Dinsdag 22/10/2019

Dankzij de loodgieterij

België deed er lang over om Vlamingen en Franstaligen op gelijke voet te laten samenleven. Wat rest na veertig jaar loodgieterij is wat gemor in de rand, van kaakslagflaminganten en francofonen met nostalgie naar het Franse staatsnationalisme. Uitgerekend zij vinden in Europa nog wel eens een gewillig oor.

Filip Rogiers

Foto

Stephan Vanfleteren

Napoleon Bonaparte, die wilde wel eens weten hoe het in zijn rijk gesteld was met het taalgebruik van zijn onderdanen. Hij nam vader en zoon Charles en Eugène Coquebert de Montbret onder de arm. Charles was directeur van het Bureau de la Statistique. Zij brachten het lappendeken van dialecten binnen het Franse rijk in kaart, tussen 1801 en 1806. Daarmee tekenden ze ongewild de eerste taalgrenskaart van wat België zou worden. De keizer hoopte met die kaarten een overzichtelijk en doeltreffend plan de campagne te kunnen opstellen om na te gaan waar de Franse taal een duwtje nodig had, om er de plaatselijke dialecten onder te krijgen. Vanuit een salon in Parijs of Brussel is dat gemakkelijk gezegd natuurlijk. Eugène evenwel waarschuwde zijn broodheer zeer voorzichtig voor de realiteit der dingen. "Het einde van de dialecten of patois is minder nabij dan men geneigd is om te denken. Men kan maar beter rekenen op de gang der tijd, de vooruitgang van het lager onderwijs en het trage maar zekere proces van de imitatie. Het is tevergeefs om te hopen dat men die revolutie zou kunnen versnellen met administratieve maatregelen, en nog minder met dwang."

Veel tijd restte Napoleon toen al niet meer, Waterloo wachtte. Toen kwam Willem van Oranje. Die had gelijkaardige plannen, maar dan in de omgekeerde richting. Hij wilde de Zuid-Nederlandse contreien vernederlandsen door middel van lagere scholen. Maar ook hem was slechts weinig tijd gegund. Vijftien jaar (1815-1830) is een zucht in vergelijking met de duur die processen van integratie en assimilatie behoeven.

Dat ingewikkelde land viel in 1830 in de schoot van een volkje dat zich voortaan Belgisch mocht noemen. Er was grond, er was werk, en Napoleon had een arsenaal aan regels en structuren nagelaten waarmee de toenmalige bestuurders aan de slag konden. Nodeloos te zeggen dat in die erfenis veel ongelijkheid ingebakken zat. In de letter van de wet, a fortiori in de geesten van die tijd. Minderheden bestonden niet, en indien wel, dan beseften ze zelf veelal niet dat ze een minderheid waren. Het is pas toen de meest taal- en cultuurbewuste Belgen zich vragen begonnen te stellen, en daarmee het fundament van de Vlaamse beweging legden, dat de inadequaatheid van het Belgische wettenarsenaal zichtbaar werd. Er lag van meet af aan een bom onder België. Een eeuw lang werd er in vele etappes aan gesleuteld. Er kwamen taalwetten, opstapjes naar gelijkberechtiging. Maar - noem het de wet van Coquebert de Montbret - de wet is nog niet de werkelijkheid. Ook niet in 1932, toen de wet op het taalgebruik in bestuurszaken al de contouren van een België liet zien dat naar een tweeledige ofte federale staat zou evolueren. Dat drong maar heel traag door in de geesten. De Vlamingen van Avelgem tot Zwijnaarde moesten nog via campagnes voor het ABN worden overtuigd van hun eigen taalwaarde. En de vele Franstalige Vlamingen van Ypres tot Gand zagen, niet anders dan de Franstaligen van Luik of Charleroi, al helemaal geen probleem.

Dat onevenwicht straalde ook af op de tienjaarlijkse talentellingen. Nederlands of Frans was in de praktijk eigenlijk geen keuze. In de cijfers zaten dan ook bijzonder veel 'verfranste Vlamingen'. Omdat die cijfers tot na de Tweede Wereldoorlog mee uitmaakten onder welk taalregime deze of gene gemeente viel, maakte dat het land bijzonder labiel. Vooral op en rond de taalgrens zorgde dat voor een permanente vorm van bestuurlijke chaos. Scholen gingen open en weer dicht, personeel werd overgeplaatst. In 1954 bijvoorbeeld verloor Moeskroen zijn Nederlandstalige onderwijs, kreeg Ronse een dubbel schoolnet, werd in Kraainem, Wemmel, Linkebeek en Drogenbos een tweetalige administratie uitgebouwd en kreeg ook Voeren een tweetalig statuut. In de jaren 1961 en 1962 wisselde het regime in de gemeenten van de Voerstreek tot acht keer toe. Het was Babel voor en na. België leek institutioneel een mobiele werkplaats. 'On joue au vogelpik', zo vatte een perfect tweetalige volksvertegenwoordiger het in die jaren samen.

"'Wie kent hier in dit land eigenlijk de taalwetgeving?', vroeg ik ooit eens aan Jan Verroken. 'Behalve gij en ik, niemand', zei hij. Wij stoeften daar graag mee." Dat vertelde de vorige week overleden Raf Renard, adjunct-kabinetschef van Arthur Gilson (CVP/PSC), de minister van Binnenlandse Zaken in de regering van Theo Lefèvre (CVP/PSC) die in 1962 de taalgrens vastlegde.

De taalgrens was eeuwenlang geen streep maar een morsige strook, grillig als een kustlijn. Ze ging op en af. De branding was in al die tijd evenwel nooit veel breder dan enige kilometers. Lang voordat er van België sprake was, koutten Germanen en Latijnen er op die strook van oost naar west hun patois, een mengelmoes van wat we vandaag voor het gemak maar Nederlands en Frans zullen noemen. In de hoek van Limburg (de Voerstreek en Overmaas) kwam daar ook iets Duitsachtig bij. Anno 2002 kunnen oudere Vlamingen en Franstaligen die elkaar jarenlang bestreden hebben in de Voer elkaar nog altijd uitstekend verstaan in het plat van de streek.

We hebben het hier uiteraard over wat het volk praatte, niet over de taal waarvan de overheden van die contreien zich in de loop der tijden bedienden in hun contacten met dat volk, gesproken of geschreven. Toen in 1961 de tien gemeenten van Komen en Moeskroen nog La Flandre wallonne heetten en deel uitmaakten van de provincie West-Vlaanderen, was het Frans van het plebs veelal slechter dan dat van de politieke vertegenwoordigers en ambtenaren uit Ieper en Kortrijk.

Jan Verroken is de CVP-volksvertegenwoordiger die in de jaren vijftig in opdracht van het Centrum Harmel de taalgrens afdweilde, links en rechts een praatje makend met boeren en dorpers. Over het weer, de sport, de kranten die ze lazen. In Komen vertelden de Franstaligen hem dat ze vooral géén Walen waren, want Walen, dat waren roden, en La Flandre wallonne was zo godsvruchtig als de rest van West-Vlaanderen. In het gebied van Overmaas wilden ze dan weer in geen geval Vlamingen worden genoemd. 'Ver zönt zieker geng Flamender!', zeiden ze daar toen. 'Dat zönt jo Aktiviste! Di hauwe met de Dütsche. Ver zönt och geng Dütsche, en Welsche zönt ver och neet.' In Zuid-Oost-Brabant noteerde een vorser: "Vraag in L'Ecluse een inlichting in het Algemeen Beschaafd Nederlands aan de eerste de beste landbouwer, hij verstaat u niet, maar hij zal in het Melderts Vlaams aan zijn vrouw vragen om ook eens te komen luisteren naar uw taaltje. Wanneer u dan de Franse taal gebruikt, zal hij u verstaan."

Verrokens oren moeten hebben getuit bij zoveel particularisme dat het toen nog gewenste en vandaag verworven beeld van België met zijn twee gewesten en drie gemeenschappen zwaar op de proef stelde. Thuisgekomen plaatste hij zo goed en zo kwaad als het ging kruisjes op een zee van landkaarten. Deze wijk: Frans, gindse kant van de straat met even huisnummers: Vlaams, de overkant: Frans. Ze noemden hem niet voor niets de landmeter. Al hebben critici hem altijd verweten dat hij zich vooral in de gemeentehuizen met veel egards liet ontvangen. En dus niet door het volk. In Komen bleken aanvankelijk niet zozeer de Vlamingen als wel de Franstalige bestuurders zelf de grootste tegenstanders van een overheveling naar Henegouwen. En dus niet de Vlaamse boeren of de kinderen van Vlamingen die voor de oorlog naar de grensstreek kwamen om in het Franse Armentières in de textielfabrieken te gaan werken, en die om fiscale redenen toch aan de Belgische kant van de grens bleven wonen. Hen was het om het even.

Mensen houden niet van verandering, nooit en nergens. De West-Vlaamse krant Het Wekelijks Nieuws, die eind 1961 de diepte van het water ging peilen in wat de krant "Ons Franstalige Gebied" noemde, praatte met de secretarissen van de vijf Komense gemeenten. Het was toen nog niet de gewoonte om met de man in de straat te praten. In een bijschrift noteerden ze: "Onze redakteurs hebben ook een paar keer met gewone lieden gesproken en hieruit kon worden opgemaakt dat de bevolking zeer wantrouwig staat ten overstaan van aansluiting bij Henegouwen."

Dat was België toen. Het land zoals het was. Het land van Vlamingen die in Komen of Voeren niet dúrfden te zeggen dat ze Vlamingen waren, want ook al was het 'Nederlands' (en niet het Vlaamse dialect dat ze spraken) wettelijk al decennia de tweede landstaal, je kwam er nergens mee als je wilde trouwen, bouwen of gewoon je boterham verdienen. En het was het land van de Franstalige bestuurders, die oprecht meenden dat ze hun buren met Vlaamse wortels hoffelijk bejegenden door ze, aan het loket van het gemeentehuis, in een soort koetervlaams te bedienen.

De doofheid van veel Franstaligen in België voor de 'Vlaamse eisen' was in die jaren niet eens zozeer een kwestie van kwade wil als wel van culturele geconditioneerdheid. Dat gold ook voor de onverschilligheid van veel gewone Vlamingen voor diezelfde eisen van hun politieke elite. "Het probleem was in 1960 nog altijd", zegt Jean Milleville, een francofone oudgediende van de taalstrijd in Komen, "dat we de prijs betaalden van de Franse bezetting in de negentiende eeuw. En dat we er in dit land maar niet in slaagden, de Vlamingen niet maar wij evenmin, om een onderscheid te maken tussen de francofonie en de Walen. Ik ben de complexen van de Vlamingen uit 1960 pas jaren later beter gaan begrijpen. Zij hadden evenveel recht om verbitterd te zijn over la bourgeoisie flamande als de Walen."

Een citaatje uit een interruptie van een Franstalige volksvertegenwoordiger tijdens het parlementaire debat over de taalgrens, 1961, typeert dat diepgewortelde francofone onbegrip: "De ene taal is de andere waard. En voor ieder van ons is zijn eigen taal de meest waardevolle. Maar er is toch een verschil als het gaat over de omvang van de literatuur waar een taal toegang tot verschaft. Ik meen dat er talen zijn die tot grote literaturen leiden, en andere tot minder grote." Bredero, Vondel, Paul van Ostaijen of Hugo Claus, dat vond menig Franstalige Belgische politicus in 1961 toch maar minnetjes.

Zo dus stonden de taalverhoudingen er een halve eeuw geleden nog voor.

Arthur Gilson kon in 1961 niet genoeg herhalen waarom die taalgrens nu maar eens moest worden vastgelegd: "De essentie is om definitief de grenzen van de taalregio's te stabiliseren, d'en finir avec ces querelles." De roep om homogene taalgebieden kwam zeker niet van flaminganten alleen. Al in 1929 sprak de Belgische Werkliedenpartij zich op een congres uit voor de vastlegging van de taalgrens, en vooral de Franstalige kameraden onder hen preciseerden dat ze in geen van beide landsdelen 'taaleilandjes' wilden: 'pas de macédoine'. Geen faciliteiten dus. Beducht waren de Waalse socialisten voor de zowat 30.000 Vlamingen die in die tijd werkten in de streek van Charleroi. En vooral voor de komst van wat ze in hun geanimeerde debatten Vlaamse 'onderpastoorkes' noemden. Daar zouden, zo wisten de Franstaligen, Vlaamse scholen en erger van komen in het hart van Wallonië. Naarmate de stelling van Jules Destrée - dat er geen Belgen bestonden - meer en meer bewaarheid werd, naarmate met andere woorden het einde van het Franstalig bestuurde België van 1830 onomkeerbaar was, koos ook de Waalse beweging voor afgelijnde, eentalige landsdelen. De Franstalige Komenaars verzetten zich ook in 1961 tegen faciliteiten.

Dat alles werd naderhand al eens vergeten. Later hebben de Franstaligen altijd willen doen geloven dat zij de open gemeenschap van burgers (droit de gens) voorstonden boven de begrenzing van territoria (droit de sol), en dat alleen die enge Vlamingen 'etnisch' dachten in termen van volk en grond. Met name het Front Démocratique des Francophones (FDF) is er goed in geslaagd om die lezing van de Belgische geschiedenis tot over de landsgrenzen te verspreiden.

De taalgrens moest en zou in 1961 worden vastgelegd. Dat leek aanvankelijk nog vrij eenvoudig. Het Centrum Harmel en Jan Verroken hadden berekend dat een 'nette' grens, zonder taaleilandjes of faciliteiten dus, best kon. Zonder volksverhuizingen. Het leek allemaal eenvoudig, zoals een kustlijn in kaart brengen. Tot men dichter en dichter begint toe te kijken en tureluurs wordt van de immer bewegende zandkorrels. Naarmate er halve plannen uitlekten in de pers kwamen er op de taalgrens zelf allerlei demonen los. Communicatie en voorlichting waren nog niet de sterkste kant van de Belgische overheid. Ettelijke honderdduizenden mensen woonden op en rond de taalgrens, en indien ze afgingen op sommige berichten in de pers konden ze niet meer zeker zijn of ze morgen nog wel in dezelfde provincie, hetzelfde arrondissement of zelfs dezelfde gemeente zouden ontwaken.

Gilson wilde daar maximaal rekening mee houden, wat de onduidelijkheid alleen maar vergrootte. Verroken had er minder geduld mee. Voor hem waren al die bezwaren van lokalen evenveel blijken van provinciaal nationalisme. Amateurs, zo fulmineerde hij, "diegenen die deze operatie (vastleggen van de taalgrens, FR) willen verminderen tot een som van streekpolitiekjes en aldus de indruk wekken van kermisrenners die er zich maar niet kunnen aan gewennen wanneer zij eens in een klassieker verzeild geraken. Telkens zij in hun streek of tussen hun supporters terechtkomen, slaan dezulken op hol om ergens een premie te pakken". Ze streden volgens Verroken niet voor 's lands belang, maar "voor het oog van in hun meerderheid bedreigde burgemeesters, voor in hun verzekeringspolissen bedreigde gemeentesecretarissen, voor de notarissen wier ambtsgebied in het gedrang kwam, voor een lid van het veekweeksyndicaat dat van roodbont naar zwartbont of omgekeerd zou moeten overgaan, en voor vele andere achterschermse machten meer". Zoals daar verder nog zijn: het verschil in provinciale heffingen op fietsplaten, jukeboxen en bietensilo's.

Kortom, het was een doos van Pandora. En hoewel Gilson zoals gezegd vooral behoedzaam te werk wilde gaan en vooral niet de indruk wilde wekken dat hij de flaminganterij involgde, die volgens premier Lefèvre 'un mur berlinois' wilde, verloor ook hij al eens zijn geduld. Zoals op een persconferentie, toen hij de journalisten aanmaande om vooral naar de grote lijnen van zijn project te kijken: "De transfer van gemeenten is een detail. En de transfer van wijken is een detail van dat detail." Nee, het was geen tijd waarin de politiek de burger pamperde. Men ging niet op de markt vragen of men voor of tegen was. Senator Orban vatte het tijdens de bespreking van de wet op de taalgrens in 1962 zo samen: "La crainte du referendum est le commencement de la sagesse."

Gilsons voorzichtigheid enerzijds en de vele stoorzenders anderzijds leidden ertoe dat de politici zelf soms hun jongen niet meer terugvonden. Op een gegeven moment werden in het parlement twee amendementen goedgekeurd. Het ene stelde dat Voeren bleef waar het was in Luik, het andere dat Voeren naar Limburg ging. Ook Komen verhuisde in een etmaal en enige stemmingen enkele keren van provincie. Passons. De taalgrens kwam er in 1963, en ook de faciliteiten, hoewel Vlamingen en Franstaligen dat op verschillende momenten in de geschiedenis allebei dus stommiteiten hadden gevonden. Het land was gered. "1963 was een miskleun van jewelste", zegt Jean Milleville. "Maar het heeft wel het federalisme mogelijk gemaakt, en het federalisme heeft België gered. Ja, de taalgrens moest worden vastgelegd, maar moest het op zo'n klungelige manier?"

Een kleine halve eeuw later kijken sommige van de 'amateurs' waar Verroken het over had, er heel anders tegenaan dan in hun jeugd. Jean Milleville, in de jaren zestig en zeventig een van de mikpunten van de 'weerbare' flaminganten à la TAK en Voorpost en dan ook een francofoon pur sang, heeft niet veel op met de bijzonder rekbare interpretatie die de FDF-burgemeesters uit de Vlaamse rand aan de faciliteiten willen blijven geven. "Het is fout geweest in 1963 om faciliteiten zonder grenzen in de tijd toe te kennen. Men had beter voor een uitdoofscenario gekozen. Faciliteiten langs de hele taalgrens voor iedereen die er op dat moment woonde en leefde, maar niet meer voor de kinderen en nieuwkomers. Ik heb vrienden die naar De Panne zijn verhuisd. Zij krijgen er hun documenten ook niet in het Frans. Tant pis, het is de logica zelve. Hetzelfde voor de Brusselse rand. De Franstaligen zijn er zelf gaan wonen. Comme on dit en flamand: ze moeten 't zelf maar weten. Leer de andere landstaal, maar behoud je culturele wortels. Daar heb je geen faciliteiten voor nodig. Als ik vandaag het succes van Jean-Marie Le Pen zie, hier even voorbij Komen, dan huiver ik. La haine... In zekere zin hebben we er in de jaren zestig en zeventig ook een beetje aan meegedaan, hé? Eigen volk eerst, jawel. J'ai dépassé cette phase dans ma vie."

Een uitdoofscenario voor de faciliteiten? Dat is eigenlijk wat de Vlaamse overheid voorstaat in de Vlaamse rand. Alleen is dat gemakkelijk gezegd vandaag, post factum: in 1963 zou het geïnterpreteerd en ook daadwerkelijk ingevuld zijn als een blanco cheque die voor eeuwig recht gaf op tweetaligheid in bestuurszaken. Dat is precies de lezing van de faciliteiten die sommige francofonen in de rand er vandaag nog aan geven, en die ze in het oor van Lili Nabholz-Haidegger hebben kunnen fluisteren. Daarmee buigt de Raad van Europa zich, te midden van zoveel brandender wereldproblemen, vandaag over wat in se niets meer is dan een achterhoedegevecht om de tweeledigheid van België vooralsnog te doorbreken. En het land weer op losse schroeven te zetten, zoals het geval was in de woelige periode 1932-1962.

Grenzen leggen, net als wetten, altijd iets vast, ze doen de werkelijkheid altijd een beetje geweld aan. Zo is dat dus ook met de taalgrens. Ze moest er komen voor een hoger doel. De Belgische wetgever heeft zeker vanaf 1961 geprobeerd om de geschiedenis, anders dan Napoleon of Willem van Oranje, met zachte hand te sturen. Met zo weinig mogelijk dwang om de wet van Coquebert de Montbret niet te tarten. Het is een kaakslag, niet zozeer voor Vlaanderen als wel voor de Raad van Europa, dat zo'n achtenswaardig orgaan zich blind zit te staren op enige zandkorrels in de branding. En het is meer dan ironisch dat de Vlaamse leden van de Raad van Europa Nabholz' rapport deze week alleen maar (tijdelijk) in de koelkast hebben gekregen met de steun van een aantal landen zoals Rusland en Roemenië. Die landen vrezen namelijk precedenten als de Franstaligen in de Vlaamse rand van Brussel inderdaad zouden worden erkend als een minderheid. Het zijn landen die vandaag soms wel nog even bot omspringen met hun minderheden als de Belgische staat dat decennialang heeft gedaan met Vlamingen én Walen gelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234