Zaterdag 24/09/2022

'Dat Tarantino-etiket stoort me wel'

Op zijn drieëntwintigste verscheen zijn eerste misdaadboek, Deadline. Nadien volgden Dansende asse en het zopas verschenen Razborka. 'Ik probeer verhalen te schrijven die ik zelf graag zou willen lezen', zegt Jonathan Sonnst, schrijver en godsdienstleraar.

Jonathan Sonnst

Razborka

Manteau, Antwerpen, 264 p., 17,95 euro.

'Misschien heb je Roddy Doyle gelezen. Daar zit een scène in met een jongen die droomt een rijk en bekend artiest te worden. Hij zit in bad en doet alsof de sproeier een microfoon is waarmee hij wordt geïnterviewd. Dat jongetje lijkt op mij toen ik zeventien was. Mijn eerste manuscript heette Judas en ging over een telepaat die ingezet wordt om een mol in de Europese veiligheidsdienst te ontdekken. Ik gooi het idee hier te grabbel voor alle auteurs die het willen oppikken. Daarna volgde Mantra, een wraakthriller over een sekte van huurmoordenaars. Dan kwam er nog iets dat heel erg Ludlum was. Ach, ik buig het hoofd in schaamte. Gelukkig haalde geen van deze schrijfsels de drukpers."

Was u fier toen uw eerste boek in de etalage lag?

"Dat doet wel wat, ja. Ik heb lange tijd voor de buitenwereld verzwegen waarmee ik bezig was. Wanneer je verkondigt dat je schrijver bent, krijg je altijd de vraag of je al iets hebt uitgegeven. Ik wilde er pas mee naar buiten komen als ik kon zeggen: voilà, dat is het. Mijn eerste twee boeken zijn uitgegeven bij Van Halewyck. Ik ben de mensen daar nog altijd dankbaar voor de kansen die ik heb gekregen. Maar uiteindelijk waren thrillers hun ding niet en toen Manteau aan mijn mouw kwam trekken was de keuze snel gemaakt. Tenslotte is Manteau dé referentie in Vlaanderen voor het spannende boek. Als je kijkt met wie ik de stal deel: Aspe, Deflo, De Bruyn, Mendes..."

Allemaal concurrenten?

"Zo zie ik het niet. Ik denk dat het Vlaamse vijvertje groot genoeg is voor ons allemaal. Iemand als Aspe heeft zeker belangstelling gewekt voor de Vlaamse thriller. Veel contact hebben we niet met elkaar, maar wie ik bijvoorbeeld wel in het oog houd is Benny Baudewyns. Hij debuteerde samen met mij en heeft ook net zijn derde boek uit. Dat zou je met wat goede wil concurrentie kunnen noemen. Zelf ben ik al aan mijn vierde boek begonnen, De pijnhandel is de werktitel. Een verhaal dat in de bokswereld speelt."

Hebt u de indruk na drie boeken uw eigen stek te hebben gevonden?

"Ik schrijf gewoon de verhalen die ik zelf graag zou lezen. En ik schrijf voor iedereen die zich kan herinneren hoe leuk het was om luchtgitaar te spelen op je favoriete rocknummer, voor iedereen die vindt dat kaas en confituur op je boterham wèl kan, voor iedereen die weet dat de pen machtiger is dan het zwaard. Die moeten allemaal Sonnst lezen... Echt, op een bepaald publiek mikken doe ik niet. Maar gezien mijn eigen leeftijd en de verwijzingen naar de populaire cultuur verwacht ik toch jonge mensen te bereiken.

"Veel van mijn collega's hebben bewust voor een Vlaamse verankering gekozen. Aspe heeft Brugge, Deflo Mechelen... Dat maakt een en ander heel herkenbaar, maar je bent als schrijver dan ook een beetje de slaaf van je omgeving. Voor Razborka creëerde ik een eigen stad, St-Maura. Om een eigen speeltuin te hebben. Ik hoef me niet te bekommeren om een echt stratenplan. Het leuke is dat de lezer op die manier zijn eigen beelden kan projecteren. Voor sommigen is het zelfs een sport om op zoek te gaan naar de steden waar St-Maura op gebaseerd is."

Er is in de recensies van uw eerste boeken verwezen naar Quentin Tarantino en de James Bond-films. Razborka is minder bloederig. "Met die verwijzing naar James Bond en Ian Fleming kan ik leven. Dat Tarantino-etiket stoort me wel. In het eerste hoofdstuk van Deadline is een minieme verwijzing naar Reservoir Dogs opgenomen en dat pikt men er natuurlijk uit. Voor alle duidelijkheid: ik ben geen aficionado van Tarantino. Ik heb niet eens al zijn films gezien. Je kunt met evenveel recht en rede zeggen dat Deadline de mosterd haalt bij Natural Born Killers van Oliver Stone en The Wild Bunch van Sam Peckinpah. En dat er in Razborka minder geweld aanwezig is, is niet waar. Het wordt wel minder expliciet gebracht. Als lezer arriveer je altijd ofwel vlak na de feiten, of je leest erover via het personage dat de handeling vertelt.

"Er is ook al een paar keer het woordje parodie gevallen. Ik steek de draak niet met het misdaadgenre, je zou het meer een hommage kunnen noemen. Ik ben opgegroeid met 'Old school heroics' à la Alistair MacLean, Jack Higgins... Dat kun je nu niet meer maken, dat zijn inmiddels huizenhoge clichés geworden. Als je nu nog zo'n soort plot wilt brengen, moet je proberen er een wending aan te geven. Dansende asse was daar een poging toe. En wie ik nu graag lees? Dennis Lehane, Mo Hayder, Daniel Pennac, John Connolly... en nog veel anderen. Je mag als schrijver niet elitair worden, vind ik. Uit elk boek, zelfs de grootst mogelijke pulp, kun je wel iets leren. Al was het maar hoe het niet moet of dat je er nooit aan had moeten beginnen."

Geeft het een kick om gewelddadige scènes te beschrijven?

"Die vraag verbaast me. Ik zoek zeker geen choquerende effecten en zelf vind ik mijn boeken niet zo gewelddadig. Oké, bij Hubert Lampo vallen er minder doden... Maar ik ben zeker geen psychopaat die geniet van geweld. Misschien heeft het wel wat te maken met mijn jeugd, we leven in een gewelddadige wereld, en ik merk dat. Ook al wil ik geen chroniqueur van mijn tijd zijn."

Typisch Sonnst zijn de vele oneliners en wisecracks. Hebt u steeds een notitieboekje bij de hand?

"Ik heb zo'n ouderwets ingebonden kasregister. Daarin belanden alle invallen, bijna-plots, citaten, weetjes die ik oppik. Het triviale fascineert mij enorm. Wist je bijvoorbeeld dat een mier altijd op haar rechterzijde zal vallen als je ze vergiftigt? Die Wu Ming-machines die in St-Maura wijsheden spuien zijn een eigen creatie. De helft van de wijsheden ook. Nu zijn er nog wel een paar typische Sonnst-kenmerken. Sarcasme bijvoorbeeld of helden en antihelden die als einzelgängers met of zonder disfunctionele familie door het leven stappen. Misschien een idee voor een germanist die nog een thesisonderwerp zoekt."

U bent leraar godsdienst. Voelt u zich een beetje God als u personages creëert?

"Ik geef ook nog geschiedenis, hoor! De vergelijking van een schrijver met God gaat inderdaad op. Je schept mensen die vervolgens een eigen leven gaan leiden, weigeren te doen wat je hen oplegt en dan gaan rebelleren tot je gedwongen wordt toornig met hen af te rekenen. Het verschil is dat er van een bijbel meer exemplaren over de toonbank gaan en dat ik als schrijver nog niet dood ben verklaard."

Ik denk dat het E.L. Doctorow was die gezegd heeft dat schrijven zoiets is al rijden in de mist. Je ziet niet verder dan je koplampen, maar je geraakt toch ter bestemming. Is dat voor u ook zo?

"Ja, ik kan me daar goed in vinden. Een plot rijpt in mijn hoofd. Veel meer dan een eerste aanzet en een idee van het einde heb ik nooit wanneer ik van start ga. Alles komt dus heel organisch tot stand. Op een of andere manier weet je wel dat het in de plooi zal vallen. Stephen King vergelijkt het in Vel over been met naar een nieuwe woning verhuizen. Al die verhuizers lopen langs met dichtgeplakte dozen en zetten die ergens in een kamer. Hoewel je niet kunt zien wat erin zit, weet je dat ze alle spullen bevatten die je nodig zult hebben. Het is alleen kwestie van de juiste doos weer te vinden en die open te trekken. Ik geloof heel sterk in het idee dat je beste werk vrijwel moeiteloos totstandkomt. Soms zit ik zo geconcentreerd te werken dat de uren verglijden zonder dat ik er erg in heb. Op andere momenten vlot het echt niet. Wanneer dat gebeurt, ga ik wat anders doen. Lezen, sporten, een game spelen... om mijn gedachten te verzetten. Uit ervaring weet ik dat wanneer ik mezelf dwing x aantal bladzijden te halen, ik ze achteraf toch zal moeten weggooien omdat ze de norm niet halen. Al bij al is schrijven mijn hobby en mag het geen gigantisch labeur worden."

Jonathan Sonnst is een pseudoniem. Het klinkt heel wat internationaler dan uw echte naam Geert Den Haerynck.

"Mijn pseudoniem komt van tijdens de Duitse lessen in het vijfde middelbaar. We hadden toen van die dialoogjes die je moest instuderen. 'Im Kaufhaus' waar je 'Zwiebeln' moest kopen en van die dingen. O, en mierikswortel begot, waardoor ik jarenlang in de waan verkeerde dat Duitse mensen dat massaal consumeerden. In elk geval, ik zat op een jongenscollege in Eeklo maar zo'n gesprekje vereiste altijd een vrouwelijke rol, die van winkeljuffrouw. Achteraf gezien waren die handboeken heel rolbevestigend. Enfin, ik was altijd de klos. Ik moest de winkeljuffrouw zijn. Een trauma heb ik daar niet van overgehouden, wel een fascinatie voor het bijwoord 'sonst'. Mijn laatste zinnetje luidde immers steevast 'sonst noch etwas?' Toen ik ben beginnen te schrijven heette een van mijn allereerste personages 'Jonathan Sonnst'. Toen later Deadline uitkwam, nam ik die naam als pseudoniem, een eresaluut aan die beginperiode. Ik vraag mij wel nog steeds af of het bijwoord 'sonst' in het Duits nu met één, dan wel met dubbele 'n' is."

Fred Braeckman

'Oké, bij Hubert Lampo vallen er minder doden... Maar ik ben zeker geen psychopaat

die geniet van geweld'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234