Dinsdag 12/11/2019

‘Dat stukje in de krant is mijn reden van bestaan’

Rouwen kan hij nog altijd als geen ander. En reken ook maar dat Hugo Camps weemoedig zal blijven tot in het graf. En toch. Aan de vooravond van zijn 68ste verjaardag voert het geluk in zijn leven de boventoon. Sterker nog: ‘Ik ben nu dubbel gelukkig. Ik heb relationele vrede én ik heb het stukje. Hoger kan het geluk toch niet zijn?’

tekst: Jeroen de Preter / foto: Jonas Lampens

alavond aan de zeedijk van Knokke. Opgeruimd stapt Hugo Camps de taverne binnen waar we hebben afgesproken. Zijn dagelijkse column voor De Morgen is zopas verstuurd, de voldoening straalt nog van hem af.

“Om vijf uur had ik nog niets om over te schrijven. Maar toen, onderweg van Waregem naar Knokke, zag ik plots wegenwerken. Nu ja, werken. Het enige wat je op die weg kon zien was een lange rij van die achterlijke paaltjes die de rijstroken moeten afbakenen. Gewerkt wordt daar niet, maar wel: kilometerslange ellende vanwege die paaltjes. Godverdomme, dacht ik, jullie gaan eraan vandaag. En ze zijn eraan gegaan.”

Sinds hij zijn plaats op de eerste pagina van deze krant niet meer deelt met Margot Vanderstraeten moet of mag Camps elke dag aan de bak. Camps noemt het “een serieuze belasting”, maar ook: “een groot geluk”.

“Dat stukje schrijven is in mijn bioritme gaan zitten. Zoals eten en drinken. Soms met de misselijkheid van een maaltijd, soms ook met de zaligheid ervan.”

Hard werken is het bijna altijd. “Aan zo’n stukje heb je toch al snel een dagtaak. ’s Morgens sta ik op en lees ik de kranten. Alle Vlaamse kranten, de Nederlandse kranten en Libération. Daarna begint het. 43 keer naar teletekst kijken, elk uur het nieuws opzetten. Zoeken naar een onderwerp, naar een eerste zinnetje. Soms, een enkele keer, ligt het onderwerp voor de hand. Maar meestal niet. Rond een uur of vier word ik dan totaal onaanspreekbaar. Dan trek ik me terug in de werkkamer en moet het stilaan gaan komen.”

Camps zegt dat zijn stukjes “geen betekenis van gene zijde” hebben. Maar die extreme relativering houdt hem niet tegen om de stukjes met de grootst mogelijke inzet te schrijven. “Het is niet even neuken tussen het breiwerkje door. Je moet weten: ik heb een aantal dingen niet goed gedaan in mijn leven. Laat het dan, op dat ene kleine plekje dat mij is toegewezen, wél goed zijn. Natuurlijk lukt me dat niet altijd. Ik maak mezelf wijs dat vier van de tien columns enig niveau hebben. Een hogere score acht ik niet haalbaar. De grote Jan Blokker (vorig jaar overleden schrijver en ‘Volkskrant’-columnist, JDP) kon natuurlijk hoger mikken. Hij heeft me tijdens een interview ooit gezegd dat hij naar een gemiddelde van zes goeie columns op tien streefde. ‘Als je zes op tien haalt, dan ben je toch de koning?’, zei hij.

“Wanneer is het stukje goed? Wat is de maatstaf? De kunst is, denk ik, om net binnen de grenzen te blijven van pathetiek, van cynisme en van koketterie. En dat zonder de ballen te verliezen. Een stukje mag geen erectie zijn. Maar het moet wel ballen hebben.

“Soms schuif ik uit natuurlijk. Er is de druk van de deadline, en er is ook in het schrijven zoiets als de vorm van de dag. Soms lummel ik maar wat voor de bezemwagen uit. Slechte dag, zware benen. Soms zit ik in het peloton. Maar als het over liefde, schoonheid en dood gaat, dan wil ik in de kopgroep zitten.

“Van de politiek probeer ik zo veel mogelijk weg te blijven. Ik ben geen opiniemaker, geen Desmet of Samyn. Mijn stukje mag ook geen ideologisch manifest zijn. Niet van: zo is het.

“Ik heb ook niet elke dag een mening. Ik weet niet of je ja dan nee moet applaudisseren voor de uitschakeling van Bin Laden. Vorige week had ik het grote voorrecht Juliette Gréco te interviewen, 84 jaar, maar nog altijd een vlijmscherpe geest. ‘C’est quand même pas possible’, vertelde ze me, ‘dat wij als mensen juichen om de dood van een ander mens’. Het lef van die oude vrouw! Ik durf zoiets niet op te schrijven. De publieke opinie en dus ook de krant zou zo’n gedachte op dit moment nog niet toelaten. De waarheid is niet om het even waar en wanneer de waarheid.

“Door elke dag een column te schrijven, ben ik trouwens oneindig veel meer van het interviewen gaan houden. Als interviewer ben ik er niet. Non-existent. Zit ik als het ware onder de tafel. Ik heb ook een bloedhekel aan interviews waarin de vragensteller zeven regels nodig heeft terwijl het antwoord van de geïnterviewde amper anderhalf woord beslaat. Schrijf toch columns, denk ik dan.”

Over de betreurde Jan Blokker tekende Camps ooit op hoe die nog tussen de bestralingen door z’n stukjes zat te tikken. “Een rolmodel”, vindt Camps.

“Ik heb ook wel eens een crisisje gehad. Ik schreef m’n stukjes toen vanuit het ziekenhuis. Als dat niet had gekund, dan was ik uit het ziekenhuis weggebleven. Ik zie het als een groot privilege om een plek te krijgen in de krant. Maar het is wel een privilege dat verplicht. Een privilege dat verplicht tot passie, tot continuïteit, tot eenzaamheid soms. Maar dat offer wil ik graag brengen. Vroeger, als student in Leuven, liep ik met De Volkskrant in mijn achterzak. Als ik op mijn kot kwam, was het eerste wat ik deed: koortsig de regionale kranten openslaan, op zoek naar de voetbal- en wieleruitslagen.

“Mijn reden van bestaan is een stukje in de krant. Er is geen basis die dieper ligt. Ik heb er - en mag ik je vragen dit voorzichtig op te schrijven? - lange tijd een privéleven aan opgeofferd.”

De krant als echtbreker, het is een thema dat Camps ook al eens aansneed in een column. De krant noemde hij hier een “maîtresse”. Ze is een verleidster die ervoor zorgt dat je “alleen op een bankje in het park” eindigt. Immers: “Nieuws is gulziger dan een vulva.”

Camps blijkt hier uit ervaring te spreken. “Ik heb relaties laten sneuvelen op mijn deadlinedwang. Gelukkig heb ik sinds acht jaar Martine, een vrouw die me, ofschoon pontificaal aanwezig in mijn leven, de ruimte geeft. Ze kan die overgave hanteren. Ze begrijpt dat dat geluk van mij er niet zou zijn als er geen krant was. En dus geniet ik vandaag dubbel geluk. Ik heb relationele vrede én ik heb het stukje. Hoger kan het geluk toch niet zijn?”

En toch, helemaal volkomen is dat geluk niet. “Ik ben nog katholiek genoeg om begrippen als spijt en schuld te kennen. Het schrijven heeft ook tot een zekere verweesdheid geleid. Ik heb twee dochters en vier kleinkinderen. Ik zie ze weinig en dat is mijn schuld. Maar stiekem ben ik wel eens verdrietig dat ze me maar zelden bellen.”

Terreur van de close-up

In zijn stukjes grossiert Camps ondertussen als vanouds in groot verdriet. Zoals onlangs, in een meesterlijk miniatuurtje dat hij bij de tragische dood van Wouter Weylandt schreef. “Er is weinig wat me dieper raakt dan deze dood”, zegt hij. “Alleen al de plaats van dat drama. Niet dat het veel helpt, maar toch: als mens mag je toch nog het recht claimen om te sterven in een bed, tussen witte lakens? Neervallen op het grauwe asfalt, terwijl de renners en motards voorbij snellen… nee. Mij is dat veel te wreed. Ik kan dat geen plaats geven. Het enige wat je dan als commentator nog kunt doen is dat kale verdriet optekenen. Elke vorm van recuperatie is dan uit den boze.”

Helaas, niet iedereen bleek er de afgelopen week zo over te denken. In de slag om lezer en kijker werden na Weylandts dood ook beelden ingezet van Weylandts geliefde en moeder. “Ik kan daar niet tegen”, zegt Camps. “Natuurlijk ben ik zelf ook niet vrij van voyeurisme. Wie wel? Maar er is een grens waar je, om redenen van fatsoen, niet over gaat. Moeten wij de indringende foto’s zien van zijn moeder en vrouw die een boeket leggen bij de plaats van het ongeval? Moeten we een close-up krijgen van zijn ontzielde lichaam? Nee toch? Een beetje respectabele krant of televisiezender laat Wouter Weylandt toch alleen nog maar zien als een engel? Hij is als een vliegende engel vertrokken, dus laat hem toch alstublieft als een vliegende engel bewaard worden. Weg met die close-ups. De tereur van close-up is niet meer te doorstaan, maar daar hoor je niemand over. Terwijl close-ups, dat is toch ook Al Qaida?”

In de boekhandel ligt sinds deze week Maanzaad, een bundeling van Camps krantenstukken van de afgelopen twee jaar. De dood is in dit boek al aanwezig op de eerste pagina’s. Niet voor niets wordt er geopend met een stuk dat hij schreef op de dag dat zijn vriend Hugo Claus het tijdige voor het eeuwige verwisselde.

“We kenden elkaar veertig jaar. Sinds onze eerste ontmoeting ben ik geen dag zonder Claus geweest. Al zijn amourettes heb ik gekend. Jarenlang heb ik samen met hem de eerste hopscheuten gegeten.

“Ik was nog een heel jonge journalist toen ik hem voor het eerst mocht interviewen voor Het Belang van Limburg. Hugo had voor een katholieke krant iets te vrijpostig gesproken. Als ik het me goed herinner had hij in dat interview gezegd dat hij elke dag om vijf uur een liederlijk leven begon te leiden, omdat er anders geen leven was. Toen dat stuk verscheen, belde Herman Vanderpoorten (voormalig liberaal kopstuk, JDP) naar de eigenaar van de krant. Dat dat soort teksten toch niet in een fatsoenlijke krant thuishoorden. Ik vond het natuurlijk alleen maar prachtig. Ik was een jongetje uit het dorp, dat bij de grote meester was mogen komen. Een onsterfelijk geschenk.

“In mijn stukje over Claus vertel ik ook over de laatste keer dat we samen uit eten gingen. Zijn vrouw Veerle was erbij, en Guy Verhofstadt en Pierre Chevalier. Ik zat naast hem en heb hem op een gegeven ogenblik gezegd dat ik van hem hield. En dat ik maar van één ding spijt had: dat hij altijd zo onaanraakbaar is geweest. ‘Ik mocht je nooit raken’, zei ik tegen hem. Toen heeft hij, voor de eerste keer in die veertig jaar, zijn hand op mijn knie gelegd. Hij is die nacht om een uur of twee vertrokken, in de auto van Verhofstadt. Ik heb mijn hand nog opgestoken, maar er kwam geen hand meer terug. Nou, die hand zie ik nog elke dag.”

Fileerkunst

Tot zover Hugo Camps als bewonderaar. Want zo hartstochtelijk als hij mensen kan vereren, zo vernietigend kan hij ze ook schofferen. Al ziet hij dat zelf anders.

“Ik zou het toch geen schofferen noemen. Goed, er gaat enige fileerkunst mee gepaard. Maar schofferen? Het is in elk geval nooit de bedoeling. Ik ben nog nooit in mijn leven opgestaan met de gedachte: vandaag zal ik eens iemand bezeren. Ik wens niemand te bezeren. Maar soms mag je het ook niet laten voorbijgaan. Als publieke figuren ons, de burgers, beschouwen als idioten, als kiesvee, dan zet ik er met alle plezier het mes in.

“Ik zal trouwens zelf de eerste zijn die over zo’n stukje spijt heeft. En erger nog: spijt die overgaat in schuldgevoelens. Ik kan zo tien columns noemen waarvan ik denk: foute boel. Ik kan het alleen van mezelf accepteren omdat het nooit de bedoeling was om te schofferen. En omdat ik bijna altijd vertrek vanuit iets grotesks dat zij hebben neergezet in het publieke theater.

“Als iemand ervoor kiest om publiek te zijn, applaus te zoeken en bewonderd te worden, dan moet je ook accepteren dat je in het mes loopt. Natuurlijk ken ik een dag na zo’n stukje wel eens spijt. En laf ben ik ook wel. De dag erna wil ik de slachtoffers liever niet ontmoeten. Een week later wel. Tegen dan hebben ze meestal zelf wel begrepen wat het wezen van het columnisme is. Een column is uitvergroting. Provocatie. Opblazerij van het detail. Als je dan toch zo graag publiek wil zijn, neem dat er dan bij. Ik bedoel: wat heeft het ook te betekenenen?

Natuurlijk moet dit gesprek ook even gaan over Paul Marchal, over wie Camps ooit zei dat hij danste op het graf van zijn dochter. In Reyers laat bood Camps hem afgelopen maandag zijn excuses aan, excuses die Marchal in dank aanvaardde. Het boetekleed aantrekken, Camps heeft er naar eigen zeggen geen enkele moeite mee. “Ik had het destijds niet zo moeten formuleren. Dat dansen was er te veel aan. Dat was een fout van mij. Ik ben toen voorbij gegaan aan zijn recht om totaal eigenzinnig en autonoom te lijden. Het kost mij geen moeite om daar mijn excuses voor aan te bieden. Zoals het me ook geen moeite kost om mijn mening te herzien.

“Kathleen Cools heb ik ooit een kenau genoemd. Dat was nog in de tijd van Bracke, toen Terzake een echte vleesmachine was. Ik kon dat niet meer aanzien, het was zelfs onbeschoft. Maar ondertussen is Kathleen Cools duidelijk veranderd. Vandaag geeft ze mensen de ruimte om een zin te zeggen en zie je dat ze een vakvrouw is. Dat is niet meer dan een waarneming. Ik registreer alleen maar dat de vleeshaak Kathleen Cools een serene en belangstellende grande dame is geworden.

“Nu, een knieval voor Pieter De Crem zul je me nooit zien maken. Nooit. Moet ik een man ontzien die op een zondag op rolschaatsen door het Zoute rijdt en permanent om zich heen kijkt of hij wel gezien is, en nauwelijks twee dagen later weigert uit te leggen wat er in Afghanistan is gebeurd? No way. Dat laat ik niet zomaar voorbijgaan.”

Hard zijn, het is iets wat Hugo Camps zichzelf heeft moeten aanleren. “Mijn moeder heeft me opgetrokken uit cake. Ze heeft me gevoed met het allerlekkerste wat er ooit heeft bestaan: mokka gateau. Ze sloeg me dood met weemoed, maar tegelijk miste ik affectie.

“Op mijn negende werd ik naar het internaat gestuurd. Dat is heel bepalend geweest. Ik was niet het jongetje met de fluwelen jukbeenderen, in mijn chambrette kwamen de paters niet. Drie vierde van het jaar moest ik het zonder een enkele streling stellen. Terwijl ik de weemoed zelve was.

“Een keer maar heb ik een daad van verzet gepleegd. Mijn moeder was de onderwijzeres van het dorp. Als enige van de klas droeg ik geen klompen. Ik droeg wel een loden jas, die ik verafschuwde. Op een dag kwam er een zigeunerfamilie aan de deur bedelen. Daar was een jongen bij met een fluwelen veston. Ik heb toen mijn loden jas geruild tegen de veston van die zigeunerjongen. Mijn vader heeft me diezelfde avond nog bont en blauw geslagen met een geknoopte handdoek, maar de trots die ik heb bewaard aan die daad van verzet… begrijp je dat?”

De pleinvrees van De Wever

“In 1961 ben ik naar Leuven gegaan. Al gauw had ik een programma op Radio 2 Antwerpen, over kleinkunst. Ik draaide Jaap Fischer. Martine Bijl, Frans Halsema en Hugo Raspoet. Die wereld ben ik ontvlucht. Ik ben als verslaggever naar Praag vertrokken na de inval van de Sovjettroepen. In 1969 zat ik in Vietnam, in ’73 in Chili. Weg van het dorp, op naar wereld. Ik heb de angst opgezocht. Om de weemoed van me af te slaan.”

Wat met het Vlaanderen van vandaag? Volgens Camps beleven we “de totale abdicatie van politiek”. “De afgelopen twee jaren waren de jaren waarin de populisten met één kwinkslag het volk in beate bewondering kregen. Ze hebben dat niet gedaan met een beleid of een akkoord, maar met een kwinkslag op televisie. Dat is natuurlijk dramatisch. Ik heb wel eens gedacht dat het aan de Vlamingen ligt, maar ik heb tegelijk ook Nederland een gesticht zien worden.

“Let wel: ik hou ook van rechts. Een fatsoenlijke conservatieve partij: prima. Maar dat populisme? Ik weet heel zeker dat Fortuyn, als hij minister-president was geworden, zelfmoord had gepleegd. Dan had hij moeten nuanceren en compromissen sluiten. Dat is ook het probleem van De Wever: pleinvrees voor een consensus die ook iets van het grote gelijk afknabbelt. Macht uitoefenen en maagd willen blijven - dat ondoenlijke spagaat.

“Weet je wat me misschien nog wel meer tegenstaat? De retoriek van VOKA. Je hoort ze enkel over export, expansie en investeringen. Over het sociale geweten of de rijkdom van het multiculturele hoor je ze nooit. En ze doen het met een aplomb die weleens doet denken aan feodale tijden.

“Het antwoord van links? Het ontbreekt links compleet aan charismatisch leiderschap. Moet ik mijn linkse hart dan uitleveren aan Wouter Van Besien, die in zijn leven nog nooit een wit hemd heeft gedragen? Ik hou van de werkplunje. Heerlijk. Maar niet voor een politicus. Die mag wel eens een wit hemd dragen.

“Dé grote dwaasheid is dat iedereen nu roept dat de kloof tussen de burger en de politiek moet hersteld worden. Néé, denk ik dan. Néé, ze moet juist groter worden. Kijk, ik ben heel lang bevriend geweest met Karel Van Miert. We zijn samen naar Rome geweest, waar we op bevel van Carla Galle onze eerste jeans hebben gekocht. Samen met Van Miert heb ik nog met Willy Brandt geluncht. Ik bestierf het van bewondering. Nog indrukwekkender dan Willy Brandt was Enrico Berlinguer, leider van de communisten in Italië, in de tijd van Aldo Moro. Die man had charme, design, savoir-vivre. Wat hebben we hier nog, ter linkerzijde als mooie sirene? Ik bedoel: Mitterrand paradeerde tenminste nog met Dalida naar het Elysée.”

Tot slot, nog een woord over de collega’s columnisten. Want ook over hen valt zowel veel lelijks als veel moois te vertellen.

“De inflatie van het genre is natuurlijk eindeloos. Maar we hebben er ook goeie. Het meest houd ik van Marc Didden. Tom Naegels vind ik ook wel goed. Er zit vlees aan z’n stukken. Hij legt uit, en hij trapt niet in de val van de ironie. Al te veel co- lumnisten bedienen zich tegenwoordig van de ironie. Als je maar lekker ironisch bent, hoef je niets meer uit te leggen."

Dat een aantal van zijn collega’s zich wel eens vrolijk willen maken over hém, daar zit Camps naar eigen zeggen al lang niet meer mee.

“Iedereen mag over mij schrijven wat hij wil. Het woord is vrij. Ik wens geen energie meer te verspelen aan mijn reputatie, ten goede of ten kwade. Alle karikaturen die erover mij zijn gemaakt, allemaal even prima. Ik word morgen 68. Ik leef in blessuretijd. In blessuretijd heb ik mijn grootste geluk gekend. Ik heb mijn columns in De Morgen, ik heb mijn interviews. Ik heb naast Rik Van Looy en zijn vrouw Nini mogen zitten. Ik heb ze mogen aanraken. Kan een privilege nog groter zijn?”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234