Maandag 24/02/2020

Dansen op het gruis van de Iron Lady

Dertig jaar na de sluiting van de mijnen door Margaret Thatcher is South Yorkshire nog altijd woedend over de ellende waarin ze de regio duwde. 'Alles waar onze grootvaders en vaders voor vochten en stierven, heeft zij vernield.'

Weet je wat we zullen doen op de dag van haar begrafenis, volgende woensdag? Dan houden wij een straatfeest. Mét barbecue en muziek. We're celebrating her f***ing death!" Wanneer voormalig mijnwerker Tommy Guest (54) de laatste zin uitschreeuwt op de drempel van de Working Men's Club in Barnsley vallen zijn vroegere collega's hem instemmend bij. "That f***ing baroness bastard!'", klinkt het in koor. "She f***ed us all up." "We werden niet uitgenodigd op haar begrafenis, en dat is maar goed ook", vervolgt Guest. "We zouden de f***ing kathedraal voor haar in brand steken, want in de hel kan ze helaas niet meer het vuur in omdat er door haar schuld zelfs daar geen steenkool meer is!"

De verwensingen weergalmen tussen de grijsgrauwe arbeidershuisjes van Haddon Road, gebouwd voor kompels zoals Guest, die als jongeman enkele jaren werkte in de North Gawber Colliery, waar hij een van zijn vingers verloor tijdens het harde labeur honderden meters onder de grond. Samen met duizenden collega's staakte hij van maart 1984 tot maart 1985, onder leiding van de beruchte vakbondsleider Arthur Scargill, een jaar lang tegen toenmalig premier Margaret Thatchers voornemen om de staatsmijnen van de National Coal Board te sluiten of te privatiseren. "De staking was keihard. We kregen één pond per dag en een emmer kolen om ons huisje met mi lass an' mi ben (mijn vrouw en kind) te verwarmen. We hadden geen keus. De mijnen waren ons leven. Toch criminaliseerde ze ons protest. Ze ontnam ons alles. Ze vermoordde onze gemeenschappen. Tot vandaag zijn er hier geen ernstige jobs."

Het Ritz

Voor het Thatchertijdperk waren working men's clubs (WMC) het kloppende hart van de arbeiderswijken. Na de shift in de schacht kwamen de mijnwerkers er samen om verhalen uit te wisselen, een glas te drinken of te biljarten. Vandaag zijn het vergeetputten. Heroïsche verhalen over een rijk industrieel verleden, vliegwiel voor de vroegere macht van het British Empire, worden er weggedronken tot stemmen verstommen en aanwezigen stilletjes wegkwijnen in tristesse.

De holle ogen van James Duffy (70) spreken boekdelen. In de New Lodge WMC, in Royston, staart hij wezenloos voor zich uit. Pas wanneer hij hoort praten over de dood van de Iron Lady flakkert zijn blik op. "Lang geleden dat ik nog zo blij was. Kon ik nog, ik vierde de hele nacht", zegt hij. "Thatcher vernielde mijn leven. Altijd was ik mijnwerker geweest. Spaarde als jonge veertiger met mijn vrouw voor een huis toen ze de mijnen saneerde. Toen onze mijn in Bullcliffe Wood dichtging, was er enkel nog freelancewerk in enkele geprivatiseerde mijnen. De werkomstandigheden waren veel slechter. Regelmatig was ik tijdelijk werkloos. Was er werk, dan moest ik ver van huis aan de slag. De opzichters waren kleine Hitlers. Ik verdiende minder. Uiteindelijk konden we toch geen huis kopen. We eindigden in een schamele sociale woning. Ik was 48. Mijn vrouw verliet me met de kinderen."

Een tafel verder leest Ken Basford (74) ondertussen hardop het gedicht voor dat hij wil insturen naar een Londense krant. "Isn't it nice to be rich? And pass away in the Ritz? Oh, we poor ol' miners. Lots of us died in the pits." Daarmee vertolkt hij de bittere woede bij het nieuws van de dag. "Thatcher stierf in een suite van het Ritzhotel", zegt hij. "Volgens de Daily Mirror zal haar begrafenis 8 tot 10 miljoen pond kosten, terwijl er vanuit Londen bespaard wordt op onze pensioenen, de gezondheidszorg en onze uitkeringen."

Basford is een ex-werknemer van de nabijgelegen cokesfabriek. De stoom uit de hoogoven stuwt nog steeds om de zoveel uur een walm van stinkende zwavel over Royston. "Mijn fabriek werkt nog, maar hoe? De hoogoven bewerkt nu steenkool die geïmporteerd wordt uit Australië en uit Polen. Is dat niet te gek voor woorden?"

Een toekomst voor mijndorp Royston ziet Basford niet meer. "Niemand wil sterven," zegt hij, "maar ik ben blij dat ik aan de uitgang sta en nu niet in deze buurt op de wereld moet komen."

Strijdlustiger gaat het er toe in de Alexandra's Workman's Club, enkele sociale woonwijken van de uitgestrekte mijngemeente verder. Ondanks de zichtbare armoede - de enige kmo's zijn derdehandswinkels of 'fish & chips'-frituren uit de seventies - zijn veel gewezen kompels er goedgeluimd om Thatchers dood. "Jammer dat het IRA haar in 1984 miste bij hun aanslag in Brighton", schaterlacht Barry Cooper (62), een boom van een kerel met twee tatoeages op zijn gespierde voorarmen.

Voor de deur parkeren zijn vrienden hun elektrische rolstoelwagentjes - veel ex-mijnwerkers kropen in hun ondergrondse jaren de knieën stuk. Ex-kompel James Bright (84) wijst naar een tafelpoot. Zo hoog was de gang waarin hij zich in 1944 als veertienjarige voor het eerst door wurmde met schop, houweel en mijnlamp. Later gebruikte hij drilboren. Ze sneden de bloedcirculatie af in zijn handen. Sindsdien heeft hij een ziekte genoemd naar de symptomen: witte vingers, maar zijn hart blijft bloedrood, zijn gedachten zwart.

Bonden breken

Thatchers dood brengt hier alle sombere herinneringen naar boven aan de grote mijnstaking van 1984-1985. Cooper doorprikt meteen het imago dat het een solidair feestje was. "De werkwilligen van Nottingham doorbraken het nationale vakbondsfront. Telkens als Barnsley FC tegen Nottingham Forest speelt, zingen we daarom vandaag nog 'Scabs, scabs, scabs!' Dat is de bijnaam die we gaven aan die verraders. Thatcher heeft ons uit elkaar gespeeld, en dat was uiteindelijk ook haar bedoeling. De sluiting van de mijnen was volgens ons ondergeschikt aan haar politieke doel: de macht breken van de vakbonden. Op alle mogelijke manieren probeerden ze ons te saboteren. Ze, dat was zij en haar politie. Het was een politieke politie in die tijd, die ons in elkaar sloeg en wegblokkades opwierp om onze bewegingsvrijheid te beperken. Evil bastards, they were."

Zo gehaat Thatcher en de politie waren, zo weinig liefde blijft er ook over voor hun eigen vakbondsleider, Arthur Scargill. Volgens Cooper gaf hij in volle Koude Oorlog aan de premier immers het gedroomde excuus om de vakbeweging te bestrijden. "Scargill probeerde tijdens de staking geld te krijgen van de USSR (wat door diplomatieke druk van Thatcher bij Gorbatsjov mislukte, MR)." Uiteindelijk viel Scargill enkele jaren geleden zelfs bij zijn eigen vakbond uit de gratie, omdat hij met vakbondsgeld een peperduur appartement in het Londense Barbican had gehuurd.

Door Scargills ontsporing telt de National Union of Mineworkers (NUM) vandaag nog maar een duizendtal leden. Op zijn hoogtepunt had de vakbond er nationaal nog 220.000. De NUM probeert nu terug te keren naar zijn wortels, door in het hoofdkwartier in Barnsley - een statig victoriaans herenhuis uit 1875 en 1912 - de geschiedenis van de mijngemeenschappen in de streek te reconstrueren.

De negentiende-eeuwse vergaderzaal is nu een bibliotheek waar mensen informatie komen zoeken over familieleden die er werkten, of omkwamen bij rampen - zoals de explosie van 6 december 1875 die in de Swaithe Colliery 143 doden eiste. Geschilderde paradebanieren vertellen de geschiedenis van elke put. De vlag met Scargills portret hangt er nog, maar in een verdomhoekje. Op één exemplaar staat Thatcher geschilderd, met een enorme neusring. 'A private war: smash the NUM' is het motto dat ze haar toebedelen.

Hoe Thatcher daarin slaagde, vertelt een poster met emblemen van mijnen die haar Tory's sloten tussen 1985 en 1994. Het zijn er 202. In 1980 waren er in Groot-Brittannië 232.000 mijnwerkers, in 1984 nog 180.000 en vandaag nog 2.000. Voor elke mijnwerker werkten er gemiddeld drie mensen in de ondersteunende industrie.

Patriotten

"Wat ik misschien nog het hatelijkst vond aan Thatcher was dat ze ons tijdens de staking the enemy within noemde, terwijl er geen patriottischer Engelsen zijn dan onze kompels", zegt NUM Yorkshire-afgevaardigde Chris Skidmore. "De kompels van Durham legden in 1941 geld samen om twee Spitfires te kopen voor de RAF. Duizenden vochten in de Britse oorlogen, zelfs in Thatchers Falklandoorlog."

Skidmore is zelf ex-mijnwerker en troont ons mee naar het vervallen mijnliftgebouw van Barnsley, de plek waar hij in 1976 voor het eerst 900 meter naar beneden ging, om er geconfronteerd te worden met een spinnenweb van tunnels, waarin transportbanden de steenkool kilometers ver transporteerden.

"De mijnschachten zijn hier met elkaar verbonden", zegt hij. "Eind jaren zeventig werden hier nog miljoenen ponden geïnvesteerd om alles te moderniseren. Nabij dit mijnterrein lag een gloednieuwe fabriek waarin de steenkool ontdaan werd van zwavel en andere schadelijke stoffen voor het milieu. We lagen met onze technieken aan de basis van de huidige schonekolentechnologie en de CO2-opslag, die klimaatvriendelijk emissies beperken, waarmee de Australische steenkoolindustrie nu een wereldwijde speler is. We hebben Thatcher destijds op dat potentieel gewezen, maar ze was er niet in geïnteresseerd. Haar enige motivatie was het terugschroeven van onze verworvenheden. Alle sociale rechten waar onze grootvaders en vaders voor vochten, en ook stierven, heeft ze vernield. Een voorbeeld: mijn grootvader vocht keihard zodat zijn zoon in de mijn kon werken in shiften van acht uur en vrij kreeg op zondag. Vandaag wordt in Groot-Brittannië weer vaak twaalf uur per dag gewerkt, op zondag en met steeds minder rechten."

Later toont hij ons de enige werkgelegenheid die er hier onlangs bij kwam: een B&Q-distributiedepot, een McDonalds en een callcenter. "Ze betalen er de jongeren hongerlonen en er is geen vakbond actief."

Behalve wat ramenmakers, autohandelaars en een kleine dienstensector kwam er sinds de sluiting van de mijnen in Barnsley geen vervangingsindustrie. Integendeel. De ooit bloeiende glasindustrie verdween ook. De oude mijnsites zijn vandaag natuurreservaten geworden of verkommeren als maanlandschappen van met onkruid overwoekerd beton. Er staan nog aanplakborden uit de jaren tachtig: 'uitstekend industriegebied te huur'. Geen bedrijfsleider zette er een voet aan de grond. Enkel een klein 'businesspark', een gebouw voor startende kmo's, werd er neergepoot. Het staat ondertussen alweer leeg.

De Market Street in het hart van Barnsley is in verval. De enige winkels waar waren vlot over de toonbank gaan, zijn de concurrerende 'One Pound'-shop en '99Pence'-shop, waar je voor die bedragen één product kunt kopen. Een ambachtelijke kruidenierszaak vol verse groenten en specerijen, de omgeving waarin middenstandsdochter Thatcher opgroeide, is hier in geen velden of wegen te bekennen.

"Jongeren zoeken hun geluk elders als ze kunnen, in steden zoals Manchester, Leeds en Sheffield", zegt de voorbijwandelende universiteitsstudent en mijnwerkerszoon Joe Slater (18), die milieuwetenschappen studeert in Portsmouth. "Mijn vrienden zoeken sinds hun middelbaar diploma al drie jaar werk. Er is gewoon niets."

Van de jongeren die blijven, raken sommigen al op jonge leeftijd aan lagerwal. Midden in de namiddag bezetten enkele alcohol- en drugsverslaafden een bankje nabij het gemeentehuis. Ze zijn nauwelijks achttien.

"Ik durf te zeggen dat daar voor het Thatchertijdperk geen sprake van geweest zou zijn", zegt Inky Thomson (72) op de voormalige mijnsite in Goldthorpe, op een boogscheut van Barnsley. "In mijngemeenschappen was de sociale controle erg groot. Kijk naar mijn voornaam, eigenlijk mijn bijnaam. Op de lagere school gooide ik mijn tas, waarna mijn inkt over mijn boeken uitliep. Meteen stond ik bij de directeur. De volgende dag wist iederéén wat ik gedaan had. Inky werd mijn naam. Ook toen ik van 1962 tot 1985 in de mijn werkte, wisten we alles van elkaar, want ondergronds moest je elkaar blindelings kunnen vertrouwen. Alleen al om veiligheidsredenen verhinderde je dat je maat te veel zou drinken. Onze kinderen groeiden op met een beeld waarbij de politie hun vaders oppakte of verwondde. Het respect voor het gezag verdween toen. Onze kleinkinderen verlaten op zestien de school, maar er is geen werk, en ze kunnen twee jaar lang geen uitkering claimen. Wie geen hulp krijgt van thuis eindigt dus op straat."

Brass band

Als dieprood district hoopte South Yorkshire onder de Labourpremiers Blair (1997-2007) en Brown (2007-2010) uit het dal te klimmen. Er kwamen enkele prestigeprojecten van lokale MP's, maar daar bleef het bij. "Er werd geïnvesteerd in lokaal onderwijs, gezondheidszorg, transport en vastgoedprojecten voor pendelaars. Daar hield het bij op. Jobs kwamen er niet." EU-fondsen voor de regio werden volgens Inky onder de Tory's afgeleid naar zuidelijk Engeland. "Daar bouwden ze er parkings mee voor hun chique wagens." Zelf is hij pro-Europees, maar Inky vreest bij de komende verkiezingen hier een grote overwinning van het nationalistische UKIP, dat alle frustraties kanaliseert. "Hier leeft het gevoel dat het parlement niet meer representatief is voor de bevolking van dit land", zegt Inky. "Dat is gevaarlijk, want de frustratie zit echt zo diep dat ik op een dag buitenparlementaire oppositie en gewelddadige protesten niet uitsluit."

Dertig kilometer verder, in de mijngemeenschap van Maltby nabij Sheffield, denkt een deel van de jongere generatie er net zo over. "Als Schotland volgend jaar onafhankelijk zou worden, dan hoop ik dat South Yorkshire zijn eigen autonomie eist", zegt onderwijzeres Sarah-Jane Galtry (43). "Zelf ga ik het liefst bij Schotland. We hebben zo veel meer met ze gemeen dan met Londen. We horen het 'Verenigd' Koninkrijk te zijn, maar er is geen rechtvaardige verdeling. Ik zeg dat omdat ik elke dag naar gezichten kijk van kinderen in mijn klas die ongelukkig zijn door armoede thuis of die zelfs honger hebben. Ik denk dat de dood en luxebegrafenis van Thatcher de verhoudingen tussen zuid en noord weer scherp zal stellen."

Sarah-Jane speelt tuba in de Maltby Miners Welfare Band, een van de vele brassbands in deze regio. Hij werd een eeuw geleden opgericht voor en door mijnwerkers. Ze namen ermee deel aan parades en wedstrijden. Eind jaren negentig vormden de koperblazers nog de inspiratie voor de bekroonde film Brassed Off, met Pete Postlethwaithe. In hun balzaal in Maltby is de tijd stil blijven staan in de jaren vijftig. Aan de muur hangen posters van Elvis en John Wayne. De band speelt een treurig 'Mona Lisa' van Nat King Cole.

De sfeer is bedrukt. De mijn van Maltby, een van de laatste in het land, werd vorige maand gesloten. Meer dan vijfhonderd mensen staan op straat. "Vorige zaterdag hebben we op het kerkhof van Maltby het laatste stuk steenkool van onze mijn begraven", zegt penningmeester Margaret Brown. "We speelden ons requiem nabij het graf van de onbekende mijnwerker." De symboliek ontgaat de band niet. Twee dagen later gaf Thatcher ook de geest. "Op de dag van haar begrafenis spelen we niet", zegt Margaret beslist. "Zij verdient geen muziek."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234