etappezege die een klimmer zich droomt, boek je op L'Alpe d'Huez.

Door Walter Pauli

L'Alpe d'Huez heeft een vreemde geschiedenis. De eerste beklimming dateert al uit 1952, een jaar dat de Tourdirectie experimenteerde met aankomsten hoog in de cols: L'Alpe d'Huez, Sestrières en Puy de Dôme. Fausto Coppi won overigens overal. Het was een breuk met het verleden, want tot dan eindigden Alpen- en Pyreneeënritten doorgaans in de vallei. Briançon en Bagnères-de-Luchon danken er hun bekendheid aan.

Maar vervolgens liet men L'Alpe d'Huez alweer links liggen, bijna een volle kwarteeuw lang. Pas in 1976 trok de Tour er weer een streep. De toenmalige boss, de meer dan gewiekste Félix Lévitan, was een man met een neus voor zaken die bovendien niet om een vriendendienst verlegen zat. Hij ging in de slag met zijn 'vriend' en aannemer Guy Merlin. Die bouwde in snel tempo skioorden vol met vreselijke nieuwbouw. Als er ergens wat natuur was, mikte hij er wel een 'chalet' van acht tot tien verdiepingen in.

Om die variant op de Franse 'villes nouvelles' bekendheid te geven bij het grote publiek, koos Lévitan voor aankomsten in destijds (de vroege jaren zeventig) haast onbestaande skidorpen. Vandaar de aankomst in 1972 en 1973 in Orcières-Merlette, zo'n typisch oord vol Merlin-'architectuur'. Bovendien zorgde het voor prima televisie en meeslepende sport.

Vandaar dat de Tour vanaf 1976 ook L'Alpe d'Huez aandeed. En het moet gezegd: het was meteen een voltreffer. De late jaren zeventig was de eerste 'gouden periode' van die berg. Elk jaar werd de Tour de France er in een beslissende plooi gesneden. In 1976 reden Joop Zoetemelk en Lucien Van Impe de tot dan dominerende Freddy Maertens murw, plus ook de rest van de klimmers. In 1977 was het een editie voor de legende. Net zoals dit jaar was L'Alpe d'Huez de allerlaatste klim van de Tour. Lucien Van Impe, winnaar van het jaar voordien, wilde die rit zijn grote slag slaan. Al op de Glandon viel hij aan, maar op L'Alpe d'Huez ging hij door de knieën. Dat hij ook nog eens door een (anonieme) volgwagen werd aangereden, maakte het drama compleet.

Het jaar nadien was het weer raak: bollentrui Pollentier wint, alle favorieten druppelen één voor één binnen. Pollentier werd echter geklist in de beruchte 'peerhistorie' bij de dopingcontrole, en mocht beschikken.

De populariteit van L'Alpe d'Huez werd immens, de Tourdirectie bereikte de fase van het delirium tremens en besliste in 1979 zelfs om twee dagen na elkaar twee ritten op die berg te laten aankomen. Het kon niet op. In die jaren werd L'Alpe d'Huez haast populairder dan de Tour zelf. In 1980 bleef de Tour er echter weg.

Wat volgt, geeft een dubbel beeld te zien. Halfweg de jaren tachtig, van 1984 tot 1989 om precies te zijn, komt er een tweede 'gouden tijdperk' voor de bekendste aankomst in de Alpen: al die jaren werd er hier om de eindzege gebikkeld. De editie van 1984 was memorabel. Ten eerste omdat Luis Herrera de allereerste Columbiaanse ritzege ooit greep. Er leek met hem ook een legendarische klimmer opgestaan. Maar de tengere Columbiaan - op recente foto's is hij moddervet: een zéér vreemd gezicht - kon zijn reputatie maar een paar jaar waarmaken. Ten tweede was de rit ook gedenkwaardig omdat in het zog van Herrera de nieuwe ster Laurent Fignon zijn oude leermeester Hinault kraakte, in een meeslepend, zelfs episch gevecht. Het waren klassieke beelden van de klim: eerst, waar er nog bomen zijn, begonnen aan de beruchte serie van 21 haarspeldbochten. Vervolgens, als men op de open hoogvlakte komt die naar het skioord leidt, moesten de renners echt door een Rode Zee van applaudisserende mensenhanden en flessen water die op hen uitgegoten werden.

In 1986 gaan Hinault en Greg LeMond, die andere dauphin van hem, hand in hand over de finish. LeMond was de beste klimmer, had de dag voordien op de Granon Hinault uit het geel gereden, maar de oude Franse krijger reed goed, LeMond wilde hem niet vernederen en gunde zijn 'leermeester' Hinault zijn eerbetoon. Het beeld werd toen verkocht als een Franse variant van 'Ode aan de Vriendschap', een generatiewissel met de glimlach.

Het was uitgekookt theater. Hinault zorgde er niet alleen voor dat hij zijn wiel net voor dat van Lemond over de streep duwde, maar scoorde nadien ook op de persconferentie. De beelden van die bijeenkomst zouden verplicht lesmateriaal moeten zijn in elke cursus psychologische oorlogsvoering. Hinault verklaarde dat hij in de tijdrit de strijd zou voortzetten, LeMond zat er verbijsterd bij, op de beelden zié je letterlijk zijn mond openvallen. Niet dat het hielp: LeMond won die Tour. Maar Hinault had zelfs L'Alpe d'Huez afgebluft.

Dat lukte Stephen Roche het jaar nadien, in 1987, niet. Op L'Alpe d'Huez reed Pedro Delgado hem na één dag genadeloos uit het geel. In 1989 deed Laurent Fignon trouwens hetzelfde met Greg LeMond: hem een op het eerste zicht fatale nekslag toedienen. Zowel Delgado als Fignon grepen dus geel op L'Alpe d'Huez en leken de Tour op zak te hebben. Beiden werden in de laatste tijdrit uit het geel gereden door dezelfde mannen die op L'Alpe d'Huez de duimen hadden moeten leggen. Misschien dat Cadel Evans zich aan die voorbeelden kan optrekken, gesteld dat hij door de CSC-bergbrigade op L'Alpe d'Huez in moeilijkheden zou worden gebracht.

Dat waren jaren dat L'Alpe d'Huez zijn rol van scherprechter speelde, jaren dat de favorieten elkaar met open vizier bekampten. Wie oorlog wil voeren, vindt in L'Alpe d'Huez een ongeëvenaard terrein: het opzwepende publiek, zo goed als altijd stralend weer, op het laagste deel van de helling bijzonder steile stroken, en op het bovenste deel waait altijd een stevige wind.

Maar er waren ook jaren dat de rit naar L'Alpe d'Huez vooral een gala-gelegenheid was. Iedereen was wel opgekleed als voor de grote dagen, maar echt gebikkeld werd er niet. Beat Breu (1982) was zo'n winnaar voor de galerij, of later Andy Hampsten (1992). Of de dubbele winnaar Gianni Bugno: telkens sprintte hij naar de dagzege met de latere eindwinnaar in zijn wiel, LeMond in 1990, Indurain in 1991. Die laatsten hadden zich die dag niet uitgesloofd in het aanvallen en de kloof verder uitdiepen, maar in het controleren. Indurain deed dat wel meer: een renner als Hampsten of Corti of de jonge Pantani laten uitlopen, zelf in stevig tempo naar boven.

Pantani zou in de epo-Tour van 1997 de rit opnieuw winnen met een nooit verbeterde recordsnelheid van 23,08 kilometer per uur (tijd over de hele klim: 37'35") "Af en toe moest hjj zelfs remmen in de bochten bergop", noteerden verwonderde waarnemers. Leider Jan Ullrich moest de dagzege aan 'de Piraat' laten, maar verzekerde zich wel verder van zijn gele trui.

Dat was ook het scenario toen Armstrong in 1999 zijn eerste Tour won en Guerini op L'Alpe d'Huez mocht winnen. De Italiaan botste in de laatste kilometer zelfs op een overenthousiaste toeschouwer, die midden op de weg een kiekje wilden nemen. Toch werd hij niet verontrust door de groep van de gele trui. Armstrong had de dag voordien gewonnen op Sestrières, op L'Alpe 'Huez volstond het beveiligen van zijn pas herwonnen leidersplaats.

Dat zou veranderen. In 2001 verpulverde Armstrong met een van zijn typische demarrages zijn eeuwige vijand Ullrich. Het was de eerste keer dat hij aanviel, even omkeek, en snoeihard doorging. Het was de typische Armstrongtactiek: in de eerste bergrit ongenadig uithalen.

Idem in 2003. Opnieuw kreeg Ullrich hier een oplawaai, maar door een inzinking van Armstrong in de tijdrit naar Cap Découverte zou het toch een open strijd worden. (En natuurlijk won Armstrong). Net zoals de Amerikaan, voor een waanzinnige menigte van naar verluidt een miljoen toeschouwers, in 2005 de klimtijdrit naar L'Alpe de Huez won. Vòòr Ullrich, natuurlijk. De kolkende massa was zo talrijk, zo bedreigend ook, dat Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc die dag een van de bangste uit zijn carrière noemde.

In de post-Armstrong-periode werd L'Alpe d'Huez nog één keer beklommen, in 2006. Toen won... Fränk Schleck. Die dag was Cadel Evans bij de grote verliezers: op 2'46" van Schleck, op 1'36" van de infame Floyd Landis, toen de nieuwe gele trui. Die dag bleven ook Sastre en Mensjov de Australiër voor.

Maar het ene jaar is het andere niet. Toen was de rit naar L'Alpe d'Huez voor Landis een opstapje in zijn strategie naar geel maar het was zeker niet dé cruciale rit. Vandaar dat outsider Schleck kon winnen.

Dit jaar is L'Alpe d'Huez net zo belangrijk als in die twee memorabele, zeg maar legendarische edities van 1977 en 1986, toen hier in wezen de eindafrekening werd gemaakt - met nog een tijdrit ter correctie. Dat is ook dit jaar weer zo.

Als de historie van de Tour zichzelf respecteert, weet Schleck of Evans (of Kohl, of Mensjov, of Sastre) vanavond wie er zondag een aAspraak met de Geschiedenis heeft. Of net niet.

Dit jaar is Alpe d'Huez net zo belangrijk als in die twee legendarische edities van 1977 en 1986

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234