Zaterdag 08/05/2021

Uit ons archief

Dario Fo: "Arme mensen hebben de grootste burgerzin"

null Beeld rv
Beeld rv

Dario Fo is vandaag op 90-jarige leeftijd overleden. In maart interviewden we hem nog naar aanleiding van zijn nakende verjaardagsfeest.

***

Italië maakt zich op voor een verjaardag waar de man zelf geen zin in heeft. Dario Fo, de legendarische auteur van Mistero Buffo, wordt 90. "Ik wil werken", zweert hij. "Veel, en altijd." Of hoe arbeid Fo's ultieme verweer blijft tegen wat hij de "absolute leegte van ons tijdperk" noemt.

Het regent al uren pijpenstelen in Milaan, en dat zal het voor de rest van de dag blijven doen. Honden-weer is het, maar in het appartement dat Dario Fo aan de Porta Romana betrekt en waarin woning, kantoor en schildersatelier organisch gemêleerd zijn, valt zo veel licht naar binnen dat het lijkt of de zon schijnt. De stad oogde donker nog, daarnet. Maar hoe hard het ook regent, vijf hoog ziet het landschap er zuiders uit. Vurig, bont, expliciet: zoals het oeuvre van de maestro.

Negentig wordt Fo vandaag. Veel Italiaanse cultuurhuizen en media zetten hem in de bloemen. Dario Fo, Nobelprijswinnaar Literatuur in 1997 en een van de vruchtbaarste auteurs, theatermakers en acteurs van de 20ste eeuw, werd wereldberoemd met zijn Mistero Buffo. Die monoloog uit 1969, een volkse satire op het leven van Jezus, wordt naar aanleiding van Fo's verjaardag weer opgevoerd in onder meer Genua en Milaan. In de jaren 70 sloeg het stuk ook bij ons in als een bom toen de Internationale Nieuwe Scène en de nog jonge Jan Decleir het in een Vlaamse versie brachten.

Een man van lang geleden, Fo? Neen, in eigen land blijft hij volle zalen lokken en kan hij nog drie uur door. Zingend, lachend, grollend en vertellend. Thuis, in de Milanese optrek, gonst het als een bijenkorf. Zijn persoonlijke assistenten zijn onophoudelijk in de weer met het digitaliseren van Fo's archief. Fo zelf blijft schrijven, schilderen, praten. Er hangt ongeduld in de lucht, haast om voort te maken, er is nog zoveel te zeggen, zoveel te regelen.

Maar dan neemt de maestro niettemin de tijd. Zo wars als hij van religie is, zo behept blijkt hij met het sacrale, en dat vraagt, al is het maar een minuut, stilstand. "Zie je", fluistert hij terwijl hij een vers schilderij monstert, "ik heb voor engelen gekozen, voor mensen die door het luchtruim vliegen, hun vleugels uitslaan en hun dromen achterna gaan.

"Ik ben voor een chagalliaans thema gegaan, met chagalliaanse kleuren. Ik hou van Chagall."

Op een dressoir links van de schildersezel prijkt, sober maar aanwezig, de oorkonde die hij bijna 20 jaar geleden in Stockholm in ontvangst nam. Er staan vazen met bloemen, er hangen portretten van zijn in 2013 overleden vrouw en muze, theatermaakster Franca Rame, wier dieprode engagement hij deelt. Aan de wand heeft Fo Afrikaanse maskers aangebracht, een hele reeks, een bühne-attribuut bij uitstek. Plaats om te zitten heeft de auteur amper: waar geen kaders staan, daar liggen boeken.

Ik krijg een feilloze ristretto geserveerd, maar in Fo's hervatte vaart zie ik de kans niet om hem op te slurpen. "Kom. We gaan naar een andere kamer." En ook daar: "Ik ben druk. Ik ben bezig met een boek over Darwin en later deze maand komt Dario e Dio(Dario en God) uit, een werk dat ik samen met journaliste Giuseppina Manin heb geschreven."

Fo neemt plaats aan een robuust bureau. Op het werkblad ligt een vel tekenpapier, in gitzwarte inkt staan er dikke, krampachtige letters op neergekrabbeld. Stilte, hier groeit Darwin. Achter hem hangt een blits seventiesportret van Franca.

"Ik heb lak aan verjaardagsgedoe", zucht hij. "Ik wil werken. Veel, en altijd. Dat ik negentig word? Ach wat! Een klein samenzijn met nabije familie en mijn medewerkers, meer wordt het niet. Basta, want voor je het weet krijg je wat ze in het Italiaans een gran casino noemen."

Hij lacht er niet mee, Dario Fo. Darwin gaat voor, daar wil hij zijn punt over maken. "Ik wil van de gemeenplaatsen weg, de banaliteiten overstijgen, hem in de contradicties van de 19de eeuw situeren, korte metten maken met de onwaarheden die over hem de ronde doen."

U doelt op de religieuze weerstand tegen de evolutietheorie?
Dario Fo: (Fel) "Het wordt de islam aangewreven, maar laten we er geen doekjes om winden: de christelijke kerken waren er als de kippen bij, hè! Ze doen graag alsof ze de acceptatie van Darwin plots voor de hand liggend vinden, terwijl ze hem jarenlang bestookt hebben. Wat zeg ik? Eeuwenlang heeft de kerk de idee verworpen dat het scheppingsverhaal een allegorie is, en volgehouden dat God de Vader Adam en Eva de levensadem heeft ingeblazen. Een mooie fabel is het, die hele schepping."

"Maar hoe aantrekkelijk ze ook klinken, verhalen kunnen misbruikt worden. Tegen dát misbruik is het dat Darwin zo is ingegaan. Ik wil het over de menselijkheid van Darwin hebben, de heldere schoonheid waarmee hij zijn theorie verwoordt, zijn eerbied voor de natuur, voor de gevoeligheid van die natuur ook."

Dario Fo in 1969, tussen de theatermaskers. Beeld © Giuseppe Pino
Dario Fo in 1969, tussen de theatermaskers.Beeld © Giuseppe Pino

De jonge Darwin was, als ik me goed herinner, overigens best wel religieus.
"Hij zit in de Anglicaanse traditie ingebed, ja. Aanvankelijk wilde hij dokter worden, maar hij kon niet tegen de aanblik van bloed, net zomin als hij tegen geweld kon. Darwin bestuderen, betekent binnenstappen in een maatschappij met gigantische verschillen, waarin Engeland de wereldheerschappij op zich neemt, de Chinezen met opium opzadelt en hun hele samenleving vernielt. Roof en diefstal hebben Engeland groot gemaakt, maar pal in die context hoor je dan toch de verfrissende stem die Darwin is. Hij staat op tegen het racisme, tegen de slavernij ook, nog zo'n handelsvorm waarop het imperium groot geworden is."

"Als Darwin dus aan het onderzoeken slaat, dan doet hij dat vanuit een ethisch appel: vanuit de gedachte dat alle mensen, wat hun huidskleur ook is, gelijk zijn, de gedachte ook dat het uit moet zijn met de slavernij. Niet alleen wij, mensen, zijn gelijk, zegt Darwin, we zijn bovendien gelijk aan de bomen, de bloemen, het gras, de vissen, de vogels en de wormen. We laven ons aan een en dezelfde bron: de natuur. We zijn van hetzelfde punt vertrokken - die hersen- en voetloze wormen evengoed als jij en ik. En dan kun je zeggen dat de mens naar de top is doorgestoten, maar dat geldt evengoed voor het paard, de hond en de kat. Ze zijn dichte verwanten, maar we honoreren hun verwantschap niet."

Probeerde Darwin ook niet te reageren op de industriële revolutie, en op zijn angst voor wat er met de natuur zou gebeuren?
"Hij leefde in een tijd waarin de mensen naar de stad trokken om er in de fabrieken en mijnen te gaan werken. De hele samenleving werd ontwricht, met vaders die aan de drank raakten en dochters die zich gingen prostitueren. In de 18de eeuw al braken opstanden uit waarbij de arbeiders de machines kapotsloegen, want die machines maakten hen, de mensen, overbodig. Productieoverschotten enerzijds, arbeidsoverschotten anderzijds. De machine heeft zich op slinkse wijze bekwaamd in het vervangen van de mens. Maar o wee als je dat zegt, de machine het zwijgen oplegt, een zandkorrel in het raderwerk gooit. Ho maar, dan moet je hangen!"

U wordt negentig, u gaat al bijna een eeuw mee. Hoe kijkt u, in het licht van uw politieke standpunten en menselijke ervaring, naar ons tijdvak?
"Ik vind het dramatisch negatief geladen. De sociale betrokkenheid is weg, individuele list en sluwheid zijn in de plaats gekomen, zeker bij de politieke klasse. Mensen hebben geen zin meer om nog langer naar machthebbers te luisteren, naar zij die de sleutels van de stad in handen hebben. De politici vrijwaren vooral de belangen van de banken, de belangen van een fiscus ook die het geld alleen nog bij de werkende klasse weet te halen - burgers die zich elke dag weer afbeulen, maar toch arm blijven omdat niet alleen hun arbeid maar ook hun inkomsten worden afgepakt."

"Het is schandelijk hoe onze bestuurders, die de crisis mee hebben veroorzaakt, de banken in staat stellen zomaar beslag te leggen op je huis. Zes keer niet tijdig afbetalen, hier in Italië, en je huis is het jouwe niet meer, ook al heb je de helft betaald. Wel, dat is diefstal, meer nog, georganiseerde roof."

Is het niet altijd al zo gegaan, de macht versus het volk?
"Ja, maar in de middeleeuwen viel het volk de banken tenminste nog aan! Denk aan de Rivolta dei Ciompi (de revolte van de wolkammers, LD) in het 14de-eeuwse Firenze. Die hele eeuw lang is het volk, met name de textielarbeiders, tegen zijn heren in opstand gekomen. Korte tijd zijn ze er zowaar in geslaagd een van de meest democratische besturen op te zetten die het middeleeuwse Italië ooit heeft gekend. Geloof me vrij, de armste mensen leven veel bewuster en bezitten de grootste burgerzin. De rest verdedigt zijn eigen belang."

En die rest zijn, euh, wijzelf?
"Diegenen alleszins die er onverschillig bij lopen en er hooguit op uit zijn hun eigen hachje te redden. Dat doen ze door gewiekst te handelen. Wie eerlijk is, verliest. Als je vraagt wat ik bij dit tijdvak voel? (stilte, diepe zucht) Leegte, absolute leegte. Dertig jaar geleden waren de mensen nog enthousiast, participatief, beschikbaar ook. Mensen waren geïnteresseerd, ze wilden weten hoe de dingen in elkaar staken, ze probeerden zich te informeren. Die betrokkenheid zijn we onderweg kwijtgeraakt."

Daarom vindt u, Nobelprijswinnaar Literatuur, dat de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar naar de inwoners van Lampedusa en de Griekse eilanden moet gaan?
"Ja, zo'n Nobelprijs zou niet alleen een symbolische geste zijn, maar een reële erkenning voor datgene wat die inwoners van het Middellandse-Zeegebied elke dag weer doen om mensen die verschillend zijn van henzelf, te helpen overleven. Ze komen uit een andere cultuur, ja, maar ze zijn er niet minder mens om. De burgers van Lampedusa en Lesbos hebben heel Europa laten zien dat het echt wel kan, solidair zijn met vluchtelingen en tolerant zijn voor migranten. Dat je die mensen in jouw leven kunt toelaten zonder dat jouw leven overhoop wordt gehaald, iets waar we zo te zien heel bang voor zijn."

U bent ongelovig en antiklerikaal, maar in de opnieuw bewerkte versie van uw monoloog Lu Santo Jullàre Franzesco, een humoristische monoloog over het leven van Franciscus van Assisi, heeft u best wel aardige woorden veil voor paus Franciscus.
"Niet één paus voor deze heeft de moed opgebracht zich naar Franciscus te laten noemen. Bergoglio heeft zich niet beperkt tot die naamkeuze, hij heeft zichzelf de gelofte van armoede en soberheid opgelegd die daaraan is verbonden. Dat siert hem."

Lu Santo Jullàre Franzesco is geschreven in een mix van Umbrische, Toscaanse en Napolitaanse dialecten, met middeleeuwse toetsen...
(laat de interviewer niet uitspreken) "Maar u heeft het begrepen, toch? Het gaat om linguïstische vormen die ik met veel aandacht bestudeerd heb. Het is een taal die ik als kind geleerd heb, maar waarop ik heb doorgewerkt. Die hele structuur, de onomatopeeën, de gebarentaal, de relatie tussen stem en lichaamstaal, de pantomime, het zijn stuk voor stuk dingen waaraan ik grote waarde hecht."

"En wat ik vooral geleerd heb: het gaat hier om de typische uitdrukkingswijze van het volk, il popolo. Het spijt me voor de erudieten, maar zo'n mooie taal hanteren zij niet. Waar denk je dat dichters hun dithyramben vandaan hebben? Van de volkswijsjes! Niet per se de liefdesmuziek, veeleer het werkmanslied. Waar ook ter wereld, van oost tot west, vind je duizenden liederen terug die met arbeid te maken hebben."

De oudste gezangen, zegt Fo, komen uit de maritieme cultuur. Ze hebben hun oorsprong in het ritmische roeien. De auteur wijdt uit: afhankelijk van het soort golfslag veranderde de ritmiek. De roeiliederen sproten voort uit de noodzaak om een collectieve doelstelling te bereiken, samen op het exacte moment te ademen, samen in een vloeiend gebaar te handelen, het harde labeur gelijkmatig te verdelen onder alle leden van de groep. En dan begint Dario Fo plots te zingen, oude Italiaanse roeiersliederen waar hij zichtbaar van geniet. Ze galmen door de kamer - en bijna over de daken van Milaan. "Taraaaaa! Taraa! Taraaaaa!"

"Heb je die laatste lettergreep gehoord? Heb je gehoord waar ik de pauze leg? Waar ik druk zet? Al die vormen, die waaier aan ritmische rijkdom, dat is de volkstaal." (lacht)

In ons land interpreteert acteur Jenne Decleir Lu Santo Jullàre (Franciscus, jongleur van Assisi). Hoe vindt u dat het klinkt, uw werk in het fiammingo?
"Ik heb stukken van zijn interpretatie gezien want Jenne heeft ze hier, bij ons, gereciteerd. Ik vind het bellissimo, dat Vlaams is een taal waarvan de melodische vormen erg rijk klinken. Pas op, het is hard werken hoor, dat stuk. Want je moet je hoeden voor behaagzucht, je moet sober en standvastig blijven, zodat de magie van het dialect tot uiting komt. Heel vaak wordt het ritme buitengewoon mooi, fantastisch, geladen met emotie. Uit minimale middelen een maximaal resultaat halen, en ja, dat is Jenne goed gelukt."

Jenne Decleir reist momenteel Vlaanderen rond met Dario Fo's theaterstuk Franciscus, jongleur van Assisi. Beeld RUDI SCHUEREWEGHE
Jenne Decleir reist momenteel Vlaanderen rond met Dario Fo's theaterstuk Franciscus, jongleur van Assisi.Beeld RUDI SCHUEREWEGHE

U hebt niet alleen de tekst geschreven, u hebt ook het decor bij de diverse taferelen geschilderd. Wat voelt u zich het meest, schilder of dichter?
"Ik ben geboren als schilder. Het eerste wat ik als kind al wilde doen toen ik 's morgens opstond, was met kleuren spelen, schilderen dus. De natuur, de dieren, de mensen. Daarna ben ik naar de Accademia di Brera gegaan, hier in Milaan, nog altijd een van de meest prestigieuze opleidingen ter wereld. Ik heb er acht jaar doorgebracht, daarna wilde ik architect worden en schreef ik me in aan de polytechnische school, en toen (hapt naar adem)... Tja, toen heb ik plots alles laten vallen per fare l'attore, om acteur te worden."

"Weet je, de kunstmarkt werkt vernederend. Zoals een leraar van me ooit zei: 'Vandaag hoef je als schilder geen talent te hebben; om te overleven moet je in de eerste plaats een goed verkoper zijn.' Wel, bij het acteurschap is dat niet zo. Als acteur kun je er alleen maar met je woorden staan, enkel je mimiek verkopen, niets anders doen dan communiceren."

Maar u hebt het schilderen nooit gelaten, toch?
"Nooit. De schilderkunst is de linguïstische grondslag van mijn werk als theatermaker, ze is de synthese waaruit ik mijn verhalen puur - mijn vertrekpunt. Tienduizenden schilderijen heb ik gemaakt, hele grote ook, immense fresco's (maakt weidse gebaren met de armen)."

Waar blijft u uw aanstekelijke energie vandaan halen? Van Franca, nog steeds?
"Franca's dood is een verschrikkelijk verlies voor mij geweest. Ik droom de hele tijd van haar, ook vannacht heb ik van haar gedroomd. We zijn samen geboren, hebben samen geleefd, hebben samen onze wijze van theater maken uitgevonden. We hebben de oude toneelvormen doorbroken. We hebben de mensen zin doen krijgen in onze verhalen, zozeer zelfs dat ze naar ons toekwamen. 'Dát verhaal, Franca en Dario, dát verhaal, over mensen die van ladders vallen of mensen die levend verbrand worden of noem maar op, dát verhaal willen we van jullie horen', zeiden ze. 'Vertel, Franca! Vertel, Dario!' Zij en ik en onze verhalen. We zijn één. Hoe zouden we elkaar ooit loslaten!"

Met dank aan Caroline van Gastel.

THEATER
FRANCISCUS, JONGLEUR VAN ASSISI van Dario Fo, door Jenne Decleir, de hele lente nog op tournee in Vlaanderen, omnibusvzw.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234