Maandag 16/05/2022

David Iljitsj Rebi,de laatste der Krimtsjaki

Stalin decreteerde in 1945 dat de Krimtsjaki eenvoudig niet bestonden. David: 'We waren nauwelijks van de massamoord bekomen, en nu werd ons ook nog onze identiteit ontzegd'

Suzanna Jansen / Foto's Margreet ter Woerds

Tien jaar lang werkte David Iljitsj Rebi aan zijn boek over de Krimtsjakse taal. Monnikenwerk is het geweest, het ontrafelen van het onbekende schrift met de vele hoeken en haken. Maar nu kan hij gerust zijn: het erfgoed van zijn volk zal bewaard blijven, ook als er binnenkort geen Krimtsjaki meer zijn. 'Wij zijn de laatsten der mohikanen. Daarom is het zo belangrijk voor mij dat ik nu begrijp wie we echt zijn.'

Op de Unesco-lijst van Bedreigde Talen staat het in hoofdletters: 'Huidige situatie van de taal: vrijwel uitgestorven. Aantal sprekers: nog slechts enkele individuen. Niveau van hun taalkennis: gebrekkig.'

Als geen ander is David Iljitsj Rebi zich van de staat van zijn taal bewust. Plechtig legt hij een pak papier op tafel en slaat de A-viertjes een voor een om. 'De Krimtsjakse taal' staat er op het eerste vel. Het cyrillische schrift wordt afgewisseld met af en toe een bladzijde vol smalle haken en rechte hoeken: het lijkt wel geheimschrift, zo onbekend zijn de letters. "Met dit boek blijft het erfgoed van ons volk bewaard, voor we uitsterven", zegt de man met een zweem van trots. "Volgende week gaat het naar de drukker."

Tien jaar van zijn leven heeft de gepensioneerde filoloog (76 jaar) eraan gewerkt, en daar heeft hij geen seconde spijt van. "Er zijn volken die niets anders hebben nagelaten dan een paar potscherven. Als de Krimtsjaki er binnenkort niet meer zijn, dan is er altijd nog dit boek."

David Rebi, een gepassioneerde blik onder een witte kuif, wil niets liever dan vertellen over de oorsprong, de taal en het verleden van de Krimtsjaki. Want het noemen van hun bestaan is zo lang verboden geweest dat bijna niemand meer weet wie ze zijn. Tataarse joden worden ze wel genoemd, Turkse joden, of Krimtsjakse joden, maar volgens David berust dat alles op een historisch misverstand.

Inderdaad, de Krimtsjaki hangen het joodse geloof aan. Alleen: de identiteit van een volk bepalen uitsluitend aan de hand van zijn religie, dat vindt de filoloog wel heel primitief. "Bovendien", zegt hij, "hebben wij onszelf nooit als joden beschouwd. Wij komen uit een heel ander deel van de wereld, ver van Jeruzalem."

In het begin van de twintigste eeuw had het oude volk op de Krim nog een eigen taal, een eigen schrift en een eigen religie. Maar dat verwaterde door de russificatie van de minderheden in de Sovjet-Unie. Toen kwam de fatale Tweede Wereldoorlog. Tot slot maakte Stalin het met een pennenstreek af: hij decreteerde dat de Krimtsjaki eenvoudig niet bestonden.

In zijn warm ingerichte kamer in Simferopol, met aan de wanden door hem nageschilderde Rubens-portretten, vertelt de Krimtsjak hoe hij zijn identiteit kwijtraakte en ze op de valreep hervond. Zijn vrouw Mira luistert geduldig mee. David was zeven toen hij voor het eerst een stukje van zijn eigenheid verloor. Hoewel de jongen thuis alleen Krimtsjaks sprak - zijn moeder kende geen woord Russisch - had vader besloten dat hij naar een Russische school zou gaan. Op de eerste dag moesten de kinderen een voor een hun naam opzeggen. "Daoet", zei David, toen hij aan de beurt was. Zo was hij door zijn ouders genoemd. "Daoet?", herhaalde de Russische juf. "Daoet? Wat is dat voor een naam? Dat kan niet, hoor. Laten we er maar David van maken." En zo was het gebleven. Ook aan het Russisch wende hij snel genoeg. "Mijn eigen taal vergat ik. Die herinnerde ik me pas weer toen het nodig was om ze te redden."

In 1926 telde de Sovjet-Unie officieel 6.388 Krimtsjaki, van wie driekwart het Krimtsjaks als moedertaal beschouwde. De sovjet-nationaliteitenpolitiek was er nog op gericht de verschillende volken in de Unie wat culturele rechten te geven, om ze verder kort te houden. In Davids eerste paspoort stond bij zijn etnische afkomst vermeld: Krimtsjak. Begin jaren dertig verscheen er een Krimtsjaks taalboek voor schoolkinderen. 'Oquv KitaBb' staat er op het rode omslag, 'leerboek'. Het is geschreven in Latijns schrift. "Dat boek was volledig op een vergissing gebaseerd", zegt David. "De auteur, nota bene zelf een Krimtsjak, ging ervan uit dat wij Tataars spraken, maar dan met heel veel fouten, omdat we niet goed opgeleid waren."

Hij snapt de verwarring wel, dat is het niet. Het Krimtsjaks is een Turkse taal, net als het Tataars. Bovendien: de Krimtsjaki leken in alles behalve hun geloof op hun Tataarse buren. "De mannen dragen een 'arkbaluk', een overjas van blauwe stof, die in hun middel bijeen wordt gehouden door een brede riem versierd met zilver, waaraan meestal een kleine dolk is bevestigd, of een koperen inktpotje en schrijfgerei. De vrouwen en meisjes dragen felgekleurde broeken en puntige, geborduurde slippers. Net als de islamitische Tataren bedekken ze hun gezicht in het openbaar met een witte sluier." Zo staat er in bronnen van rond 1860 over de Krimtsjaki in hun oude centrum, het stadje Kara-Su-Bazar (nu Belogorsk). "Hun religie is sterk gericht op het joodse geloof, ze volgen het talmoed-judaïsme", vermeldt de tekst.

Graaf Vorontsov, de gouverneur-generaal van het 'Nieuwe Rusland', waarschuwt in een rapport in 1841: "De Krimtsjaki moeten niet verward worden met de Karaïeten." Hij doelt op het andere Turkstalige volkje op de Krim dat de joods-religieuze tradities volgt, maar dat als 'sektarisch' wordt beschouwd. "De Krimtsjaki willen zich ook niet mengen met de andere joden, die ze 'Pools' noemen, al zijn hun religieuze gewoonten identiek."

Bij David thuis speelde religie geen grote rol. Dat wil zeggen: hij kan het zich nauwelijks nog herinneren. "Mijn vader ging wel eens naar een gebedshuis. Hij noemde het geen synagoge. In ieder geval werden alle kerken, moskeeën en andere heilige plaatsen in de jaren dertig door het sovjetregime gesloten." Welke religieuze feesten ze thuis vierden? Hij kijkt gepijnigd naar zijn vrouw. "Hoe heetten die feesten bij ons ook alweer?"

De grootste tragedie vond plaats in het jaar 1941. Er waren toen negen- tot tienduizend Krimtsjaki, die praktisch allemaal op de Krim woonden. David, net achttien, was naar het front in Wit-Rusland gestuurd om de opmars van Hitler helpen tegen te houden. Zijn oudere broer diende bij de marine in Sebastopol, al hielp dat uiteindelijk niets. "Er was een antitankgeul gegraven om de Duitsers tegen te houden, hier 10 kilometer buiten Simferopol", zegt David. "Maar ze kwamen natuurlijk van de andere kant."

In september 1941 zetten de nazi's voet aan wal op de Krim. Voortvarend begonnen ze aan de Endlösung. Er woonden destijds 42.000 joden. De Einsatzgruppe D, belast met de uitvoering van het moordprogramma, wist niet precies wie van de heterogene bevolking ervoor in aanmerking kwam. "Meteen in september 1941 vroeg commandant Otto Ohlendorf aan het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn om een beslissing over de Krimtsjaki en de Karaïeten", zo schrijft de Holocaust Encyclopedie. "De vraag werd voorgelegd aan Heinrich Himmler."

David, bitter: "Ze besloten de Karaïeten met rust te laten. Maar ons niet. Wij werden beschouwd als joden."

Op de dag dat David zijn familie verloor, de precieze datum kent hij niet, waren zijn moeder en zijn jongste zus op bezoek in Simferopol bij een tante. Zijn vader, zijn oudste zus en haar baby waren thuis in Evpatoria.

"Er verscheen een oekaze aan alle Krimtsjaki om zich te melden bij School nummer 17 voor werk in Turkije. Wie niet kwam zou worden geëxecuteerd, daarom ging iedereen. Wij waren de eersten op de Krim die zo'n oproep kregen. Niemand geloofde dat de joden, en daarmee ook de Krimtsjaki, zomaar vermoord zouden worden."

Mira, Davids vrouw, heeft tot nu toe zwijgend toegehoord. "Ik ben joods", zegt ze dan. "Een tante uit Polen was naar ons gevlucht. Zo wisten wij dat die verhalen over razzia's en moord echt waren. Wij konden net voor de komst van de Duitsers een veilig heenkomen zoeken."

De Krimtsjaki zaten drie dagen zonder eten en drinken in de school opgesloten. Toen moesten ze naar de antitankgeul lopen, die juist gegraven was om de Duitsers tegen te houden. "In die greppel zijn ze allemaal doodgeschoten. Mijn vader, mijn moeder, mijn zussen, zelfs het kindje." David zwijgt even. "Mijn hele volk is toen uitgeroeid."

Volgens de Holocaust Encyclopedie gebeurde dat uiterst systematisch: op 10 november werden als eersten de Krimtsjaki uit Kara-Su-Bazar vermoord; op 16 november die uit Feodosia, samen met de joden, in totaal 1.052 mensen; op 24 november alle Krimtsjaki uit Evpatoria, aantal onbekend; op 1 en 3 december zevenduizend mensen uit Kerch, Krimtsjaki en joden; op 9 december vijftienhonderd Krimtsjaki uit Simferopol; op 13 december veertig Krimtsjak-families uit Bachtsjisaraj.

Na deze massa-executies ging het moorden op kleinere schaal door. Toen de nazi's waren verjaagd bleven er niet meer dan vijftienhonderd tot tweeduizend Krimtsjaki over. Elk jaar, op 11 december, worden de vermoorde Krimtsjaki bij de antitankgeul herdacht. De lichamen van de slachtoffers liggen er nog steeds, al is er nu beton over gestort. Dat gebeurde kort na de oorlog, op verzoek van de nabestaanden, toen bleek dat de graven geplunderd werden. Het is een kale plek, daar waar het Krimtsjakse volk ophield te bestaan. Ter markering slechts een paar betonnen paaltjes en een monument. De tekst luidt neutraal: 'Voor de sovjetburgers die vielen onder de nazi-terreur.'

Maar zelfs met die massamoord was de vernietiging van het volk nog niet voorbij.

David had het grootste deel van de oorlog doorgebracht in Duitse krijgsgevangenschap, waaraan hij ironisch genoeg zijn leven dankte. Hij had zich uitgegeven voor etnische Rus om niet op te vallen. Toen hij na de bevrijding, op 23-jarige leeftijd, terugkeerde naar de Krim, begreep hij pas wat er was gebeurd. "Er was niemand meer over. Ik was helemaal alleen. Zelfs ons appartement was verwoest", vertelt hij. Zijn broer, die bij de marine in Sebastopol had gediend, was in 1944 in de strijd gestorven.

Om in zijn levensonderhoud te voorzien schilderde David portretten van communistische voormannen. "Stalin, Lenin, al die rotkoppen." In 1948 kreeg hij de kans om een nieuw leven te beginnen: studeren in Leningrad. Daar wachtte hem een onaangename verrassing. Zoals verplicht meldde hij zich op de eerste dag bij het registratiekantoor. "Er staat in uw paspoort dat u 'Krimtsjak' bent", snauwde de loketbediende hem toe. "Dat kan niet. Er bestaan helemaal geen Krimtsjaki."

David: "Ik wist toen niet dat Stalin in 1945 ons volk per decreet had afgeschaft." Later hoorde hij hoe een groepje Krimtsjaki naar Moskou was gereisd in de hoop het besluit ongedaan te maken. "We waren nauwelijks van de massamoord bekomen, en nu werd ons ook nog onze identiteit ontzegd." De smeekbede haalde niets uit. Wat wil je, het was de tijd waarin Stalin met evenveel gemak hele volken deporteerde. Dat de Krimtsjaki daar tenminste geen slachtoffer van werden, komt volgens David alleen omdat het de moeite niet was: met een handtekening had Stalin hetzelfde bereikt.

"U bent vanaf nu Karaïet, of u verlaat deze stad voorgoed", kreeg David bij het registratieloket te horen. "Ik wilde graag studeren." Hij zegt het bijna verontschuldigend. "Dus werd ik Karaïet." Assimileren was de enige optie. David studeerde filologie, trouwde, scheidde en besloot na verloop van tijd terug te keren naar de Krim. Daar ontmoette hij Mira, die zijn tweede vrouw werd.

In 1972 lukte het een wetenschapper voor het eerst het bestaan van de Krimtsjaki weer te noemen. De publicatie Krimtsjakse etudes verscheen in Polen, in de Sovjet-Unie was ze verboden. Pas tijdens de glasnost en perestrojka kwam de ommekeer: "In 1989 kregen we voor het eerst toestemming om bijeen te komen", vertelt David. Er kwamen honderden Krimtsjaki, uit alle streken van de Sovjet-Unie. Enkelen brachten handgeschreven boeken mee die van generatie op generatie in de familie waren gebleven. Niemand kon ze lezen. Niet alleen de taal, maar ook het schrift was niet meer bekend.

Toen David zo'n boek zag, besefte hij ineens wat voor een schat hij in handen had, misschien wel de sleutel tot zijn identiteit. "De Krimtsjaki waren begin deze eeuw ambachtslui met grote gezinnen. Gezinnen met veertien, vijftien kinderen waren geen uitzondering", vertelt hij. "Ik stelde me voor hoe hard de ouders moesten werken om al die kinderen te onderhouden. Dat ze dan ook nog de tijd namen om oude manuscripten over te schrijven getuigt van hun verantwoordelijkheidsgevoel voor de toekomstige generaties. Als zij zoveel moeite hebben gedaan om deze teksten voor ons te bewaren, dacht ik, dan moet ik alles doen om ze te kunnen lezen."

Hij pakt een manuscript en legt het behoedzaam op tafel. Het kleine boek is extra dik door de vloeibladen die David ter bescherming heeft tussengevoegd. Dichtbeschreven velletjes met smalle, hoekige tekens zijn het. "Niemand weet wat voor schrift dit is", zegt hij. "Het wordt vaak voor Hebreeuws gehouden, maar dat is het niet. Het lijkt ook op Aramees." Het boek is door ene Josif Khalzie in 1920 overgeschreven, zoals blijkt uit het schutblad. De oorspronkelijke tekst stamt volgens de filoloog uit de twaalfde eeuw. "Het is het bijbelboek Daniël, vertaald vanuit het Oud-Hebreeuws naar het Krimtsjaks van die tijd."

Monnikenwerk was het geweest, het ontrafelen van de tekst. Hier en daar had David een woord herkend, of een half woord. Daaruit leidde hij af welke letters er moesten staan. Zo probeerde hij weer een ander woord te lezen, tot hij het hele alfabet had ontcijferd. "Het was extra lastig omdat er geen hoofdletters worden gebruikt en geen interpunctie. Er zijn geen klinkers en ook de medeklinkers kunnen een verschillende uitspraak hebben, naargelang van de context." Alle kennis van de taal die hij met zijn moeder sprak, kwam woord voor woord weer boven.

Als David begint voor te lezen, in een normaal voorleestempo, alsof het niet om een praktisch uitgestorven taal gaat in een uitgestorven schrift, dan pas dringt het besef door: deze oude man is misschien de enige op de wereld die dit kan lezen. "Wij zijn de laatste der mohikanen", zegt hij. "Daarom is het zo belangrijk voor mij dat ik nu begrijp wie we echt zijn."

De Krimtsjak gaat op het puntje van zijn stoel zitten. "De joden hielden ons altijd voor joden, en de Tataren zeiden dat we een dialect van het Tataars spraken. We wisten dat het allebei niet waar was, maar nu pas kan ik het aantonen. Wij noemen onze taal Tsjagaltai, wat verwijst naar een van de zonen van Dzjengis Khan. Alleen dat suggereert al dat wij uit het Altai-gebied komen, in Mongolië. Ons volk is tweeduizend jaar oud. Wij stammen af van de Chazaren, die van 650 tot 1016 heersten op de Krim. Hun oorsprong ligt in Mongolië." De Chazaren beleden het tengri-isme, tot ze zich in de negende eeuw tot het jodendom bekeerden. Het Krimtsjakse bijbelboek Daniël leverde het voor David onomstotelijke bewijs. "Toen ik de tekst had vertaald vergeleek ik die met de moderne Russische bijbel. En wat bleek?" David kijkt op. "Op de plaatsen waar in de moderne tekst 'God' staat, staat bij ons 'Tengri'. Tengri, de Mongoolse God van de Hemelen." Hij pauzeert even om het volle gewicht van de ontdekking te laten doordringen. "Wij komen uit de Altai in Mongolië", herhaalt hij. "Wij zijn dus geen nazaten van joden uit de regio Jeruzalem. Ruim duizend jaar na de bekering tot het joodse geloof, toen het boek in 1920 werd overgeschreven, waren we nog steeds onze oorspronkelijke god niet vergeten."

Terwijl hij terugzakt in zijn stoel kijkt Mira bezorgd toe. De oude Krimtsjak is moe, het verhaal grijpt hem aan. Alleen: er is geen tijd om te rusten.

"Dankzij mijn werk is het Krimtsjaks nu als taal erkend door de Russische Academie der Wetenschappen. Het is in 1997 opgenomen in het boek De talen van de wereld."

Alleen internationale erkenning van de eigenheid van het volk blijft uit. "We willen nog zoveel mogelijk van onze cultuur redden, en daar is geld voor nodig." Van de straatarme Oekraïne hoeven ze niets te verwachten. Maar tot welke internationale organisatie ze zich ook wenden om financiële steun, de Krimtsjaki krijgen overal hetzelfde te horen: 'Jullie zijn toch joden? Waarom willen jullie dan apart subsidie?' Zelfs het compensatiefonds voor nabestaanden van holocaustslachtoffers in Berlijn erkent hen niet als volk. "Ze lieten weten dat er al geld was overgemaakt voor de Oekraïense joden. Maar waarom zouden die ons iets geven?"

Voorlopig is Davids boek over de Krimtsjakse taal vrijwel het enige dat van de cultuur is gered. Het boek bevat het alfabet, woordenlijsten, grammatica en de herkomst van de taal. "Ik heb het niet in het Krimtsjakse schrift geschreven", zegt de laatste der Krimtsjaki. "Dat heeft geen zin meer. In het cyrillisch is het toegankelijker." Met veel inspanning is het de kleine Krimtsjakse gemeenschap - op de Krim wonen er nog een paar honderd - gelukt om 560 dollar bijeen te krijgen voor de drukker. Als het boek later deze maand van de persen rolt, zijn er duizend exemplaren om het Krimtsjakse volk aan de vergetelheid te ontrukken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234